TBS P21/0309 Beslissing d.d. 17 februari 2022 De kamer van het hof als bedoeld in artikel 67 van de Wet op de rechterlijke organisatie heeft te beslissen op het beroep van [terbeschikkinggestelde] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1981, verblijvende in Forensisch Psychiatrische Kliniek (FPK) Inforsa te Amsterdam. Het beroep is ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank Noord-Holland, zittingsplaats Haarlemmermeer, van 9 september
- Deze beslissing houdt in de verlenging van de terbeschikkingstelling met een termijn van een jaar en -impliciet- afwijzing van het verzoek tot het doen onderzoeken van de mogelijkheden voor een zorgmachtiging. Het hof heeft gelet op de stukken, waaronder: - het proces-verbaal van het onderzoek in eerste aanleg; - de beslissing waarvan beroep; - de akte van beroep van de terbeschikkinggestelde van 9 september 2021; - de e-mail van de raadsman van 30 januari 2022 met als bijlage een verslag van een multidisciplinair overleg binnen FPK Inforsa van 25 januari 2022; - de aanvullende informatie van FPK Inforsa van 31 januari 2022, met als bijlage de wettelijke aantekeningen van 14 juni 2021 tot en met 22 januari
- Het hof heeft ter zitting van 3 februari 2022 gehoord de terbeschikkinggestelde, bijgestaan door zijn raadsman mr. W.H. Jebbink, advocaat te Amsterdam, en de advocaat-generaal mr. W.C.J. Stienen. Het hof heeft tevens ter zitting als deskundigen gehoord drs. J.D. Drenth, GZ-psycholoog en drs. D.P. van Zanten, psychiater, beiden verbonden aan FPK Inforsa. Overwegingen: Het advies van de deskundigen Ter zitting hebben de deskundigen Drenth en Van Zanten gepersisteerd bij het advies van de kliniek van 31 januari
- Kort gezegd hebben zij aangegeven dat uit de risicoanalyse onder meer naar voren komt dat de seksuele problematiek van de terbeschikkinggestelde wordt gezien als gedrag dat hoort bij een psychotische decompensatie. Door de juiste instelling op medicatie is dit gedrag sinds medio 2019 niet meer gezien bij de terbeschikkinggestelde. Volgens de deskundige Drenth is er bij de terbeschikkinggestelde geen sprake van kwaadaardige persoonskenmerken, maar de PCL-R, het onderzoek naar psychopathie, moet nog (opnieuw) worden afgenomen. Het diagnostisch onderzoek is in de afrondingsfase, maar de voorlopige uitkomst wijst erop dat er bij de terbeschikkinggestelde sprake is van een autismespectrumstoornis. Het staren door de terbeschikkinggestelde naar vrouwen is derhalve geen delictgedrag, maar komt voort uit zijn beperking vanuit het autistisch spectrum. Volgens de deskundigen maakt deze autismespectrumstoornis dat de terbeschikkinggestelde moeilijker kan denken in termen van toekomst. De huidige maatregel met een uitgestrekt en onzeker verloftraject is daarmee demotiverend en ziekmakend, belemmert een passende resocialisatie en bemoeilijkt daarom voortgang van zijn behandeling, waaronder bewerken van het delictrisico. De deskundigen zijn van mening dat voor de relatief eenvoudige problematiek van de terbeschikkinggestelde een behandeling onder een zorgmachtiging afdoende is om eventuele gevaren veroorzaakt door een psychiatrische stoornis te voorkomen. Binnen het kader van de zorgmachtiging kan de terbeschikkinggestelde de zorg geboden worden die hij nodig heeft in de huidige kliniek. Het standpunt van de terbeschikkinggestelde De terbeschikkingstelling duurt inmiddels al achttien jaar. Het huidige kader lijkt het beoogde doel, de terbeschikkinggestelde zo snel als veilig mogelijk is weer terug te laten keren in de maatschappij, voorbij te schieten. De huidige maatregel lijkt zelfs averechts te werken, aldus de kliniek. Naarmate de terbeschikkingstelling langer duurt gaan de belangen van de terbeschikkinggestelde steeds zwaarder wegen. Gelet op de duur van de terbeschikkingstelling, maken ook de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit dat er onderzoek wordt gedaan naar mogelijke alternatieven. In dat kader dient de delictgevaarlijkheid van de terbeschikkinggestelde te worden gerelativeerd. In de afgelopen achttien jaar zijn er geen incidenten geweest die vergelijkbaar zijn met het indexdelict. Daarnaast is sinds kort vastgesteld dat er bij de terbeschikkinggestelde sprake is van autisme. Het staren naar vrouwen zou hiermee verband houden. Seksueel grensoverschrijdend gedrag treedt alleen op tijdens psychotische ontregeling. Volgens de kliniek is een zorgmachtiging een doeltreffend middel om bij de terbeschikkinggestelde een psychose en daaruit voortkomend gevaar te voorkomen. De terbeschikkinggestelde is medicatietrouw en heeft aangegeven zijn medicatie ook te willen blijven slikken alsmede toezicht en een bloedspiegelbepaling daarbij te blijven accepteren. In de aanvullende informatie stelt de kliniek dat ‘een zorgmachtiging voldoende is om met deze enkelvoudige anti psychotische behandeling de enkelvoudige oorzaak en het gekoppelde gevaar (psychose leidend tot gedragsproblemen) duurzaam te voorkomen’. Daarbij biedt volgens de kliniek een zorgmachtiging de mogelijkheid sneller te schakelen in toe- en afnemend beveiligingsniveau