GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem, afdeling civiel zaaknummer gerechtshof 200.302.981 (zaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Almelo, 8372127) arrest van 11 oktober 2022 in de zaak van MB Parts Velddriel B.V., die is gevestigd in Velddriel die hoger beroep heeft ingesteld en bij de kantonrechter optrad als gedaagde hierna te noemen: MB Parts vertegenwoordigd door mr. A.M. Boogaart, tegen [geïntimeerde] , die woont in [woonplaats1] en bij de kantonrechter optrad als eiser hierna te noemen: [geïntimeerde] vertegenwoordigd door mr. S. Bocu. 1Het verloop van de procedure in hoger beroep 1.1 Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 28 juni 2022 hier over. 1.2 Naar aanleiding van dat arrest heeft op 17 augustus 2022 een mondelinge behandeling bij het hof plaatsgevonden. Daarvan is een verslag gemaakt dat aan het dossier is toegevoegd (het proces-verbaal). Hierna hebben partijen het hof gevraagd opnieuw arrest te wijzen. 2De kern van de zaak 2.1 [geïntimeerde] is in dienst geweest van MB Parts. Volgens [geïntimeerde] is aan hem te weinig loon betaald en is er te weinig pensioenpremie afgedragen. MB Parts meent dat het loon volledig en correct is uitgekeerd, net als de pensioenpremie. 2.2 [geïntimeerde] heeft (na wijziging van zijn eis) zakelijk weergegeven bij de kantonrechter gevorderd dat MB Parts aan hem over de jaren 2015 tot en met 2019 € 21.806 netto aan achterstallig salaris zou betalen, te vermeerderen met wettelijke verhoging en wettelijke rente. Voor een belangrijk deel betreft het daarbij loon tijdens arbeidsongeschiktheid, die begon op 26 april
(2017)en 25% over 16/52e van € 1.998 (1 januari tot 23 april 2018), dus een bedrag van € 458,65 netto. Dit hoeft [geïntimeerde] niet terug te betalen. Voor wat betreft het eerste tijdvak (het derde ziektejaar) geldt dat MB Parts geen loon te laat heeft betaald: de 10% die de kantonrechter toekende was niet verschuldigd. Ten onrechte is daarom een wettelijke verhoging van 25% aan [geïntimeerde] toegekend over een bedrag van € 3.337,78 bruto, wat neerkomt op een bedrag van € 834,45 bruto. Dat bedrag moet [geïntimeerde] terugbetalen. Voor wat betreft het loon over het tweede tijdvak (vanaf 23 april 2019 tot einde dienstverband) geldt dat de te late betaling van loon aan MB Parts kan worden toegerekend. Zij heeft zich op basis van adviezen op het standpunt gesteld dat er geen loondoorbetaling meer bestond maar dat standpunt was onjuist. Niettemin weegt het hof mee dat [geïntimeerde] lange tijd zelf ook heeft volgehouden dat hij arbeidsongeschikt was, wat voeding heeft gegeven aan de gedachte van MB Parts dat inderdaad geen loon meer verschuldigd was. Pas in oktober 2021 heeft [geïntimeerde] ervoor gekozen om dat standpunt te verlaten. Dat leidt het hof ertoe de wettelijke verhoging over het achterstallige loon van 23 april 2019 tot en met 31 december 2019 te matigen tot 10%. De loonaanspraak van [geïntimeerde] over deze periode is € 19.580,23 zodat aan hem hierover een wettelijke verhoging van € 1.958,02 netto toekomt. 