← Nederland

ECLI:NL:GHARL:2022:8904

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem afdeling civiel recht, handel zaaknummer gerechtshof 200.277.973 (zaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, NL 19.3703) arrest van 18 oktober 2022 in de zaak van [appellant] , wonende te [woonplaats1] , appellant in het hoger beroep, in eerste aanleg: eiser van de vordering, verweerder op de tegenvordering, hierna: [appellant] , advocaat: mr. P.G. Knoppers, en 1 [geïntimeerde1] , wonende te [woonplaats2] ,

  1. [geïntimeerde2] , wonende te [woonplaats3] , geïntimeerden in het hoger beroep, in eerste aanleg: verweerders op de vordering, eisers van de tegenvordering, hierna respectievelijk: [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] , advocaat: mr. M.H.C. Morshuis. 1Het verdere verloop van de procedure in hoger beroep 1.1 Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 4 mei 2021 hier over. 1.2 Het verdere verloop van de procedure blijkt uit: - de brief van 25 augustus 2021 van mr. Morshuis met de producties 36 tot en met 45; - de akte overlegging producties van mr. Knoppers met de producties 19 tot en met 23; - de mondelinge behandeling van 7 september 2021 en de door mr. Knoppers en mr. Morshuis overgelegde spreekaantekeningen; - de akte van mr. Morshuis van 28 september 2021; - de brief van mr. Knoppers van 28 september 2021; - de e-mail van mr. Morshuis van 29 september
  2. 1.3 Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald. 1.4 Bij brief van 28 september 2021 heeft mr. Knoppers bezwaar gemaakt tegen de door mr. Morshuis tegen de roldatum van 28 september 2021 genomen akte (met productie). Zij wijst erop dat het hof tijdens de mondelinge behandeling heeft beslist dat partijen zich mochten uitlaten over de personen van de te benoemen deskundigen en niet nog een nadere akte (met productie) mochten nemen. Zij verzoekt het hof om de akte van mr. Morshuis volledig buiten beschouwing te laten, dan wel, als deze wordt toegelaten, om daarop bij nadere akte nog inhoudelijk te mogen reageren. Bij e-mail van 29 september 2021 heeft mr. Morshuis bezwaar gemaakt tegen deze brief van mr. Knoppers. Hij verzoekt het hof deze brief buiten beschouwing te laten, dan wel, als het hof de brief accepteert, daarop nog te mogen reageren. 1.5 Tijdens de mondelinge behandeling heeft het hof beslist dat partijen zich (gelijktijdig) bij akte mochten uitlaten over de persoon van deskundigen die het hof voornemens is te benoemen. Partijen hebben dat gedaan door middel van de akte van 28 september 2021 en de brief van 28 september
  3. De akte van mr. Morshuis gaat niet alleen in op de personen van de deskundigen en de vraagstelling daaraan, maar daarin worden ook stellingen en bezwaren (tegen de voorgenomen benoeming van de deskundigen) herhaald die in de eerdere processtukken zijn vermeld en die ook ter zitting zijn besproken, onder overlegging van een productie die al eerder in hoger beroep is overgelegd als productie
  4. Deze stellingen en bezwaren gaan buiten het bestek van de nadere uitlating waartoe het hof partijen heeft toegelaten. Om die reden zal het hof bij de verdere beoordeling van deze zaak alleen acht slaan op de onderdelen in de akte van mr. Morshuis die zien op de personen van de te benoemen deskundigen en de vraagstelling dan wel opdracht aan die deskundigen, te weten de paragrafen 5, 7, 10, 11, 12, 13 en 14 tot en met
  5. Omdat mr. Knoppers in haar brief van 28 september 2021 bezwaar heeft gemaakt tegen de door [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] voorgedragen deskundigen en mr. Morshuis in zijn akte op zijn beurt bezwaar heeft gemaakt tegen de door [appellant] voorgedragen deskundigen, acht het hof partijen bovendien voldoende in staat gesteld om zich over en weer de door de andere partij genoemde deskundigen uit te laten. Het hof zal de hiervoor genoemde verzoeken van partijen om zich nader inhoudelijk te mogen uitlaten, daarom niet honoreren. 2De vaststaande feiten Het hof gaat in hoger beroep uit van de feiten zoals beschreven in de rechtsoverwegingen 2.1 tot en met 2.7 van het tussenvonnis van 28 mei 2019 en van de rechtsoverwegingen 2.
