Afdeling strafrecht Parketnummer: 21-000418-22 Uitspraak d.d.: 30 september 2022 TEGENSPRAAK Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland van 1 februari 2022 met parketnummer 96-078313-21 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging, parketnummer 96-045391-19, in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1982, wonende te [woonplaats] , [adres] . Het hoger beroep De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 16 september 2022 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep, met veroordeling van de verdachte ter zake van het tenlastegelegde tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 weken, waarvan 1 week voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd het beslag verbeurd te verklaren en de vordering tot tenuitvoerlegging toe te wijzen. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen namens verdachte door zijn raadsman, mr. M.A.M. Karsten, naar voren is gebracht. Het vonnis waarvan beroep De politierechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen heeft bij vonnis van 1 februari 2022 de verdachte ter zake van hetgeen hem is tenlastegelegd veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 weken, waarvan 1 week voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, de personenauto verbeurdverklaard en de vordering tot tenuitvoerlegging geheel toegewezen. Het hof zal het vonnis waarvan beroep om proceseconomische redenen vernietigen en daarom opnieuw rechtdoen. De tenlastelegging Aan verdachte is tenlastegelegd dat: hij, op of omstreeks 21 januari 2021 te Hoogeveen, terwijl hij wist of redelijkerwijs moest weten dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een of meer categorieën van motorrijtuigen, te weten B, ongeldig was verklaard en aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie of categorieën was afgegeven, op de weg, de [naam straat] , als bestuurder een motorrijtuig, (personenauto), van die categorie of categorieën heeft bestuurd. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging. Bewijsoverweging Standpunt van het openbaar ministerie De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde feit. Standpunt van de verdediging De verdediging heeft primair vrijspraak bepleit van het tenlastegelegde feit. Daartoe heeft de raadsman aangevoerd dat verdachte niet wist of redelijkerwijs moest weten dat zijn rijbewijs op 21 januari 2021 ongeldig was verklaard, althans dat de wetenschap daaromtrent niet zonder voortvloeit uit de in het dossier bevindende stukken van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR), welke niet aan verdachte zijn betekend. Oordeel van het hof Het hof is van oordeel dat het namens verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde feit wordt weerlegd door de gebezigde bewijsmiddelen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen. Op basis van de in het dossier opgenomen bewijsmiddelen wordt het volgende overwogen. Het hof concludeert op grond van de ambtsedige waarnemingen van de verbalisanten dat het verdachte is geweest die als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto) op 21 januari 2021 op de [naam straat] te Hoogeveen heeft gereden. Vooropgesteld wordt dat uit de bewijsvoering moet kunnen worden afgeleid dat de verdachte ten tijde van het besturen van het motorrijtuig op 21 januari 2021 "wist of redelijkerwijs moest weten" dat zijn rijbewijs B ongeldig was verklaard. In dat verband is van belang dat in de rechtspraak van de Hoge Raad meermalen is beslist dat uit de enkele omstandigheid dat het besluit tot ongeldigverklaring van het rijbewijs van de verdachte per aangetekende brief en als gewone brief naar de verdachte is verzonden en die brieven vervolgens niet als onbestelbaar retour zijn gekomen, niet zonder meer kan worden afgeleid dat de verdachte "wist of redelijkerwijs moest weten" dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. Welke bijkomende of andere omstandigheden wel toereikend zijn, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Het hof stelt de volgende feiten en omstandigheden vast. Het hof concludeert dat het rijbewijs categorie B van verdachte vanaf 15 september 2014 ongeldig is verklaard. Het CBR heeft op 11 januari 2019 het Duitse rijbewijs van verdachte omgewisseld voor een nieuw Nederlands rijbewijs, dat per 8 april 2019 ongeldig is verklaard. Uit het verdachte betreffend uittreksel Justitiële documentatie van 11 augustus 2022 blijkt dat verdachte vóór 21 januari 2021 al een enkele maal staande is gehouden vanwege het rijden zonder geldig rijbewijs ex. artikel 9, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994, gepleegd op 3 december 2020 te Hoogeveen. Blijkens een gevoegd proces-verbaal van artikel 9 Wegenverkeersweg 1994, opgemaakt door verbalisant [verbalisant] is aan verdachte op 3 december 2020 meegedeeld dat zijn rijbewijs ongeldig is verklaard. Voorts blijkt uit het dossier dat verdachte direct tegenover de verbalisanten bij zijn staande houding op 21 januari 2021 heeft verklaard: “Ik weet dat mijn Nederlandse rijbewijs ongeldig is verklaard”. Uit voornoemde verklaring, alsmede de mededeling van de verbalisant voorafgaand aan het onderhavige feit, dat aan verdachte is voorgehouden dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard, leidt het hof af dat verdachte redelijkerwijs moest weten dat er met betrekking tot de geldigheid van zijn rijbewijs iets niet klopte en dit reden moest zijn voor de verdachte om contact op te nemen met het CBR. Op grond van bovengenoemd samenstel van omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, concludeert het hof dat verdachte op 21 januari 2021 ten minste redelijkerwijs moet hebben geweten dat zijn rijbewijs B ongeldig was verklaard. Bewezenverklaring Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, zoals deze later in een eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat: hij op 21 januari 2021 te Hoogeveen, terwijl hij redelijkerwijs moest weten dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een categorie van motorrijtuigen, te weten B, ongeldig was verklaard en aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie was afgegeven, op de weg, de [naam straat] , als bestuurder een motorrijtuig, (personenauto), van die categorie heeft bestuurd. Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Het bewezenverklaarde levert op: overtreding van artikel 9, tweede lid, van de Wegenverkeerswet
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.