GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem afdeling civiel recht zaaknummers gerechtshof 200.303.292 en 200.303.293 (zaaknummers rechtbank Midden-Nederland 508832 en 514645) beschikking van 29 september 2022 inzake [verzoekster] , wonende te [woonplaats1] ,verzoekster in het principaal hoger beroep, verweerster in het incidenteel hoger beroep, verder te noemen: de vrouw, advocaat: mr. M.B. Chylinska te Zaandam, en [verweerder] , wonende te [woonplaats1] , verweerder in het principaal hoger beroep, verzoeker in het incidenteel hoger beroep, verder te noemen: de man, advocaat: mr. A.Y.M. Jansse te Zeist. 1Het geding in eerste aanleg Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 30 augustus 2021, uitgesproken onder voormelde zaaknummers. 2Het geding in hoger beroep 2.1 Het verloop van de procedure blijkt uit: - het beroepschrift met producties 1 tot en met 17 (waaronder het procesdossier uit de eerste aanleg), ingekomen op 26 november 2021; - het verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep met producties 1 tot en met 13; - het verweerschrift in het incidenteel hoger beroep met producties A tot en met I; - een journaalbericht van mr. Jansse van 5 augustus 2022 met producties 13 tot en met 17; - een journaalbericht van mr. Jansse van 5 augustus 2022 met productie 18; - een journaalbericht van mr. Chylinska van 12 augustus 2022 met een vertaling van reeds overgelegde stukken bij het verweer in het incidenteel hoger beroep; - een journaalbericht van mr. Chylinkska van 16 augustus 2022 met aanvullende stukken. 2.2 De mondelinge behandeling heeft op 18 augustus 2022 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten en ieder daarnaast ook door een tolk in de Poolse taal. Namens de Raad voor de kinderbescherming is een vertegenwoordiger verschenen. 3De feiten 3.1 Partijen zijn op [in] 2009 in [plaats1] , Polen, met elkaar gehuwd. 3.2 Zij hebben beiden de Poolse nationaliteit. 3.3. Partijen zijn de ouders van: - [de minderjarige1] , geboren [in] 2015; en - [de minderjarige2] , geboren [in] 2017. 3.4 De vrouw heeft op 8 september 2020 een verzoek tot echtscheiding en tot het treffen van nevenvoorzieningen ingediend. De man heeft verweer gevoerd en een aantal zelfstandige verzoeken gedaan. 3.5 Bij beschikking voorlopige voorzieningen van 9 november 2020 heeft de rechtbank voor de duur van het geding, kort samengevat: de kinderen toevertrouwd aan de vrouw: bepaald dat de vrouw gerechtigd is tot het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning; een zorgregeling vastgesteld; de Raad voor de Kinderbescherming verzocht om onderzoek te doen naar de vraag welk hoofdverblijf en welke verdeling van zorg het meest in het belang van de kinderen is; beslist dat de man vanaf 10 november 2020 voorlopig een bedrag van € 163,- per kind per maand moet betalen aan de vrouw, als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen. 3.6 Bij de beschikking van 30 augustus 2021 is tussen partijen de echtscheiding uitgesproken. De echtscheidingsbeschikking is op 8 oktober 2021 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand te ’s-Gravenhage. 3.7 Naast het uitspreken van de echtscheiding heeft de rechtbank in de beschikking van 30 augustus 2021 (hierna ook: de bestreden beschikking): - bepaald dat [de minderjarige1] zijn hoofdverblijfplaats heeft bij de vrouw en [de minderjarige2] bij de man; - een zorgregeling vastgesteld; - bepaald dat de vrouw tot zes maanden na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de woning [adres1] te [woonplaats1] mag blijven wonen; - bepaald dat de man € 119,- per maand aan de vrouw moet betalen als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige1] en dat de vrouw € 36,- per maand aan de man moet betalen als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige2] ; - de wijze van verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap gelast; - deze beslissingen uitvoerbaar bij voorraad verklaard; - bepaald dat partijen hun eigen proceskosten betalen; en - de verzoeken van partijen voor het overige afgewezen. 4De omvang van het geschil 4.1 Tussen partijen is in geschil de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige2] , de zorgregeling, de kinder- en partneralimentatie en de verdeling van het huwelijksvermogen. 