  6. tot en met 2.9 van het eindvonnis van 20 januari
  7. 3De motivering van de beslissing in hoger beroep 3.1 [appellant] , [geïntimeerde2] en [geïntimeerde1] zijn broers die van mening verschillen over de wijze van verdeling van de nalatenschap van hun vader, de heer [de erflater] (hierna: vader). Vader is overleden op 30 augustus 2005 en partijen zijn alle drie erfgenaam. Partijen hebben de nalatenschap zuiver aanvaard en er is geen executeur benoemd. Partijen verschillen met name van mening over de verdeling van de zich in de nalatenschap bevindende onroerende zaken aan het adres [adres1] 25 en 27 en [adres2] 8 te [woonplaats3] , de huurinkomsten met betrekking tot die onroerende zaken, een effectenportefeuille met bijbehorende rekeningen, de hoogte van de door één van de broers daaruit opgenomen bedragen en het saldo op de ervenrekening. 3.2 In een procedure bij de rechtbank heeft [appellant] (in conventie) verdeling gevorderd van de tussen partijen (uit hoofde van de nalatenschap) bestaande gemeenschap. Hij heeft daarbij onder meer verzocht om de onroerende zaken aan hem toe te bedelen en om vast te stellen dat [geïntimeerde1] een bedrag van € 267.150 aan voorschot uit de nalatenschap uitgekeerd heeft gekregen dat dient te worden verrekend met het erfdeel van [geïntimeerde1] . [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] hebben verweer gevoerd tegen de vorderingen van [appellant] en op hun beurt (in reconventie) onder meer aan de rechtbank gevraagd om vast te stellen dat het aandeel van partijen in de nalatenschap een bedrag betreft van € 337.213,67, te vermeerderen met 1/3e deel van de banksaldi per datum verdeling. Verder hebben ze gevraagd om de onroerende zaken aan [geïntimeerde2] toe te delen en om vast te stellen dat [geïntimeerde1] een voorschot uit de nalatenschap heeft ontvangen van € 180.
  8. De rechtbank heeft het aandeel van [appellant] , [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] in de nalatenschap vervolgens vastgesteld op een bedrag van ieder € 337.213,80, te vermeerderen met het saldo op een ABN AMRO bankrekening, verminderd met kosten. Verder heeft de rechtbank (onder meer) de verdeling van de nalatenschap vastgesteld, daarbij de onroerende zaken aan [geïntimeerde2] toebedeeld tegen een waarde € 805.000 en vastgesteld dat [geïntimeerde1] een voorschotuitkering heeft gekregen van € 180.
  9. 3.3 [appellant] kan zich niet vinden in het vonnis van de rechtbank en heeft daar hoger beroep tegen ingesteld. Hij vindt de verdeling die de rechtbank heeft vastgesteld onredelijk. De rechtbank heeft volgens [appellant] niet alle relevante zaken meegenomen in de verdeling, is uitgegaan van onjuiste waarderingen en heeft ten onrechte bedragen niet verrekend bij de vaststelling van de verdeling. Daarom verzoekt [appellant] het hof, kort weergegeven en na wijziging van eis, om het vonnis van de rechtbank te vernietigen en de verdeling van de nalatenschap vast te stellen waarbij (primair) de onroerende zaken aan [geïntimeerde2] worden toebedeeld tegen inbreng van een bedrag van € 1.730.000, met dien verstande dat als het hof de waarde vaststelt zoals de rechtbank in haar vonnis heeft gedaan, de onroerende zaken aan [appellant] moeten worden toebedeeld, of, als het onroerend goed aan [geïntimeerde2] en/of [geïntimeerde1] wordt toebedeeld voor een lager bedrag dan € 1.730.000, dat een meerwaardeclausule wordt opgelegd. Verder verzoekt [appellant] het hof om bij de verdeling van de nalatenschap: - een bedrag van € 29.960,64 bij de activa van de nalatenschap op te tellen vanwege onrechtmatige betalingen van de ervenrekening door [geïntimeerde2] en/of [geïntimeerde1] en dat te verrekenen; - te bepalen dat de huurvordering van [appellant] voor een bedrag van € 198.067 moet worden ingebracht, te vermeerderen met 3% rente, en dat te verrekenen; - vast te stellen dat aan [geïntimeerde1] in 2007 of daarna een voorschotuitkering is gedaan van € 267.150 (of een in goede justitie te bepalen bedrag) en dat te verrekenen; - vast te stellen dat [geïntimeerde1] een (wettelijke, enkelvoudige) rente is verschuldigd aan de nalatenschap over het aan hem uitgekeerde voorschot en dat te verrekenen; - de verdeling verder vast te stellen