GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN zittingsplaats Leeuwarden Zaaknummer : Wahv 200.298.189/01 CJIB-nummer : 234953823 Uitspraak d.d. : 5 oktober 2022 Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Amsterdam van 3 juni 2021, betreffende [de betrokkene] (hierna: de betrokkene), wonende te [woonplaats] . De gemachtigde van de betrokkene is M.J.M. Bergers, kantoorhoudende te Maastricht. De beslissing van de kantonrechter De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard. Het verloop van de procedure De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding. De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend. De gemachtigde van de betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht. De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen daarop te reageren. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt. De beoordeling
- De kantonrechter heeft het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie nietontvankelijk verklaard omdat het beroepschrift geen gronden bevat en dit verzuim niet is hersteld.
- De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat de brief van de griffier van de rechtbank geen eenduidig geformuleerde brief is, waarin duidelijk erop wordt gewezen dat de gronden van het beroep voor een bepaalde datum ingediend moeten worden. In de brief zijn slechts enkele vragen opgenomen, maar wordt niet erop gewezen dat in deze zaak nog gronden ingediend moeten worden.
- Het hof stelt vast dat het beroepschrift dat is ingediend bij de kantonrechter geen gronden in de zin van artikel 6:5, eerste lid, onder d, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bevat. Het hof dient te beoordelen of (de gemachtigde van) de betrokkene de gelegenheid heeft gehad dit verzuim te herstellen binnen een daartoe gestelde termijn (zie artikel 6:6 van de Awb).
- Het dossier bevat een brief van 29 april 2021 van de griffier van de rechtbank aan de gemachtigde van de betrokkene. De gemachtigde wordt hierin opgeroepen voor de zitting van 3 juni
- Verder is hierin het volgende vermeld: “Heeft u in uw beroepschrift nog niet aangegeven waarom u het niet eens bent met de beslissing van de officier van justitie (CVOM)? Dan krijgt u de gelegenheid om alsnog uit te leggen waarom u het niet eens bent met de beslissing van de officier van justitie. Dit noemen wij de gronden van uw beroep. U mag dat schriftelijk of op zitting doen. (…) Wilt u uw beroepschrift schriftelijk aanvullen? Dan dient uw schriftelijke aanvulling uiterlijk één week vóór de zitting door de griffier te zijn ontvangen. Indien u te laat bent met het aanvullen van de gronden van uw beroep of met het uitleggen waarom u de zes weken termijn heeft overschreden, kan de kantonrechter u nietontvankelijk verklaren in het beroep. De zaak wordt dan niet inhoudelijk behandeld.”
- Naar het oordeel van het hof voldoet deze brief niet aan de eisen die artikel 6:6 van de Awb stelt om het beroep niet-ontvankelijk te kunnen verklaren. De gemachtigde wordt er niet op gewezen dat de gronden van het beroep ontbreken, dus dat hij in verzuim is. Daarnaast wordt weliswaar vermeld dat de schriftelijke aanvulling uiterlijk één week voor de zitting moet zijn ontvangen en dat het beroep anders niet-ontvankelijk kan worden verklaard, maar die passage ziet alleen op het niet aanvullen van de gronden en niet op het niet indienen van de gronden. Gelet hierop heeft de kantonrechter het beroep ten onrechte nietontvankelijk verklaard. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter daarom vernietigen en doen wat de kantonrechter had behoren te doen. Het hof zal het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie beoordelen.
- Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 170,- voor: “18 km per uur harder rijden dan mag binnen de bebouwde kom (verkeersbord A1)”. Deze gedraging zou zijn verricht op 13 juli 2020 om 17:29 uur op de Gooiseweg in Amsterdam met het voertuig met het kenteken [kenteken] . De officier van justitie heeft het beroep hiertegen ongegrond verklaard.
- De gemachtigde voert aan dat de gedraging niet is verricht aangezien niet uit het dossier blijkt dat er deugdelijke bebording was geplaatst met de afwijkende maximumsnelheden. In het zaakoverzicht wordt ook niet aangegeven bij welk hectometerpaaltje de bebording was geplaatst. De verklaring zoals opgenomen in het aanvullend proces-verbaal van 10 november 2021 is door de mate van detail onbetrouwbaar. Het is ongeloofwaardig dan iemand zich na 1,5 jaar nog kan herinneren wat er is gebeurd op een specifieke dag.
- Een daartoe aangewezen ambtenaar kan op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wahv een administratieve sanctie opleggen voor een gedraging die door deze ambtenaar zelf of op geautomatiseerde wijze is vastgesteld. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.
- De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast is hierin vermeld dat de snelheidsmeting is verricht met behulp van mobiele radarapparatuur (Multaradar CT), dat de werkelijke (gecorrigeerde) snelheid 88 km/h bedroeg, terwijl de maximumsnelheid ter plaatse 70 km/h bedroeg.
- De advocaat-generaal heeft een aanvullend proces-verbaal van 10 november 2021 overgelegd waarin de ambtenaar, voor zover hier van belang, het volgende verklaart: “Ik, verbalisant [de verbalisant] , heb vlak voor aanvang van de snelheidscontrole op 13 juli 2020 en direct aansluitend na afloop van deze snelheidscontrole de bebording in beide rijrichtingen van de controlelocatie, zijnde ter hoogte van de Bijlmerdreef, gecontroleerd en in orde bevonden. Tevens heb ik, verbalisant, de bebording kort voorafgaand en direct na de snelheidscontrole gecontroleerd en zag ik dat de bebording in de rijrichting, komende vanuit de richting rijksweg A10 en gaande in de richting van de rijksweg A9, bestond uit een bord H01, voorzien van opschrift Amsterdam en een bord A1 met opschrift 70 en zag ik dat deze bebording aan de rechterzijde van de rijbaan geplaatst was ter hoogte van de toerit met de Daalwijkdreef. Tevens zag ik, verbalisant, dat er op elke toerit van de Gooiseweg, nabij de blokmarkering een herhalingsbord A1 met opschrift 70 stond. Ik, verbalisant, zag dat de bebording, komende uit de richting van de rijksweg A9 en gaande in de rijrichting van de rijksweg A10, bestond uit twee borden G03 en twee borden A1 met opschrift 70 en zag dat deze bebording aan het begin van de Gooiseweg aan beide zijden van de rijbaan was geplaatst.”
- In geval van meting met mobiele radarapparatuur is er een ambtenaar ter plaatse. Het is het hof ambtshalve bekend dat ambtenaren voorafgaand aan een snelheidscontrole als deze controleren of de juiste bebording is geplaatst. Dat dit in dit geval ook is gebeurd blijkt uit het aanvullend procesverbaal. Dat dit proces-verbaal 16 maanden na de gedraging is opgemaakt, maakt de verklaring nog niet onbetrouwbaar. Het is het hof ook ambtshalve bekend dat ambtenaren bij een snelheidscontrole als deze aantekeningen maken van hun waarnemingen. Die aantekeningen raadplegen zij als later om aanvulling wordt verzocht. Het hof ziet daarom geen reden eraan te twijfelen dat de maximumsnelheid ter plaatse was aangegeven met een bord A
- Deze grond treft geen doel.
- Het hof zal het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaren.
- Nu de betrokkene niet in het gelijk wordt gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen. De beslissing Het gerechtshof: vernietigt de beslissing van de kantonrechter; verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond; wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af. Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Van der Zee-Venema als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.