4.2 De vrouw is met zeven grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. Zij verzoekt het hof om de bestreden beschikking deels te vernietigen en: de verdeling van de huwelijksgoederen te gelasten zoals zij die voorstaat in de randnummers 1 tot en met 10 van haar beroepschrift, dan wel een beslissing in goede justitie te nemen; te bepalen dat beide kinderen hun hoofdverblijfplaats bij haar hebben; te bepalen dat de man met ingang van 17 augustus 2020 aan haar een bedrag van € 486,- per maand in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen zal betalen, bij vooruitbetaling te voldoen, dan wel een bedrag dat het hof juist acht; te bepalen dat de man met ingang van diezelfde datum aan haar een bijdrage in haar levensonderhoud van € 644,- per maand zal betalen, bij vooruitbetaling te voldoen, dan wel een bedrag dat het hof juist acht; een en ander kosten rechtens. 4.3 De man voert verweer en is op zijn beurt met twee grieven in incidenteel hoger beroep gekomen. Ook heeft hij in zijn verweer op de grieven van de vrouw enkele van zijn verzoeken aangepast en hij verzoekt ook deze als incidentele grieven te beoordelen. Hij verzoekt het hof om: de verzoeken van de vrouw af te wijzen; te bepalen dat de wisseldag op maandag zal plaatsvinden waarbij de kinderen voor school door de ene ouder worden gebracht en door de andere bij school worden gehaald; te bepalen dat de resterende saldi op de rekeningen bij helfte wordt gedeeld; te bepalen dat de man alsnog de helft van de meerwaarde van € 1.742,- van de woning in Polen toekomt en dat de vrouw dit aan hem moet betalen; ten aanzien van afgifte van de gereedschappen in Polen een dwangsom op te leggen; te bepalen dat de vrouw aan hem € 17.393,59 en € 109,58 betaalt wegens hypotheekrente en kosten herstel van de woning; te bepalen dat hij geen kinderbijdrage hoeft te betalen aan de vrouw met ingang van de uitspraakdatum van het hof dan wel een in goede justitie te bepalen datum. 4.4 De vrouw voert verweer op het incidenteel hoger beroep van de man en verzoekt om de man in al zijn verzoeken niet-ontvankelijk te verklaren dan wel die verzoeken af te wijzen, dan wel een beslissing te nemen die het hof juist acht. Kosten rechtens. 5De motivering van de beslissing 5.1 Nu beide partijen de Poolse nationaliteit hebben heeft deze zaak een internationaal karakter. In dat kader stelt het hof ambtshalve vast dat de Nederlandse rechter rechtsmacht toekomt ten aanzien van alle voorliggende verzoeken. Ten aanzien van de verzoeken betreffende de hoofdverblijfplaats van de kinderen, de zorgregeling en de kinder- en partneralimentatie is het Nederlandse recht van toepassing. de hoofdverblijfplaats van de kinderen 5.2 De vrouw heeft op de mondelinge behandeling haar grief 6 en het daaraan gekoppelde verzoek betreffende de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige2] ingetrokken. Dit heeft tot gevolg dat op dit verzoek niet meer hoeft te worden beslist. De beslissing van de rechtbank over de hoofdverblijfplaats van de kinderen blijft in stand. de zorgregeling 5.3 De man verzoekt om de huidige zorgregeling aan te passen, in die zin dat de wisseldag niet op vrijdag is maar op maandag. Dit komt beter uit met zijn werkrooster. De vrouw wil dit niet, zij heeft juist alles - waaronder afspraken met haar moeder - afgestemd op haar werkrooster. Dat is volgens haar niet te wijzigen. 5.4 Het hof zal de door de rechtbank vastgestelde regeling in stand laten. Die regeling loopt en wordt door beide partijen nagekomen. Partijen kunnen kennelijk niet tot andere afspraken komen of hun werkroosters aanpassen. Een wisseldag op de zondag - zoals de man nog voorstelde - is op dit moment ook niet haalbaar, mede omdat partijen elkaar dan fysiek tegenkomen en het contact tussen hen slecht is. Dit zou tot escalaties kunnen leiden. Grief 1 van de man slaagt niet. de kinderalimentatie 5.5 In haar zevende grief verzoekt de vrouw om de door de man te betalen kinderalimentatie vast te stellen op € 486,- per maand. In haar berekening is zij er echter nog vanuit gegaan dat de hoofdverblijfplaats van beide kinderen bij haar zou worden bepaald. De grief over de hoofdverblijfplaats is echter ingetrokken. Op de mondelinge behandeling is namens de vrouw verklaard dat de vrouw zich op het punt van de kinderalimentatie zal refereren aan het oordeel van het hof, waarbij nog wel is toegevoegd dat voor het berekenen van de draagkracht van de man moet worden uitgegaan van de door hem overgelegde jaaropgave 2021. 