zoals door [appellant] voorgesteld in de memorie van grieven. Subsidiair vraagt [appellant] het hof om de wijze van verdeling vast te stellen, rekening houdend naar billijkheid met de belangen van partijen. In beide gevallen verzoekt [appellant] het hof [geïntimeerde2] en [geïntimeerde1] in de kosten van de beide procedures te veroordelen. [geïntimeerde2] en [geïntimeerde1] hebben verweer gevoerd. Benoeming van deskundigen en bepaling van een descente 3.4 Voor de beoordeling van bepaalde grieven en vorderingen van partijen acht het hof de benoeming van een deskundige noodzakelijk, zoals het hof ook ter zitting en in zijn correspondentie aan partijen heeft bericht. Het hof zal daarom in dit tussenarrest alleen de grieven bespreken en beoordelen voor zover het hof het in dat kader nodig acht om daarvoor een deskundige te benoemen en een plaatsopneming (descente) te gelasten. Alle overige beoordelingen en beslissingen zal het hof aanhouden. Grief 1: het saldo op de bankrekeningen 3.5 In grief 1 richt [appellant] zich tegen het oordeel van de rechtbank dat op de ABN AMRO bankrekening, eindigend op nummer [nummer1] (hierna: de ervenrekening), een saldo staat van € 4.438,18 dat, verminderd met de kosten voor de opslag van de roerende zaken van vader, tussen de broers moet worden verdeeld. [appellant] stelt zich op het standpunt dat [geïntimeerde2] rekening en verantwoording moet afleggen omdat hij als rekeninghouder de betaalopdrachten gaf en klaarblijkelijk daartoe gevolmachtigd was. De rechtbank heeft volgens [appellant] ten onrechte geen rekening heeft gehouden met onrechtmatige betalingen ter hoogte van in totaal € 29.960,64 die [geïntimeerde2] en/of [geïntimeerde1] vanaf die rekening hebben gedaan. [appellant] stelt dat die betalingen zien op kosten waarvan niet is komen vast te staan dat die voor rekening van de nalatenschap behoren te komen. Het hof zal die stelling hierna beoordelen. Voor zover [appellant] stelt dat [geïntimeerde2] rekening en verantwoording dient af te leggen over de mutaties op de gemeenschapsrekening, geldt dat de rechtbank bij vonnis in incident van 28 mei 2019 heeft geoordeeld dat er geen sprake was van een beheersregeling, zodat [geïntimeerde2] geen rekening en verantwoording hierover verschuldigd is. Tegen dat vonnis is geen hoger beroep ingesteld (hoger beroep is alleen tegen het eindvonnis ingesteld), zodat [appellant] op dit punt niet-ontvankelijk is. 3.6 Bij memorie van grieven heeft [appellant] als productie 3 een overzicht overgelegd van betalingen vanaf de ervenrekening. Omdat [geïntimeerde2] en [geïntimeerde1] geen facturen of andere bescheiden hebben overgelegd van deze betalingen waaruit blijkt dat dit boedelkosten waren, gaat het hier om onrechtmatige betalingen, aldus [appellant] . [geïntimeerde2] en [geïntimeerde1] betwisten dit. Zij wijzen erop dat [geïntimeerde2] en/of [geïntimeerde1] nooit alleen het beheer heeft/hebben gevoerd over de rekeningen, dat ook [appellant] betalingen van de ervenrekening heeft voldaan en tot en met november 2017 over de bankafschriften beschikte, de wettelijke bewaartermijn is verstreken, en hij de ontbrekende facturen zelf kan opvragen. Zij verwijzen naar overgelegde correspondentie van hun advocaat waarin deze een toelichting geeft per betaling uit het overzicht van [appellant] en waarin deze meermaals aangeeft dat de onderliggende facturen voor die betalingen niet meer voorhanden zijn en niet meer op te vragen zijn omdat de betalingen te lang geleden hebben plaatsgevonden. [geïntimeerde2] en [geïntimeerde1] wijzen er verder op dat uit de notulen van een bespreking van de financiële adviseurs van partijen op 14 november 2019 ook blijkt dat de adviseurs destijds van mening waren dat er geen aanwijzingen waren voor onverklaarbare opnames door de erven van de ervenrekening. 3.7 Het hof acht zich aan de hand van de overgelegde stukken onvoldoende in staat om te beoordelen in hoeverre met betrekking tot de door [appellant] in zijn overzicht genoemde betalingen al dan niet sprake is geweest van boedelkosten die ten laste van de nalatenschap komen. Het hof zal daarom een deskundige benoemen om onderzoek te doen naar de administratie van de nalatenschap (en/of eventuele andere administraties voor zover de deskundige dat noodzakelijk acht). Het hof zal de deskundige daarbij de volgende vraag voorleggen:
  10. Kunt u aangeven welke van de door [appellant] in zijn overzicht (productie 3 bij de memorie van grieven) genoemde betalingen zien op boedelkosten die voor rekening van de nalatenschap behoren te komen en welke betalingen zien op kosten die niet voor rekening van de nalatenschap komen en voor wiens rekening die kosten dan wel behoren te komen, bijvoorbeeld voor rekening van [appellant] , [geïntimeerde2] en/of [geïntimeerde1] privé of van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [naam1] B.V. (hierna: de wijnkoperij)? Grief 2: huurinkomsten 3.8 [appellant] heeft zich in grief 2 op het standpunt gesteld dat de rechtbank ten onrechte een bedrag van in totaal € 198.067 aan huurinkomsten voor de [adres1] 25 en [adres1] 27 (bestaande uit een bedrag van € 162.267 ter zake nummer 25 en een bedrag van € 35.800 ter zake nummer 27) niet heeft betrokken in de vaststelling van de verdeling van de nalatenschap. Dit bedrag zou nog aan [appellant] toekomen. 3.9 Ten tijde van het overlijden van vader waren (en nu zijn nog steeds) [adres1] 25 verhuurd aan de wijnkoperij en [adres1] 27 aan [geïntimeerde2] privé. Tussen partijen staat vast dat de jaarlijkse huur voor de [adres1] 25 een bedrag van € 34.660 betreft en voor de [adres1] 27 een bedrag van € 7.
  11. Met [appellant] is het hof van oordeel dat de huurinkomsten met betrekking tot deze onroerende zaken vanaf de datum van het overlijden van vader vruchten van de nalatenschap vormen (in de zin van artikel 3:172 BW) die in de nalatenschap vallen en die dus in de verdeling moeten worden betrokken. 3.10 De vraag is vervolgens of er inderdaad nog een bedrag van € 198.067 aan huurinkomsten aan [appellant] moet worden toebedeeld, zoals [appellant] stelt. Partijen verschillen van mening over de vraag of er huur is ontvangen voor de [adres1] 25 en 27 vanaf de datum van het overlijden van vader en op welke manier die huur is ontvangen en/of administratief verwerkt. [geïntimeerde2] en [geïntimeerde1] voeren aan dat de huurinkomsten deels aan partijen zijn overgemaakt door de accountant van de wijnkoperij, de heer [naam2] (hierna: de accountant), deels zijn geboekt in rekening-courant met de wijnkoperij en deels in een overzicht staan vermeld dat de accountant jaarlijkse opstelde, te weten het overzicht ‘periodieke overboeking uit de onverdeelde boedel’ en dat [appellant] zijn 1/3e deel van de huurinkomsten voor de [adres1] 25 en 27 al volledig heeft ontvangen. Voor zover er toch nog iets te betalen zou zijn, heeft [appellant] daar geen recht meer op, aldus [geïntimeerde2] en [geïntimeerde1] . [appellant] wist volgens hen namelijk van de boekingen van de huren in rekening-courant, hij heeft die rekening-courantstanden (tot aan zijn uittreden als aandeelhouder van de wijnkoperij eind 2017) ook steeds goedgekeurd, net als de jaarrekeningen van de wijnkoperij, en [appellant] heeft een vaststellingsovereenkomst gesloten met (onder meer) de wijnkoperij en [geïntimeerde2] waarin hij kwijting heeft verleend voor alle vorderingen over en weer. 3.11 Door partijen is een groot aantal stukken overgelegd ter onderbouwing van deze standpunten. Het hof kan aan de hand van de overgelegde stukken evenwel niet beoordelen in hoeverre [appellant] zijn deel aan huurinkomsten al heeft ontvangen, dan wel in hoeverre er nog een nabetaling zou moeten volgen. Uit de overgelegde stukken blijkt niet duidelijk wanneer welke huurinkomsten zijn ontvangen, op welke wijze die administratief zijn verwerkt en welke bedragen daarvan al aan partijen zijn uitgekeerd. In hoeverre de verschillende bedragen in de verschillende overgelegde stukken al dan niet op elkaar aansluiten, is ook onduidelijk en wordt door partijen niet, dan wel onvoldoende toegelicht. Uit verschillende producties, waaronder een brief en een e-mail van de accountant van 12 augustus 2019 en 7 oktober 2019 en de notulen van een bespreking tussen de financiële adviseurs van partijen van 14 november 2019, blijkt bovendien dat de accountant geen opdracht had om een administratie bij te houden voor de onverdeelde boedel en daarvoor geen werkzaamheden