3.30 Dat betekent dat van de toegewezen wettelijke verhoging een bedrag van € 2.937,04 netto door [geïntimeerde] aan MB Parts moet worden terugbetaald (onterecht toegewezen € 5.353,71 netto -waarin opgenomen is de € 834,45 bruto- minus € 458,65 netto en € 1.958,02 netto, waarop wel aanspraak bestaat). MB Parts heeft tenslotte onvoldoende gemotiveerd waarom de wettelijke rente, zowel over het achterstallige loon als over de wettelijke verhoging niet kan worden toegewezen, zodat het hof hieraan voorbij gaat. Pensioenpremie, salarisspecificaties 3.31 MB Parts vordert terugbetaling van een bedrag van € 2.515,48 aan pensioenpremies over de periode van 23 april 2018 tot en met 31 december 2019. Die vordering is deels toewijsbaar. Het hof stelt daarbij voorop dat waar artikel 353 lid 1 Rv een reconventionele vordering niet voor het eerst in hoger beroep toestaat, de reparatiefunctie van hoger beroep er wel toe leidt dat een partij die hoger beroep heeft ingesteld ongedaanmaking en terugbetaling kan vorderen van hetgeen waartoe hij in eerste aanleg is veroordeeld, ook al gebeurt dat op andere gronden dan in eerste aanleg aangevoerd. Dat laatste is hier aan de orde. 3.32 Uit r.o. 3.18 blijkt namelijk dat MB Parts over de periode van 23 april 2018 tot 23 april 2019 slechts 70% van het loon verschuldigd was, zodat [geïntimeerde] € 10.013,33 bruto teveel aan loon heeft ontvangen. Uit r.o. 3.19 volgt dat MB Parts om procesrechtelijke redenen niet de terugbetaling van het gehele bedrag in hoger beroep kan vorderen, maar slechts een bedrag van € 3.337,78 bruto. [geïntimeerde] zal worden veroordeeld tot terugbetaling van de pensioenpremie daarover, want (deels) op andere gronden dan in eerste aanleg blijkt die veroordeling van MB Parts tot betaling hiervan niet terecht. Voor de betaalde pensioenpremie over het verschil tussen € 10.013,33 bruto en € 3.337,78 bruto geldt dat terugbetaling daarvan niet aan de orde is. Hoewel in 3.16 is overwogen dat het hier om onverplicht betaald loon gaat, is het feitelijk wel betaald zodat (
- nu)geen grondslag bestaat voor terugbetaling van dit deel van de pensioenpremie. MB Parts blijft voor het overige verplicht (het werknemersdeel van) pensioenpremies te betalen/af te dragen, over het verschuldigde loon van [geïntimeerde] over de periode 1 november 2016 tot 23 april 2018, alsook over 70% van het verschuldigde loon van [geïntimeerde] over de periode van 23 april 2018 tot 23 april 2019 en over 100% van het verschuldigde loon over de periode 23 april 2019 tot en met 31 december 2019. Daarom is de vordering van MB Parts tot terugbetaling van pensioenpremies voor het overige niet toewijsbaar. 3.33 Het (niet onderbouwde) bezwaar dat MB Parts aanvoert tegen de veroordeling tot verstrekking van salarisspecificaties en jaaropgaven wordt afgewezen. De wet bepaalt overigens dat de werkgever salarisspecificaties en jaaropgaven moet verstrekken, waarbij het hof er van uit gaat dat die zullen zijn gebaseerd op de berekeningen in dit arrest. Conclusie 3.34 Het hoger beroep slaagt deels. [geïntimeerde] zal een aantal bedragen aan MB Parts moeten terugbetalen, maar het grootste deel van de veroordelingen van MB Parts bij de kantonrechter blijft staan. De proceskostenveroordeling blijft daarom in stand. Het hof zal het eindvonnis deels vernietigen en een nieuwe veroordeling uitspreken. Het hof gaat voorbij aan de bewijsaanbiedingen van partijen omdat geen feiten of omstandigheden zijn gesteld of gebleken die tot een ander oordeel zouden leiden als ze zouden worden bewezen. 3.35 Het hof bepaalt dat elke partij in hoger beroep zijn eigen kosten moet dragen (compensatie van proceskosten) omdat partijen ieder voor een deel gelijk hebben gekregen. 3.36 De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad). 4De beslissing Het hof: 1. vernietigt het vonnis van 2 juni 2021 van de kantonrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem voor zover MB Parts daarbij is veroordeeld om: (
