GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN zittingsplaats Leeuwarden Zaaknummer : Wahv 200.300.223/01 CJIB-nummer : 235617459 Uitspraak d.d. : 4 oktober 2022 Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag van 19 juli 2021, betreffende [de betrokkene] (hierna: de betrokkene), wonende te [woonplaats] . De gemachtigde van de betrokkene is mr. N.G.A. Voorbach, kantoorhoudende te Zoetermeer. De beslissing van de kantonrechter De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard en het verzoek om een proceskostenvergoeding afgewezen. Het verloop van de procedure De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding. De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend. De gemachtigde van de betrokkene heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt. Op 11 februari 2022 is nog een e-mail van de gemachtigde van de betrokkene ontvangen. Een kopie daarvan is toegestuurd aan de advocaat-generaal. De beoordeling 1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 95,- voor: “een voertuig parkeren waar dat niet mag (bord E1, parkeerverbod(szone))”. Deze gedraging zou zijn verricht op 31 juli 2020 om 19:33 uur op de Cremerweg in ’s-Gravenhage met het voertuig met het kenteken [kenteken] . 2. De gemachtigde voert aan dat de betrokkene op de door hem afgelegde route geen bord E1 is gepasseerd. Uit het dossier blijkt niet dat (kort) voor aanvang van de controle de bebording is gecontroleerd, terwijl de aanwezigheid van de bebording cruciaal is om de gedraging vast te kunnen stellen. Verder voert de gemachtigde aan dat het voertuig is weggesleept en dat de betrokkene daarvoor kosten heeft gemaakt. Ter onderbouwing hiervan heeft de gemachtigde stukken overgelegd. De betrokkene wordt nu voor dezelfde parkeeractie meerdere keren bestraft. Er is sprake van één wilsbesluit. De betrokkene heeft namelijk één keer besloten om zijn voertuig ter plaatse te parkeren en heeft zijn voertuig in de tussentijd niet verplaatst. In een dergelijk geval is het gebruikelijk dat de sanctie wordt gematigd tot nihil. Het openbaar ministerie hanteert namelijk een vaste gedragslijn die inhoudt dat wanneer sprake is van wegsleepkosten, deze in mindering worden gebracht op het sanctiebedrag. De gemachtigde verwijst in dit verband naar het arrest van het hof van 23 september 2019 (vindplaats op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2019:7712). Deze praktijk sluit aan bij artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), omdat het onevenredig is dat de betrokkene voor dezelfde parkeeractie meerdere keren wordt bestraft en voor in totaal bijna € 1.000,- aan boetes ontvangt. Tot slot voert de gemachtigde aan dat uit de verklaring van de ambtenaar blijkt dat sprake is van (gedeeltelijke) afdoening langs het strafrecht. Hij heeft hiervan echter geen melding gemaakt in zijn verklaring. De inleidende beschikking dient dan ook te worden vernietigd wegens strijd met het una via-beginsel. 3. Een daartoe aangewezen ambtenaar kan op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wahv een administratieve sanctie opleggen voor een gedraging die door deze ambtenaar zelf of op geautomatiseerde wijze is vastgesteld. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft. 4. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens: “Ik zag toen dat daar een voertuig geparkeerd stond in strijd met het parkeerverbod. Ik zag aan het begin van de Cremerweg dat bord E1, zoals omschreven in bijlage 1 van het RVV 1990, geplaatst staat. Ik zag dat onder dit bord een onderbord geplaatst was welke naar links wees, in de richting van het voertuig. (…)Ik zag dat het voertuig al twee keer eerder geverbaliseerd was, te weten 25 juli 2020 en 29 juli 2020. Ik zag aan de foto’s bijgevoegd aan deze verbalen dat de auto op dezelfde locatie ter plaatse bekeurd is. (…) Nadat ik het voertuig geverbaliseerd had, heb ik het doorgegeven aan de wachtcommandant van de afdeling parkeren om het voertuig te laten verslepen door de firma Barendregt. ” 5. Verder bevat het dossier een proces-verbaal van bevindingen d.d. 24 september 2020 met als bijlage het brondocument met daarin de door de ambtenaar ter plaatse gemaakte foto’s. Op deze foto’s is het voertuig van de betrokkene te zien, alsmede een bord E1 met daaronder een onderbord met daarop een naar links wijzende pijl. 6. Het hof ziet in hetgeen door de gemachtigde is aangevoerd geen aanleiding om te twijfelen aan de aanwezigheid van een bord E1. De ambtenaar die de sanctie heeft opgelegd was zelf ter plaatse. In een dergelijk geval mag in het algemeen worden aangenomen dat de ambtenaar heeft vastgesteld dat de relevante bebording aanwezig en duidelijk zichtbaar is (vgl. het arrest van het hof van 28 februari 2020, gepubliceerd op rechtspraak.nl met vindplaats ECLI:NL:GHARL:2020:1803). Dat de ambtenaar dit in deze zaak ook heeft gedaan blijkt uit diens verklaring dat hij aan het begin van de Cremerweg een bord E1 zag staan, alsmede uit het feit dat hij een foto van het betreffende bord heeft gemaakt. Aldus staat naar het oordeel van het hof vast dat de gedraging is verricht. 7. Voor zover de gemachtigde stelt dat de betrokkene meerdere malen is bestraft voor dezelfde gedraging, omdat sprake is van één wilsbesluit en de betrokkene het voertuig tussentijds niet heeft verplaatst, overweegt het hof het volgende. Uit de stukken blijkt dat aan de betrokkene naast de onderhavige sanctie nog twee sancties zijn opgelegd voor het parkeren in strijd met het parkeerverbod op dezelfde locatie, te weten op 25 juli 2020 en op 29 juli 2020. Reeds hierom kan niet worden gezegd dat sprake is van één en dezelfde gedraging, maar van drie afzonderlijke gedragingen. Gelet op de strekking van het onderhavige verkeersvoorschrift kan in beginsel op ieder moment waarop wordt geconstateerd dat een voertuig ergens staat geparkeerd waar dat niet mag een sanctie worden opgelegd. De opvatting dat voor een volgende gedraging pas een sanctie mag worden opgelegd indien het voertuig is verplaatst, vindt geen steun in het recht. 8. Voor zover de gemachtigde stelt dat de betrokkene meerdere malen is bestraft voor dezelfde gedraging, omdat hij ook wegsleepkosten heeft moeten betalen, overweegt het hof het volgende. Op grond van artikel 170, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 mag een op een weg staand voertuig worden overgebracht en in bewaring worden gesteld, indien met het voertuig een bij of krachtens deze wet vastgesteld voorschrift wordt overtreden en verwijdering van het voertuig noodzakelijk is in verband met
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.