heeft verricht, dat sommige overzichten vanwege discussie tussen de broers niet definitief zijn opgemaakt en dat op de overzichten geen controle is toegepast, zodat de vraag is in hoeverre de overgelegde stukken en cijfers juist en volledig zijn. [appellant] heeft verder gewezen op het feit dat hij in 2017 als aandeelhouder van de wijnkoperij is uitgetreden en dat zijn rekening-courantverhouding met de wijnkoperij (waarin volgens [geïntimeerde2] en [geïntimeerde1] de huurinkomsten (en kosten) werden geboekt en verrekend) daarom destijds is afgewikkeld. Hij stelt sindsdien geen bedragen meer te hebben ontvangen uit hoofde van huurinkomsten voor de [adres1] 25 en
  12. [geïntimeerde2] en [geïntimeerde1] hebben weliswaar stukken overgelegd waaruit volgens hen blijkt dat [appellant] ook daarna zijn aandeel in de huurinkomsten van de [adres1] 27 tot 20 januari 2020 heeft ontvangen, maar de verschillende bedragen zijn niet duidelijk onder elkaar gezet en in totaalbedragen opgeteld, en over de huren voor de [adres1] 25 vanaf 2017 wordt niets gezegd. Daarom blijft ook onduidelijk in hoeverre [appellant] zijn 1/3e aandeel in de huurinkomsten vanaf eind 2017 heeft ontvangen. 3.12 Voor zover [geïntimeerde2] en [geïntimeerde1] stellen dat [appellant] geen recht meer kan doen gelden op eventueel verschuldigde huurinkomsten omdat hij tot 2017 rekening-courantstanden en jaarrekeningen van de wijnkoperij heeft goedgekeurd, oordeelt het hof dat het enkele goedkeuren van een vordering of schuld in rekening-courant in het kader van het opmaken en vaststellen van jaarrekeningen niet zonder meer met zich brengt dat sprake is van rechtsverwerking of anderszins van afstand of verval van recht (zo begrijpt het hof het betoog van [geïntimeerde2] en [geïntimeerde1] tenminste) met betrekking tot zijn aandeel in de huurinkomsten (waarvan ook niet duidelijk is in hoeverre deze zijn geboekt in rekening-courant). [geïntimeerde2] en [geïntimeerde1] hebben dit ook niet nader toegelicht. Bovendien zijn er ook na het uittreden van [appellant] als aandeelhouder van de wijnkoperij nieuwe huren verschuldigd geworden aan de nalatenschap waarvan, zoals hierboven al werd overwogen, onduidelijk is in hoeverre daarvan 1/3e deel aan [appellant] is uitgekeerd. Het standpunt dat [appellant] in de vaststellingsovereenkomst van oktober 2017 onherroepelijk finale kwijting heeft verleend aan (onder meer) de wijnkoperij en [geïntimeerde2] voor alle vorderingen die zij over en weer nog van elkaar te vorderen hadden, zodat [appellant] ook daarom geen vordering (meer) heeft uit hoofde van huurinkomsten, volgt het hof evenmin. [appellant] heeft destijds de vaststellingsovereenkomst in zijn hoedanigheid van aandeelhouder van de wijnkoperij gesloten om geschillen te regelen die samenhingen met de wijnkoperij. Nergens blijkt uit dat [appellant] daarmee ook kwijting heeft verleend en heeft willen verlenen voor vorderingen die hij had met betrekking tot de onverdeelde nalatenschap van vader en [geïntimeerde2] en [geïntimeerde1] hebben niet toegelicht waarom dat wel zo is geweest. Verder is [geïntimeerde1] geen partij bij de vaststellingsovereenkomst, zodat dit argument ten opzichte van [geïntimeerde1] hoe dan ook niet opgaat. 3.13 Gelet op het voorgaande acht het hof voor de vraag of [appellant] nog recht heeft op huurinkomsten die in de verdeling moeten worden betrokken een nader onderzoek nodig naar de huurstromen van de [adres1] 25 en 27, de administratieve verwerking daarvan en naar wat er van die huurinkomsten al is uitgekeerd aan [appellant] en/of verrekend (in rekening-courant met de wijnkoperij of anderszins). Het hof zal daarom een deskundige benoemen om deze vraag te beantwoorden door onderzoek te doen naar de administraties van de wijnkoperij en de persoonlijke vennootschap van [appellant] ( [naam3] B.V.) en eventuele andere administraties voor zover de deskundige dat noodzakelijk acht. Het onderzoek dient plaats te vinden over de periode van 30 augustus 2005 tot en met heden en niet (maar) tot 20 januari 2020, zoals [geïntimeerde2] en [geïntimeerde1] betogen, omdat het hof de verdeling van de nalatenschap opnieuw zal vaststellen. Het hof licht dat hierna toe onder rechtsoverweging 3.