5.6 De man voert aan dat hij zwemles voor [de minderjarige2] en voetbal voor [de minderjarige1] heeft geregeld. Hij betaalt ook de lessen en de contributie, de vrouw weigert daar volgens hem aan mee te betalen. [de minderjarige2] heeft bovendien extra ondersteuning in zijn taalontwikkeling nodig, ook dat kost geld en ook daar wil de vrouw volgens de man niet aan meebetalen. Het hof begrijpt dat in zijn verweer een incidentele grief ligt besloten en dat hij het hof verzoekt om te bepalen dat hij de vrouw geen bijdrage in de kosten van opvoeding en verzorging van [de minderjarige1] hoeft te betalen, juist omdat hij al die extra kosten draagt. 5.7 Het hof merkt allereerst op dat het lastig lezen is als de man in zijn verweer incidentele grieven/verzoeken ‘verstopt’. Dat brengt het risico met zich dat deze als zodanig niet worden onderkend en dus ook niet zullen kunnen worden toegewezen. In dit geval heeft de man in zijn verweer aangekondigd dat er in zijn verweer incidentele grieven waren opgenomen, zodat het hof die incidentele grieven zal meenemen. Beter was het echter geweest deze punten als duidelijk aangegeven incidentele grieven op te voeren. 5.8 Partijen zijn het eens over de kosten van de kinderen samen (de behoefte), van € 1.036,- per maand. Het hof zal dit als uitgangspunt nemen. De hoofdverblijfplaats van de beide kinderen blijft ongewijzigd. Bij ieder van partijen is een kind ingeschreven. Ieder van partijen dient naar het oordeel van het hof dan ook alle kosten van het kind te voldoen dat bij hem of haar staat ingeschreven. Concreet betekent dit dat de vrouw de kosten van voetbal van [de minderjarige1] betaalt en de man de kosten van de zwemles en taalondersteuning van [de minderjarige2] . Op de mondelinge behandeling begreep het hof van de vrouw dat zij ook niet onwillig is de voetbalcontributie te betalen. Voor het vaststellen van de draagkracht van ieder van partijen zal het hof uitgaan van de meest recente overgelegde inkomensgegevens van partijen. Hier wreekt het zich dat beide partijen voor de zitting recente financiële gegevens hebben overgelegd zonder een (nieuwe) berekening waaruit blijkt welke gevolgen deze gegevens hebben voor hun stellingen in hoger beroep. Dat betekent dat het hof weinig anders kan dan een eigen berekening maken op basis van de aangedragen gegevens, die evenwel vaak op meerdere wijze te interpreteren zijn. 5.9 De vrouw heeft sinds 1 juli 2022 een andere baan. Zij werkt inmiddels, zo verklaarde zij ter zitting, 40 uur per week. Uit de door haar overgelegde loonstrook van juli 2022 blijkt een inkomen van € 2.754,59 bruto per maand, waarop wordt ingehouden pensioenpremies AOP van € 2,04 en NP van € 145,08. Het brutosalaris dient nog te worden vermeerderd met 8% vakantietoeslag. Ook ontvangt de vrouw een dertiende maand. Rekening houdend met deze bedragen, de te betalen inkomstenbelasting en het door haar te ontvangen kindgebonden budget van € 3.538 per jaar levert dit de vrouw een netto besteedbaar inkomen (NBI) op van € 2.948 per maand. 5.10 De man heeft loonstroken over de maanden januari tot en met maart 2022 overgelegd. Daaruit blijkt van een bruto inkomen, inclusief variabele consignatiedienst uren, persoonlijke toeslag en ploegentoeslag van € 3.673,66 in januari en € 3.664,27 in februari en maart per vier weken. Bij het inkomen komt nog een vakantietoeslag van 8% en een eindejaarsuitkering van € 1.340. Het hof gaat bij dit laatste uit van de cumulatieve reservering voor de eerste 12 weken van € 330,07. Op het salaris wordt per vier weken ingehouden premie pensioen ANW van € 20,14 een bijdrage PAWW van € 7,33, een VLEP-pensioenpremie van € 283,33 een WGA-hiaat verzekeringspremie van € 6,23 en een premie WhkWN van € 28,12. Rekening houdend met deze bedragen, de te betalen inkomstenbelasting en het door de man te ontvangen kindgebonden budget van € 2.722 levert dit hem een netto besteedbaar inkomen (NBI) op van € 3.153 per maand. 