GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN zittingsplaats Leeuwarden Zaaknummer : Wahv 200.303.054/01 CJIB-nummer : 233891561 Uitspraak d.d. : 10 oktober 2022 Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Limburg van 10 september 2021, betreffende [de betrokkene] (hierna: de betrokkene), wonende te [woonplaats] . De gemachtigde van de betrokkene is mr. I.N.D.J. Rissema, kantoorhoudende te Dordrecht. De beslissing van de kantonrechter De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard. Het verzoek om toekenning van een dwangsom is afgewezen. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is eveneens afgewezen. Het verloop van de procedure De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding. De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt. De beoordeling
- Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 240,- voor: “doorrijden bij een driekleurig verkeerslicht (stoplicht) dat op rood staat”. Deze gedraging zou zijn verricht op 27 mei 2020 om 18:35 uur op de Nijmeegseweg in Venlo met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
- De gemachtigde van de betrokkene stelt zich op het standpunt dat de sanctie ten onrechte aan de kentekenhouder is opgelegd met toepassing van artikel 5 van de Wahv. De bestuurder van het voertuig – die richting het station in Venlo reed – is na het passeren van het verkeerslicht meermaals tot stilstand gekomen. Op die momenten kon hij dus ook door ambtenaren worden staande gehouden zonder dat daarvoor stopmiddelen vereist waren, aldus de gemachtigde. De kantonrechter heeft dit geheel niet betrokken in zijn overwegingen, terwijl dit voor de vraag of zich een reële mogelijkheid tot staandehouding heeft voorgedaan wel degelijk van belang is. Nu de sanctie ten onrechte met toepassing van artikel 5 Wahv aan de kentekenhouder is opgelegd, komt de inleidende beschikking voor vernietiging in aanmerking.
- Uit artikel 5 van de Wahv volgt het uitgangspunt dat wanneer een gedraging wordt geconstateerd, de ambtenaar de bestuurder staande houdt en zijn identiteit vaststelt, zodat hem een sanctie kan worden opgelegd. Slechts wanneer er geen reële mogelijkheid is geweest om de identiteit van de bestuurder vast te stellen, mag de sanctie aan de kentekenhouder worden opgelegd.
- Het zaakoverzicht bevat - voor zover hier van belang - de volgende gegevens: “Gedragingsgegevens: Ik zag (…) dat de betrokkene dit licht negeerde en zijn weg vervolgde. (…) Reden geen staandehouding: wij verbalisanten bevonden ons in privétijd en in een privé auto waardoor een stopteken niet mogelijk was.”
- Op basis van de verklaring van de ambtenaar kan worden vastgesteld dat een reële mogelijkheid tot staandehouding zich in de onderhavige situatie niet heeft voorgedaan. De ambtenaren reden in een privévoertuig en beschikten niet over een stoptransparant. Ook al zou van de ambtenaren mogen worden verlangd dat zij het voertuig van de betrokkene, nadat zij de gedraging hadden vastgesteld en het verkeerslicht groen licht was gaan uitstralen, hadden gevolgd, dan hadden zij nog steeds geen middelen om over te gaan tot staandehouding. De sanctie is terecht met toepassing van artikel 5 van de Wahv aan de betrokkene als kentekenhouder opgelegd.
- Gelet op het voorgaande is de kantonrechter terecht tot het oordeel gekomen dat zich in het onderhavige geval geen reële mogelijkheid tot staandehouding heeft voorgedaan, zij het dat hij de door de gemachtigde aangevoerde gronden niet alle kenbaar in zijn beoordeling heeft betrokken. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter daarom op dit punt bevestigen met verbetering van gronden.
- De gemachtigde voert verder aan dat de officier van justitie een dwangsom verbeurt, omdat niet tijdig is beslist op het administratief beroep. De betrokkene heeft de verdagingsbrief eerst op 12 november 2020 ontvangen. Het moet er dan ook voor worden gehouden dat het besluit eerst op 11 november 2020, derhalve na ommekomst van de beslistermijn, bekend is gemaakt. Aan het verdagingsbesluit komt dan ook geen betekenis toe. Op 23 december 2020 is de officier van justitie in gebreke gesteld, zodat vanaf 8 januari 2021 een dwangsom is verschuldigd.