  13. 3.14 Partijen hebben zich bij akte en brief uitgelaten over de persoon van de te benoemen deskundige. Zij zijn onderling niet tot overeenstemming gekomen over de persoon van de deskundige en hebben over en weer bezwaren geuit tegen de door de andere partij(en) voorgestelde deskundigen. Het hof zal daarom als deskundige benoemen de heer [de deskundige1] , werkzaam bij 2K20 B.V. 3.15 Het hof zal de deskundige de volgende vragen voorleggen:
  14. Kunt u aangeven: - welke huurbedragen in de periode van 30 augustus 2005 tot en met heden zijn ontvangen voor de [adres1] 25 en 27 te [woonplaats3] , - hoe deze inkomsten administratief zijn verwerkt, - welke kosten in die periode met de [adres1] 25 en 27 samenhangen, - hoe die kosten administratief zijn verwerkt, - welke bedragen van de huurinkomsten aan [appellant] zijn uitgekeerd, dan wel zijn verrekend (in rekening-courant of anderszins)?
  15. Kunt u aangeven of er nog (netto-) huurinkomsten dienen te worden verdeeld tussen [appellant] , [geïntimeerde2] en [geïntimeerde1] en voor welk bedrag?
  16. Heeft u naar aanleiding van uw bevindingen nog opmerkingen die relevant kunnen zijn voor het verdere verloop van deze zaak? 3.16 Mocht de deskundige besluiten om een bespreking met partijen te houden, bijvoorbeeld om de voorlopige resultaten van zijn onderzoek te bespreken, dan vindt deze bespreking met alle partijen tegelijkertijd plaats. 3.17 Het hof bepaalt dat [appellant] enerzijds en [geïntimeerde2] en [geïntimeerde1] anderzijds ieder de helft van het voorschot van de deskundige moet dragen. Over de uiteindelijke draagplicht van het voorschot van de deskundige zal in het eindarrest in deze zaak een beslissing volgen. Grieven 3 t/m 6: de onroerende zaken 3.18 De grieven 3 tot en met 6 richten zich tegen het oordeel van de rechtbank dat de onroerende zaken één geheel vormen en aan [geïntimeerde2] worden toegedeeld tegen inbreng van een bedrag van € 805.000,= zonder dat daaraan een anti-speculatiebeding is verbonden. [appellant] stelt zich op het standpunt dat de onroerende zaken losse objecten zijn. Hij heeft verder bezwaren tegen het deskundigenrapport van [naam4] en de daarin opgenomen taxatiewaarden en hij vindt dat de rechtbank ten onrechte de onroerende zaken aan [geïntimeerde2] heeft toebedeeld tegen een te lage waarde. [geïntimeerde2] en [geïntimeerde1] betwisten een en ander. Zij voeren aan dat de onroerende zaken onderling verweven zijn met elkaar (onder meer door leidingwerk) en niet als losse objecten kunnen worden gezien. Zij vinden het rapport van [naam4] deugdelijk en vinden dat de rechtbank terecht de onroerende zaken tegen de waarde in verhuurde staat aan [geïntimeerde2] heeft toebedeeld. Ze stellen zich verder op het standpunt dat [appellant] niet voor het eerst in hoger beroep (alsnog) een anti-speculatiebeding in de vorm van een meerwaardeclausule kan vorderen. 3.19 Met betrekking tot de taxatiewaarde van de onroerende zaken is het hof van oordeel dat een nieuw taxatierapport dient te worden opgesteld. Anders dan [geïntimeerde2] en [geïntimeerde1] betogen, is er namelijk nog geen sprake van een verdeling van de nalatenschap tussen partijen. De rechtbank heeft weliswaar de verdeling van de nalatenschap vastgesteld, maar dat vonnis is niet uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Het hof zal in zijn arrest dan ook de verdeling (opnieuw) moeten vaststellen. Op grond van vaste rechtspraak van de Hoge Raad geldt als peildatum voor de waardering van tot de gemeenschap behorende goederen in beginsel de datum van de verdeling, zodat in het kader van de opnieuw vast te stellen verdeling door het hof een nieuw taxatierapport dient te worden opgesteld. Het hof zal daarom overgaan tot benoeming van een deskundige die de onroerende zaken opnieuw zal taxeren. 