← Nederland

ECLI:NL:GHARL:2022:8179

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN zittingsplaats Leeuwarden Zaaknummer : Wahv 200.293.903/01 CJIB-nummer : 234272836 Uitspraak d.d. : 22 september 2022 Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Amsterdam van 9 maart 2021, betreffende [de betrokkene] (hierna: de betrokkene), wonende te [woonplaats] . De gemachtigde van de betrokkene is mr. M. Lagas, kantoorhoudende te Amsterdam. Het tussenarrest De inhoud van het tussenarrest van 28 juni 2022 wordt hier overgenomen. Het verdere procesverloop De gemachtigde van de betrokkene heeft de gronden van het beroep aangevuld. De advocaat-generaal heeft daarop gereageerd. De beoordeling

  1. Gelet op wat in het tussenarrest is overwogen, zal het hof de beslissing van de kantonrechter vernietigen, het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaren en ook die beslissing vernietigen. Ter beoordeling van het hof staat het beroep tegen de inleidende beschikking.
  2. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 160,- voor: “doorrijden bij een driekleurig verkeerslicht (stoplicht) dat op rood staat”. Deze gedraging zou zijn verricht op 15 juni 2020 om 21:29 uur op de Stadhouderskade, ter hoogte van het Max Euweplein in Amsterdam met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
  3. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat het vertrouwensbeginsel is geschonden. De ambtenaar heeft de betrokkene verzekerd dat het bedrag van de sanctie zou worden gehalveerd, omdat de betrokkene minderjarig was. De gemiddelde weggebruiker mag uitgaan van de uitlatingen van de ambtenaar. Er is sprake van een concrete, duidelijke en ondubbelzinnige toezegging of van een gedraging waarin zo’n toezegging in redelijkheid geacht kan worden besloten te liggen. Aan de betrokkene mocht daarom geen sanctie van € 160,- worden opgelegd.
  4. In artikel 2, vierde lid, van de Wahv is bepaald dat de in het derde lid bedoelde geldsom voor personen die ten tijde van de gedraging nog geen zestien jaar oud waren, gehalveerd wordt. Het hof stelt vast dat de betrokkene ten tijde van de gedraging zestien jaar was en dat het sanctiebedrag dus niet op grond van dit artikel gehalveerd wordt.
  5. De ambtenaar heeft niet de bevoegdheid om af te wijken van de krachtens artikel 2, derde lid, van de Wahv vastgestelde sanctiebedragen. Slechts de officier van justitie kan, gelet op artikel 9, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wahv, in het kader van de beslissing op het administratief beroep, het door de regelgever vastgestelde sanctiebedrag matigen.
  6. Het is aan (de gemachtigde van) de betrokkene om de feiten die hij aan het beroep op het vertrouwensbeginsel ten grondslag legt aannemelijk te maken. Daarin is hij niet geslaagd. De enkele stelling dat de ambtenaar de betrokkene zou hebben verzekerd dat het bedrag van de sanctie zou worden gehalveerd (omdat de betrokkene minderjarig was) is hiervoor onvoldoende. In het zaakoverzicht is hierover niets vermeld en in het aanvullend procesverbaal van 9 augustus 2022 verklaart de ambtenaar dat zij niet meer weet wat er twee jaar geleden is gezegd, maar dat zij zich niet kan voorstellen dat haar collega of zij dit beloofd zou hebben, omdat de betrokkene al 16 jaar was en een halvering van het sanctiebedrag daarom niet eens zou kunnen. Uit deze gegevens blijkt ook niet van een toezegging het sanctiebedrag te halveren.
  7. Hetgeen is aangevoerd slaagt niet. Het hof zal het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond verklaren. Nu de betrokkene niet in het gelijk wordt gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen. De beslissing Het gerechtshof: vernietigt de beslissing van de kantonrechter; verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt die beslissing; verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond. wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af. Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Van der Zee-Venema als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.