binnen het geëigende risicomanagement. De raadsman heeft, gelet op de duur van de verpleging van overheidswege en daarmee samenhangend de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit, verzocht om aanhouding van de behandeling van de vordering teneinde het openbaar ministerie opdracht te geven een zorgmachtiging voor te bereiden. Het standpunt van het openbaar ministerie De advocaat-generaal heeft zich niet verzet tegen aanhouding. In de beslissing waarvan beroep staat dat de rechtbank het van belang acht dat voor de volgende verlengingszitting -onder meer- de mogelijkheden van een zorgmachtiging vanuit de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz) worden onderzocht. Uit de aanvullende informatie van de kliniek komt naar voren dat het huidige justitieel kader disproportioneel is en zijn doel voorbijschiet. De deskundigen hebben dit ter zitting nog eens herhaald. Volgens de deskundigen is een zorgmachtiging in het geval van de terbeschikkinggestelde voldoende om de gevaren veroorzaakt door een psychiatrische stoornis te voorkomen. Gelet hierop is de advocaat-generaal van mening dat het verzoek toegewezen dient te worden. Het oordeel van het hof Verbeterd lezen van het dictum van de beslissing waarvan beroep De rechtbank heeft weliswaar overwogen dat zij het verzoek tot het doen onderzoeken van de mogelijkheden voor een zorgmachtiging afwijst, maar heeft verzuimd deze beslissing in het dictum op te nemen. Het hof ziet dit als een kennelijke verschrijving en zal de beslissing in die zin verbeterd lezen. Afwijzing verzoek van voorbereiding van een zorgmachtiging Het verzoek om de zaak aan te houden teneinde een zorgmachtiging op basis van artikel 2.3 van de Wet forensische zorg voor te laten bereiden, wordt afgewezen omdat het hof van oordeel is dat op dit moment daarvoor onvoldoende aanknopingspunten bestaan. Het hof is niet gebleken dat het juridisch kader van een zorgmachtiging voldoende is om het risicomanagement te kunnen waarborgen en dat daarom een terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege niet meer noodzakelijk is. Het hof wijst daarbij op het feit dat een aantal onderzoeken (waaronder het diagnostisch onderzoek en het onderzoek naar de PCL-R) nog niet afgerond is. Voorts komt uit de huidige onderzoeken naar voren dat het recidiverisico bij een beëindiging van de verpleging van overheidswege nog als hoog wordt ingeschat. Ten slotte is door de deskundigen het advies om een zorgmachtiging te onderzoeken niet onderbouwd vanuit het recidiverisico, maar vanuit de te verlenen zorg. Overigens acht het hof het met de rechtbank wel gewenst dat ten behoeve van de volgende verlengingsprocedure bij de rechtbank, na afronding van de lopende onderzoeken, een onderzoek zal worden verricht naar de (on)mogelijkheden van een voorwaardelijke beëindiging en/of het eventuele vormgeven van een zorgmachtiging op grond van de Wvggz. Bevestiging Het hof is van oordeel dat de rechtbank op goede gronden heeft geoordeeld en op juiste wijze heeft beslist de terbeschikkingstelling te verlengen met een termijn van een jaar. Daarom zal de beslissing, waarvan beroep met overneming van die gronden worden bevestigd, met aanvulling van het navolgende. Proportionaliteit en subsidiariteit De terbeschikkingstelling is ingegaan op 29 augustus 2003 en loopt dus thans meer dan achttien jaar. Dit tijdsverloop in relatie tot de ernst van de delicten waarvoor de maatregel is opgelegd, te weten opzettelijk brandstichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar voor een ander te duchten is, moet mede in aanmerking worden genomen bij de verlengingsbeslissing. Het hof is van oordeel dat bij een afweging van de belangen van de terbeschikkinggestelde en die van de maatschappij naarmate de maatregel van terbeschikkingstelling langer duurt het belang van de terbeschikkinggestelde steeds zwaarder dient te wegen. Anders dan de raadsman is het hof evenwel van oordeel dat van disproportionaliteit in het onderhavige geval geen sprake is. Immers, niet alleen het tijdsverloop -in relatie tot de ernst van het delict- moet in aanmerking worden genomen, maar ook de aard van de stoornis en de ernst van het recidivegevaar. Het hof acht evenmin strijd met het beginsel van de subsidiariteit aanwezig, nu uit de stukken blijkt dat de terbeschikkinggestelde nog is aangewezen op de structuur van de terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege. Beslissing Het hof: Wijst af het verzoek tot het laten voorbereiden van een zorgmachtiging op basis van artikel 2.3 van de Wet forensische zorg. Bevestigt de beslissing van de rechtbank Noord-Holland, zittingsplaats Haarlemmermeer, van 9 september 2021 met betrekking tot de terbeschikkinggestelde [terbeschikkinggestelde]. Aldus gedaan door mr. W.A. Holland als voorzitter, mr. R. Prakke-Nieuwenhuizen en mr. M.E. van Wees als raadsheren, en drs. A. Vissers en dr. R.A. Graaff als raden, in tegenwoordigheid van mr. J.P. Fuchs-van Dis als griffier, en op 17 februari 2022 in het openbaar uitgesproken. De raden zijn buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.