← Nederland

ECLI:NL:GHARL:2022:8526

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem afdeling civiel recht zaaknummer gerechtshof 200.314.628 (zaaknummer rechtbank Gelderland 406916) beschikking van 4 oktober 2022 inzake [verzoekster] , wonende te [woonplaats1] ,verzoekster in hoger beroep, verder te noemen: de moeder, advocaat: mr. V. de Roo te Rotterdam, en de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming& Jeugdreclassering, gevestigd te Amsterdam, verweerster in hoger beroep, verder te noemen: de GI, en [de vader] , wonende te [woonplaats1] , verder te noemen: de vader. 1Het geding in eerste aanleg Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Gelderland, locatie Arnhem, van 9 augustus 2022, uitgesproken onder voormeld zaaknummer. 2Het geding in hoger beroep 2.1 Het verloop van de procedure blijkt uit: - het beroepschrift met producties, ingekomen op 11 augustus 2022; - het verweerschrift. 2.2 De mondelinge behandeling heeft op 20 september 2022 plaatsgevonden. De moeder is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. R.W. de Gruijl (kantoorgenoot van haar advocaat). Namens de GI is een vertegenwoordiger verschenen. Ook de vader was bij de mondelinge behandeling aanwezig. 3De feiten 3

  1. De vader en de moeder zijn de ouders van [de minderjarige] , geboren [in] 2021 te [plaats1] . Het ouderlijk gezag over [de minderjarige] wordt uitgeoefend door de ouders. 3.2 Bij beschikking van 20 augustus 2021 van de kinderrechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg, is de toen nog niet geboren [de minderjarige] onder toezicht gesteld tot 20 augustus
  2. 3.3 De kinderrechter in de rechtbank Gelderland, locatie Arnhem, heeft op 19 juli 2022 een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg voor de duur van vier weken (tot 16 augustus 2022) verleend. 3.4 De spoedmachtiging tot uithuisplaatsing is door de kinderrechter bij beschikking van 1 augustus 2022 in stand gelaten. Verder is een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verleend tot 20 augustus
  3. 3.5 Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking van 9 augustus 2022 heeft de kinderrechter de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verlengd tot 20 augustus
  4. 3.6 [de minderjarige] verblijft sinds 20 juli 2022 in een pleeggezin te [plaats2] . 4De omvang van het geschil 4.1 De moeder is met één grief in hoger beroep gekomen van de beschikking van 9 augustus
  5. Deze grief beoogt het geschil in hoger beroep in volle omvang aan de orde te stellen. De moeder verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en het verzoek tot verlenging van de uithuisplaatsing alsnog af te wijzen. 4.2 De GI voert verweer en verzoekt de bestreden beschikking te bekrachtigen. 5De motivering van de beslissing 5.1 De moeder voert aan dat zij zich bij het moederkindhuis (MKH) tot het uiterste heeft ingespannen om de zorg voor [de minderjarige] volledig op zich te kunnen nemen. De moeder komt van ver, maar heeft grote stappen vooruit gezet. De moeder was bijna zover dat zij kon beginnen aan [naam1] , zodat zij zelfstandig kon wonen met [de minderjarige] . De moeder stelt dat zij eenmalig drugs heeft gebruikt, hetgeen heeft geleid tot de uithuisplaatsing, en dat zij spijt heeft van haar terugval. De moeder wil zich herpakken voor en met [de minderjarige] . Zij zet alles op alles om een nieuwe plaatsing bij het moederkindhuis te laten slagen. De moeder vindt het te ver gaan dat op basis van één slechte keuze, waarbij [de minderjarige] trouwens niet in onveiligheid heeft verkeerd, een dermate vergaande beslissing als een uithuisplaatsing wordt al. De moeder heeft bovendien de indruk dat de GI thans niet meer aan thuisplaatsing van [de minderjarige] bij de moeder en de vader, die inmiddels samenwonen in de woning van de vader, werkt. 5.2 De GI voert aan dat de uithuisplaatsing van [de minderjarige] als consequentie voor drugsgebruik al dan niet in het bijzijn van [de minderjarige] of het hebben van een terugval niet onbekend was bij de moeder. Dat de moeder achteraf spijt heeft van haar terugval en een tweede kans wil begrijpt de GI, maar het is voor moeder voldoende duidelijk geweest dat een terugval zou betekenen dat de GI een machtiging uithuisplaatsing zou aanvragen. Dit staat zowel in het VOTS plan, het raadsrapport en het Veiligheidsplan traject moederkindhuis. Het feit blijft dat moeder tijdens het drugsgebruik niet beschikbaar was voor [de minderjarige] . De GI is van mening dat de noodzaak van een uithuisplaatsing aanwezig is, gezien de aard, ernst en duur van de persoonlijke problematiek van moeder en in de opvoedsituatie, zoals terugkerend harddrugsgebruik. 5.3 Het hof acht zich op grond van de thans beschikbare informatie onvoldoende voorgelicht om een verantwoorde beslissing te kunnen geven. Duidelijk is wel dat [de minderjarige] op dit moment nog niet terug kan naar haar ouders, omdat er nog te veel zorgen zijn over haar veiligheid. Voor het hof is echter onduidelijk gebleven of de moeder met [de minderjarige] op korte termijn nog terecht kan in een moederkindhuis. Gelet op de jonge leeftijd van het kind is hierover op korte termijn duidelijkheid nodig. Daarom zal het hof de behandeling van de zaak aanhouden en de GI verzoeken om met de moeder te onderzoeken waar en wanneer plaatsing van de moeder en [de minderjarige] in een moederkindhuis op korte termijn mogelijk is. Het hof wil hierover uiterlijk op 6 november 2022 worden geïnformeerd. 5.4 Na ontvangst van het bericht van de GI zullen de ouders de gelegenheid hebben om binnen twee weken een schriftelijke reactie in het geding te brengen, waarna het hof schriftelijk zal beslissen dan wel een nieuwe mondelinge behandeling zal bepalen. Iedere verdere beslissing zal het hof aanhouden. 6De beslissing Het hof, beschikkende in hoger beroep: alvorens verder te beslissen: verzoekt de GI het hof en de ouders uiterlijk 6 november 2022 te informeren over hetgeen overwogen onder 5.3; bepaalt dat de ouders binnen twee weken na ontvangst van het stuk van de GI hun schriftelijke reactie daarop in het geding kunnen brengen; bepaalt dat het hof daarna schriftelijk zal beslissen dan wel een nieuwe mondelinge behandeling zal bepalen, waarvoor alle partijen in dat geval zullen worden opgeroepen; houdt iedere verdere beslissing aan. Deze beschikking is gegeven door mrs. S. Kuijpers, J.H. Lieber en P.B. Kamminga, ondertekend door Kamminga, bijgestaan door mr. I.T.M.W. Smulders-Jacobs als griffier, en is op 4 oktober 2022 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.