← Nederland

ECLI:NL:GHARL:2022:8184

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN zittingsplaats Leeuwarden Zaaknummer : Wahv 200.298.648/01 CJIB-nummer : 232716042 Uitspraak d.d. : 22 september 2022 Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Amsterdam van 22 juli 2021, betreffende [de betrokkene] B.V. (hierna: de betrokkene), gevestigd te [vestigingsplaats] . De gemachtigde van de betrokkene is F.R. Eggink, kantoorhoudende te Almelo. De beslissing van de kantonrechter De kantonrechter heeft het beroep ongegrond verklaard en het verzoek om een proceskostenvergoeding afgewezen. Het verloop van de procedure De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding. De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt. De beoordeling

  1. De officier van justitie heeft het beroep tegen de inleidende beschikking niet-ontvankelijk verklaard, omdat er geen deugdelijke machtiging is overgelegd en geen gebruik is gemaakt van de gelegenheid om dit verzuim te herstellen.
  2. In zijn tussenbeslissing van 6 april 2021 heeft de kantonrechter geoordeeld dat er wel een deugdelijke machtiging is overgelegd. Vervolgens heeft de kantonrechter het beroep inhoudelijk behandeld. De kantonrechter heeft echter verzuimd om het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond te verklaren en die beslissing te vernietigen. Daarmee heeft de kantonrechter gehandeld in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wahv. Het hof zal diens beslissing dan ook vernietigen en doen wat de kantonrechter had behoren te doen, te weten het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaren en die beslissing vernietigen.
  3. Vervolgens zal het hof overgaan tot de beoordeling van het beroep tegen de inleidende beschikking waarbij aan de betrokkene als kentekenhouder een sanctie is opgelegd van € 140,- voor: “voertuig zodanig op de weg laten staan dat gevaar wordt/kan worden veroorzaakt of verkeer wordt/kan worden gehinderd”. Deze gedraging zou zijn verricht op 24 maart 2020 om 10:11 uur op de Sam van Houtenstraat in Amsterdam met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
  4. De gemachtigde van de betrokkene voert onder meer aan dat de straat ter plaatse zo breed is dat andere voertuigen gemakkelijk konden passeren. Er werd dus niemand gehinderd. Ook stond het voertuig van de betrokkene niet gevaarlijk geparkeerd. Ter onderbouwing heeft de gemachtigde verschillende foto’s van de situatie ter plaatse overgelegd.
  5. De onderhavige gedraging betreft een overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet
  6. Voor de vraag of deze gedraging is verricht dient te worden vastgesteld of er door de manier waarop het voertuig van de betrokkene ter plaatse stond gevaar op de weg of hinder voor het verkeer op de weg is of kon worden veroorzaakt.
  7. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens: “Ik zag dat het voertuig op zodanige wijze op de weg stond dat daardoor de doorgang voor het verkeer werd dan wel kon worden geblokkeerd. De situatie was als volgt: Parkeren op de weg. Hinder voor de doorgang.”
  8. Het hof is van oordeel dat uit het dossier onvoldoende blijkt dat het voertuig van de betrokkene zodanig stond dat daardoor voor het verkeer op de weg gevaar of hinder werd veroorzaakt dan wel kon worden veroorzaakt. De ambtenaar heeft niet concreet aangegeven waaruit dat gevaar of die hinder zou hebben (kunnen) bestaan. Hij heeft slechts verklaard dat de doorgang voor het verkeer werd dan wel kon worden geblokkeerd, maar heeft dit niet toegelicht. Een foto van de gedraging heeft hij niet toegevoegd. Bij deze stand van zaken kan niet worden vastgesteld dat de gedraging is verricht. De inleidende beschikking kan daarom niet in stand blijven. Het hof zal beslissen als hierna te melden. Dit brengt mee dat de overige bezwaren van de gemachtigde geen bespreking meer behoeven.
  9. De proceskosten komen voor vergoeding in aanmerking. Aan het indienen van het administratief beroepschrift, het beroepschrift bij de kantonrechter en het hoger beroepschrift dienen in totaal drie punten te worden toegekend. De waarde per punt bedraagt voor het administratief beroep € 541,- en voor het (hoger) beroep € 759,-. Gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 1.029,
  10. De beslissing Het gerechtshof: vernietigt de beslissing van de kantonrechter; verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt die beslissing; verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking gegrond en vernietigt die beschikking, waarbij onder voormeld CJIB-nummer de administratieve sanctie is opgelegd; bepaalt dat hetgeen door de betrokkene op de voet van artikel 11 van de Wahv tot zekerheid is gesteld door de advocaat-generaal wordt gerestitueerd; veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene tot een bedrag van € 1.029,
  11. Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Starreveld als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.