3.20 Partijen hebben zich bij brief en akte uitgelaten over de persoon van de te benoemen taxateur. Zij zijn onderling niet tot overeenstemming gekomen over de persoon van de taxateur en hebben over en weer bezwaren geuit tegen de door de andere partij voorgestelde taxateurs. Het hof zal daarom de heer P. [de deskundige2] , makelaar en taxateur bij Bongers & Lemmers Makelaars te Nijmegen, benoemen tot taxateur. 3.21 Het hof zal de taxateur de volgende vragen voorleggen: Kunt u de onroerende zaken aan de [adres1] 25, [adres1] 27 en [adres2] 8 te [woonplaats3] taxeren als één object en als drie losse objecten en daarvan de taxatiewaarden weergeven? Bij de taxatie van de panden als drie losse objecten kunt u vooralsnog uitgaan van de hypothetische situatie dat er een kadastrale splitsing zou komen en dat aan de voorwaarden daarvoor (zoals bijvoorbeeld vergunningen die verleend zouden moeten worden) is voldaan. Kunt u daarbij de taxatiewaarden zowel in verhuurde staat als in onverhuurde staat/ vrij van gebruik (in beide gevallen tegen de waarde in het economisch verkeer) weergeven? Wilt u beoordelen in hoeverre de onroerende zaken als losse objecten verkocht zouden kunnen worden (in hoeverre zijn de panden met elkaar verweven?) 3.22 Partijen zijn door het hof in de gelegenheid gesteld om uiterlijk op 12 juli 2022 eventuele bezwaren kenbaar te maken tegen de taxateur die het hof voornemens is te benoemen, alsmede tegen de door het hof voorgenomen vraagstelling. De advocaten van partijen hebben bij brief respectievelijk per e-mail van 12 juli 2022 een aantal bezwaren tegen de voornemens van het hof geuit. Deze bezwaren en verweren brengen het hof evenwel niet tot een ander oordeel. Het hof heeft op grond van de wet de vrijheid om (ambtshalve) een deskundige te benoemen indien het hof dat nodig acht voor een juiste beoordeling van de zaak. Het hof heeft bij die benoeming bovendien grote vrijheid bij het formuleren van de vragen die het hof aan de deskundige zal voorleggen en is niet gebonden aan de vraagstelling die de rechter in eerste aanleg heeft gehanteerd. 3.23 De advocaten van partijen hebben overigens ook na de door het hof gestelde uiterlijke termijn van 12 juli 2022 hun onderlinge meningsverschillen voortgezet in correspondentie die gericht is aan het hof. Correspondentie van partijen over deze kwestie die dateert van ná 12 juli 2022 is te laat en wordt door het hof niet meegenomen in de verdere beoordeling van deze zaak. 3.24 De weinig constructieve (proces)houding die partijen en hun advocaten er onderling op na houden en de wijze van benaderen van het hof in hun correspondentie, maken voorts dat het hof het noodzakelijk acht om de taxatie door de deskundige taxateur tijdens een plaatsopneming (descente) te laten plaatsvinden (art. 201 Rv) in aanwezigheid van een hierna te benoemen raadsheer-commissaris en griffier. Het hof zal daarom een descente gelasten. Tijdens de descente mogen partijen zich laten vergezellen door hun advocaat, maar niet door andere personen en/of adviseurs. 3.25 Het hof bepaalt tot slot dat [appellant] , [geïntimeerde2] en [geïntimeerde1] ieder een derde deel van het voorschot van de deskundige taxateur moeten dragen. 4De beslissing Het hof, recht doende in hoger beroep:
  17. benoemt tot deskundige (accountant): de heer [de deskundige1] werkzaam bij 2K20 B.V. Oranjesingel 136511 NL Nijmegen T: 024 30 30 840E: info@2K20.nl om een onderzoek in te stellen en schriftelijk bericht (rapport) uit te brengen omtrent de hierboven onder rechtsoverwegingen 3.7 en 3.15 opgenomen vragen;
  18. benoemt tot deskundige (taxateur): de heer [de deskundige2] werkzaam bij Bongers & Lemmers Makelaardij B.V. Kronenburgersingel 1 6511 AL Nijmegen T: 0880 555 666 E: makelaardij@bongers-lemmers.nl om een onderzoek in te stellen en schriftelijk bericht (rapport) uit te brengen omtrent de hierboven onder rechtsoverweging 3.21 opgenomen vragen;