- Artikel 4:17 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) houdt, voor zover van belang, in: “
- Indien een beschikking op aanvraag niet tijdig wordt gegeven, verbeurt het bestuursorgaan aan de aanvrager een dwangsom voor elke dag dat het in gebreke is, doch voor ten hoogste 42 dagen. De Algemene termijnenwet is op laatstgenoemde termijn niet van toepassing. (…)
- De eerste dag waarover de dwangsom verschuldigd is, is de dag waarop twee weken zijn verstreken na de dag waarop de termijn voor het geven van de beschikking is verstreken en het bestuursorgaan van de aanvrager een schriftelijke ingebrekestelling heeft ontvangen.”
- Artikel 7:24 van de Awb houdt, voor zover hier van belang, in: “
- Het beroepsorgaan beslist binnen zestien weken, gerekend vanaf de dag na die waarop de termijn voor het indienen van het beroepschrift is verstreken. (…)
- De termijn wordt opgeschort gerekend vanaf de dag na die waarop de indiener is verzocht een verzuim als bedoeld in artikel 6:6 te herstellen, tot de dag waarop het verzuim is hersteld of de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken.
- Het beroepsorgaan kan de beslissing voor ten hoogste tien weken verdagen. (…)”
- Het hof stelt op basis van de stukken in het dossier, voor zover van belang, het volgende vast. Tegen de inleidende beschikking van 8 juni 2020 heeft de gemachtigde op 15 juli 2020 administratief beroep ingesteld. Bij brief van 25 augustus 2020 heeft de officier van justitie de gemachtigde bericht dat hij tijdens het horen de gelegenheid krijgt zijn gronden aan te vullen. Daarbij is vermeld dat als de gemachtigde de gronden ook nog schriftelijk wil aanvullen, hij de gelegenheid krijgt de gronden binnen vier weken na dagtekening van de brief in te dienen. In het dossier bevindt zich een verslag van de telefonische hoorzitting van 6 oktober 2020, waaruit blijkt dat de gemachtigde de gronden van beroep mondeling heeft aangevuld. In het dossier bevinden zich brieven van 3 november 2020, waarin de officier van justitie de betrokkene en de gemachtigde meedeelt dat hij gebruik maakt van de mogelijkheid om de wettelijke beslistermijn met 10 weken te verlengen. Bij brief van 23 december 2020, door de officier van justitie ontvangen op 24 december 2020, heeft de gemachtigde de officier van justitie in gebreke gesteld.
- Ingevolge het bepaalde in de artikelen 6:7 en 6:8 van de Awb eindigde de beroepstermijn in dit geval op 20 juli 2020 en eindigde de beslistermijn, gelet op artikel 7:24, derde lid, van de Awb, op 21 december
- Ook al zou de verlengingsbrief d.d. 3 november 2020 eerst op 11 november 2020 zijn verzonden, zoals de gemachtigde stelt, dan nog komt betekenis toe aan het verdagingsbesluit omdat niet kan worden gezegd dat dit bekend is gemaakt op dat moment dat de beslistermijn reeds was verstreken.
- Gezien het voorgaande heeft de officier van justitie de beslistermijn tijdig verlengd tot 1 maart
- Dit brengt mee dat de door de gemachtigde verzonden ingebrekestelling prematuur is, zodat geen dwangsom is verschuldigd. Gelet op het voorgaande heeft de kantonrechter het verzoek van de gemachtigde om de verschuldigdheid en hoogte van een dwangsom vast te stellen terecht afgewezen.
- Het hof zal als volgt beslissen.
- Nu de betrokkene niet in het gelijk wordt gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen (vgl. de arresten van het hof van 28 april 2020 en 1 april 2021, vindplaatsen op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336 en 2021:1786). De beslissing Het gerechtshof: bevestigt de beslissing van de kantonrechter, met verbetering van gronden; wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af. Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Pranger als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.