- i)tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [geïntimeerde] te betalen een bedrag van € 21.414,84 netto aan achterstallig loon (berekend over de periode 1 november 2016 tot en met 31 december 2019), vermeerderd met de wettelijke verhoging van € 5.353,71 netto (zijnde 25%), beide bedragen vermeerderd met de wettelijke rente steeds vanaf de datum van opeisbaarheid tot aan de dag van volledige betaling; en (
- ii)tot betaling/afdracht van de achterstallige pensioenpremies aan het pensioenfonds van [geïntimeerde] (het werknemersdeel), verhoogd met eventuele boete(
- s)of verhoging(
- en)die dat pensioenfonds in rekening brengt, zijnde een totaalbedrag van € 2.615,10 bruto (over de periode 1 november 2016 tot en met 31 december 2019), en beslist tot veroordeling van MB Parts om: (
- i)tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [geïntimeerde] te betalen: - een bedrag van € 21.414,84 netto verminderd met € 3.337,78 bruto, aan achterstallig loon (berekend over de periode 1 november 2016 tot en met 31 december 2019), alsook - een wettelijke verhoging van € 2.416,67 netto, - elk te betalen bedrag vermeerderd met de wettelijke rente steeds vanaf de datum van opeisbaarheid tot aan de dag van volledige betaling; en (
- ii)tot betaling/afdracht van de achterstallige pensioenpremies aan het pensioenfonds van [geïntimeerde] (het werknemersdeel), verhoogd met eventuele boete(
- s)of verhoging(
- en)die dat pensioenfonds in rekening brengt: - over de periode van 1 november 2016 tot 23 april 2018 gebaseerd op het loon van [geïntimeerde] , - over de periode van 23 april 2018 tot 23 april 2019 gebaseerd op 70% van het loon van [geïntimeerde] en - over de periode van 23 april 2019 tot en met 31 december 2019, gebaseerd op 100% van het loon van [geïntimeerde] . 2. bekrachtigt de vonnissen van de kantonrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem van 11 november 2020, 10 februari 2021 en 2 juni 2021, voor het overige; 3. veroordeelt [geïntimeerde] tot terugbetaling aan MB Parts binnen 14 dagen na het wijzen van dit arrest, onder duidelijk bewijs van kwijting, van a. een bedrag van € 3.337,78 bruto, aan onverschuldigd betaald loon; b. een bedrag van € 2.937,04 netto, aan wettelijke verhoging; c. een bedrag gelijk aan het werknemersdeel van de door MB Parts betaalde/afgedragen pensioenpremie zoals die gold in de periode 23 april 2018 tot en met 23 april 2019, over een loon van € 3.337,78 bruto; d. elk te betalen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 12 juli 2021 tot aan de dag van terugbetaling; 4. bepaalt dat iedere partij in hoger beroep de eigen kosten draagt; 5. verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad; 6. wijst af wat verder is gevorderd. Dit arrest is gewezen door mrs. G.A. Diebels, A.E.F. Hillen en M.P.C.J. van Bavel, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 11 oktober 2022. Kamerstukken II 1995/96, 24 439, nr. 3 (MvT), p.59 en Kamerstukken II 1995/96, 24 439, nr. 6, p.51. Kamerstukken II 1995/96, 24 439, nr. 3 (MvT), p.25. Akte MB Parts 8 januari 2021. CRvB 9 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4248 (r.o. 4.14); zie bijv. ook Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 6 juni 2017, ECLI:NL:GHSHE:2017:2508. HR 21 maart 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF3057 (Van der Gulik/Vissers). HR 19 december 2003, ECLI:NL:HR:2003:AL7037 (Hema/P.) (r.o. 4.3). HR 19 januari 2001, NJ 2001, 264 (Gerrits/De Bie). HR 13 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:304 (Van der Velde/Datawell).