5.11 De draagkracht voor de kinderalimentatie wordt vervolgens vastgesteld aan de hand van de formule 70% [NBI - (0,3 NBI + € 1.020)], nu het netto besteedbaar inkomens betreft die hoger zijn dan € 1.470 per maand. Aldus is de draagkracht van de vrouw € 731 per maand en die van de man € 831 per maand. Samen hebben zij voldoende draagkracht om in de kosten van de kinderen te voorzien. 5.12 Alvorens de draagkracht van partijen te vergelijken verdeelt het hof de berekende draagkracht gelijkelijk over de beide kinderen. Gesteld noch gebleken is dat hun behoeftes verschillend zijn. Dit houdt in dat partijen ieder de helft van hun draagkracht dienen aan te wenden voor het kind dat bij hen is ingeschreven en de andere helft voor het kind dat bij de ander is ingeschreven. 5.13 De behoefte van [de minderjarige1] is € 518 (de helft van € 1.036). De beschikbare draagkracht voor hem van de ouders is € [nummer2] (de helft van € 731 en € 831). Op grond van een draagkrachtvergelijking dient de vrouw in die behoefte met € 242 bij te dragen en de man met € 267 per maand. Aldus zou de man aan de vrouw € 267 per maand moeten voldoen als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige1] . Partijen hebben de zorg echter verdeeld, zodat de man in natura in de kosten van [de minderjarige1] voldoet als [de minderjarige1] bij hem verblijft. Daarmee wordt rekening gehouden door een bedrag van 35% van de behoefte af te trekken (€ 181) van het te betalen bedrag (de zorgkorting). Er resteert dan een bedrag van € 86 door de man aan de vrouw te betalen als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige1] . 5.14 Voor [de minderjarige2] kan een gelijke berekening worden gemaakt, eveneens rekening houdend met een zorgkorting van 35%. Dit leidt ertoe dat de vrouw aan de man € 61 dient te voldoen als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige2] . 5.15 Als ingangsdatum voor de aldus berekende bijdrages zal het hof de datum van deze beschikking nemen. Dit in verband met de gewijzigde inkomensgegevens (met name die van de vrouw per juli van dit jaar). Op deze wijze hoeven partijen ook geen bedragen te verrekenen die toch al zijn uitgegeven ten behoeve van de kinderen. de partneralimentatie 5.16 In eerste aanleg heeft de vrouw verzocht de man te veroordelen om aan haar een bijdrage in haar levensonderhoud van € 288 per maand te voldoen. Dat verzoek is afgewezen, omdat de rechtbank van oordeel was dat de vrouw onvoldoende had gesteld wat haar actuele resterende behoefte was en deze ook onvoldoende was onderbouwd. Haar zevende grief ziet mede op dat oordeel. In hoger beroep stelt de vrouw dat kan worden uitgegaan van de hofnorm voor het vaststellen van haar behoefte en dat dit resulteert in een netto behoefte van € 2.481 per maand. Ze verzoekt te bepalen dat de man haar € 644 per maand dient te betalen. 5.17 De man voert verweer en stelt dat de vrouw haar behoefte ook in hoger beroep onvoldoende onderbouwt. Een enkel beroep op de hofnorm is volgens de man in dat kader onvoldoende. 5.18 Het hof is van oordeel dat ‘de hofnorm’, waarbij de behoefte wordt gesteld op 60% van het gezamenlijk gezinsinkomen aan het einde van het huwelijk verminderd met de kosten van de kinderen, een heldere en in de praktijk eenvoudig te hanteren maatstaf biedt die leidt tot een reële schatting van de behoefte. Dat dit in deze zaak anders zou zijn is door de man niet gesteld en het hof ook niet gebleken. 5.19 Zoals hiervoor al is gebleken waren partijen het eens over de behoefte van de kinderen. Die wordt berekend aan de hand van de netto besteedbare inkomens van partijen aan het einde van het huwelijk. In haar inleidend verzoek heeft de vrouw gesteld dat dit netto besteedbaar inkomen € 5.754 per maand was, hetgeen zou resulteren in een behoefte van de kinderen van € 1.319 terwijl de man in zijn verweer ook zelfstandige verzoeken uitging van een netto besteedbaar inkomen aan het eind van het huwelijk van € 5.075 wat resulteerde in een behoefte van de kinderen van € 1.159. Nu partijen het eens zijn geworden over een behoefte van de kinderen van € 1.036 zal het netto besteedbaar inkomen aan het einde van het huwelijk in de buurt hebben gelegen van het bedrag dat de man heeft gesteld. Als het hof uitgaat van die € 5.075 en daar de kosten van de kinderen van € 1.036 van aftrekt wordt de hofnorm toegepast op een besteedbaar inkomen van € 4.039. De behoefte is dan 60% daarvan, ofwel € 2.423 netto per maand. 