  19. bepaalt dat de deskundigenonderzoeken zullen worden uitgevoerd conform de Leidraad deskundigen in civiele zaken;
  20. bepaalt dat de deskundigen tijdens hun onderzoek partijen in de gelegenheid zullen stellen opmerkingen te maken en verzoeken te doen en dat daarvan uit de schriftelijke berichten (rapporten) van de deskundigen zal blijken;
  21. bepaalt dat de deskundigen een concept-deskundigenbericht aan partijen zullen toesturen en partijen in de gelegenheid zullen stellen op dat concept te reageren voordat zij een definitief bericht uitbrengen. In het definitieve deskundigenbericht zullen de deskundigen de reacties van partijen op het concept bespreken;
  22. bepaalt dat [appellant] aan de beide deskundigen een kopie van het volledige procesdossier ter beschikking zal stellen;
  23. beveelt partijen om de deskundigen alle door hen gewenste inlichtingen te verstrekken;
  24. bepaalt dat deskundige [de deskundige1] zijn ondertekende deskundigenbericht vóór 1 maart 2023 en deskundige [de deskundige2] zijn ondertekende deskundigenbericht vóór 17 januari 2023 toestuurt aan de griffie van dit hof (griffie handelsrecht, postbus 9030, 6800 EM Arnhem);
  25. bepaalt het voorschot van de kosten van deskundige [de deskundige1] op € 16.465 (inclusief 21% btw) en van deskundige [de deskundige2] op € 3.569,50 (inclusief 21% btw);
  26. bepaalt dat [appellant] enerzijds en [geïntimeerde2] en [geïntimeerde1] anderzijds ieder de helft van het voorschot van deskundige [de deskundige1] dienen te betalen, te weten € 8.228,-, conform de nota met betaalinstructies die zij zullen ontvangen van het Landelijke Dienstencentrum voor de rechtspraak;
  27. bepaalt dat [appellant] , [geïntimeerde2] en [geïntimeerde1] ieder een derde deel van het voorschot van deskundige [de deskundige2] dienen te betalen, te weten € 1.189,84 conform de nota met betaalinstructies die zij zullen zal ontvangen van het Landelijke Dienstencentrum voor de Rechtspraak;
  28. bepaalt dat het voorschot van deskundige [de deskundige1] (in beginsel) binnen vier weken na dagtekening van de nota van het Landelijk Dienstencentrum moet zijn voldaan en het voorschot van deskundige [de deskundige2] in ieder geval een week vóór aanvang van de hierna te bepalen descente;
  29. bepaalt dat de deskundigen niet met het onderzoek hoeven te beginnen voordat de griffier heeft laten weten dat het voorschot is betaald;
  30. bepaalt dat de deskundigen zich - door tussenkomst van de griffie - met vragen en opmerkingen kunnen wenden tot mr. M.H.F. Van Vugt die hierbij wordt benoemd tot raadsheer-commissaris;
  31. draagt de griffier op een afschrift van dit arrest aan de deskundigen te verzenden;
  32. verwijst de zaak naar de rol van 4 april 2023 voor memorie na deskundigenrapporten aan de zijde van [appellant] en daarna naar de rol van 2 mei 2023 voor memorie na deskundigenrapporten aan de zijde van [geïntimeerde2] en [geïntimeerde1] ; Descente
  33. bepaalt dat de raadsheer-commissaris de onroerende zaken [adres1] 25 en 27 en de [adres2] 8 te [woonplaats3] zal bezichtigen dan wel de plaatselijke gesteldheid zal opnemen, vergezeld van de griffier, op 15 november 2022 om 14.00 uur;
  34. bepaalt de termijn waarbinnen het van de verrichting op te maken proces-verbaal ter griffie moet worden neergelegd op twee weken vanaf de datum van de plaatsopneming; Tot slot
  35. houdt iedere verdere beslissing aan. Dit arrest is gewezen door mrs. M.H.F. van Vugt, M.L. van der Bel en J.U.M. van der Werff en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 18 oktober 2022.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.