5.20 Uit de door de vrouw overgelegde salarisspecificatie van juli 2022 blijkt dat zij maandelijks € 2.371,74 netto ontvangt. Als dan bedacht wordt dat de vrouw ook nog vakantiegeld ontvangt en een dertiende maand, heeft de vrouw naar het oordeel van het hof haar behoefte aan een bijdrage van de man onvoldoende aangetoond. Immers, met haar huidige salaris inclusief vakantiegeld en dertiende maand kan de vrouw geheel in haar behoefte voorzien. Ook ten aanzien van de periode voor 1 juli 2022 heeft de vrouw naar het oordeel van het hof onvoldoende aangetoond dat zij behoefte heeft aan de door haar verzochte bijdrage van € 644 per maand. Daarbij komt dat de vrouw om een bijdrage heeft verzocht met ingangsdatum 17 augustus 2020, terwijl de echtscheidingsbeschikking eerst op 8 oktober 2021 is ingeschreven. De verplichting tot levensonderhoud kan niet eerder aanvangen dan op de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de burgerlijke stand. Het verzoek van de vrouw zal worden afgewezen. Grief 7 van de vrouw faalt op dit onderdeel. de verdeling van het huwelijksvermogen 5.21 Ten aanzien van het toepasselijk recht met betrekking tot de verdeling van het huwelijksvermogen heeft de rechtbank geoordeeld dat van 11 juli 2009 tot 11 juli 2019 het Pools recht en vanaf 11 juli 2019 het Nederlands recht van toepassing is op het huwelijksvermogensregime van partijen. Geen van partijen is van dat oordeel in hoger beroep gekomen, zodat het hof daaraan is gebonden. 5.22 In de bestreden beschikking heeft de rechtbank kort het Pools huwelijksvermogensrecht geschetst en vermeld dat het Poolse huwelijksvermogensrecht drie vormen van vermogen kent: het gemeenschappelijke vermogen van de echtgenoten, bestaand uit inkomen uit arbeid en uit andere bronnen verkregen tijdens het huwelijk en inkomen verkregen uit het privé vermogen van ieder; het privévermogen van de vrouw, bestaande uit onder meer vermogen verkregen voor het huwelijk, erfrechtelijke verkrijgingen en schenkingen (tenzij de testateur/schenker bepaald heeft dat de goederen in de gemeenschap dienen te vallen), persoonlijke goederen en hoogstpersoonlijke rechten; het privévermogen van de man onder dezelfde voorwaarden als verwoord onder b. 5.23 Ten aanzien van de verdeling van huwelijksvermogen verschillen partijen op een aantal onderwerpen van mening. Die onderwerpen zal het hof hierna afzonderlijk bespreken. de woning in Polen 5.24 Tussen partijen staat vast dat de vrouw eigenaar is van een perceel grond in Polen. Op dat perceel grond is een woning gebouwd. In eerste aanleg stelde de vrouw dat de woning haar geheel toekomt, omdat deze door en op kosten van haar familie is gebouwd. De man heeft dat betwist. De rechtbank heeft geoordeeld dat de vrouw geen enkel stuk heeft overgelegd waaruit haar standpunt blijkt dat alle kosten van de bouw van de woning door haar familie zijn betaald. Nu de woning tijdens het huwelijk is gebouwd gaat de rechtbank er daarom van uit dat de woning gemeenschappelijk is en heeft de wijze van verdeling daarvan gelast in die zin dat bepaald is dat de woning aan de vrouw wordt toegedeeld en dat zij de helft van de getaxeerde waarde aan de man dient te betalen, zijnde een bedrag van € 30.829,50. Dat geldt volgens de rechtbank ook voor zover de woning wel privé bezit is van de vrouw, want op grond van artikel 45 van het Pools familiewetboek heeft de ene echtgenoot recht op terugbetaling van uitgaven gedaan uit het gemeenschappelijk vermogen ten gunste van het privévermogen van de ander. 5.25 Grief 1 van de vrouw richt zich tegen dit oordeel en beslissing. Zij handhaaft in hoger beroep haar stelling dat de woning gebouwd en gefinancierd is door haar familie. De man betwist dat en voert aan dat partijen de woning samen, met behulp van familie van beide partijen, met gezamenlijk vermogen hebben gebouwd. De (waarde van
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.