GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Leeuwarden afdeling civiel recht, handel zaaknummer gerechtshof 200.309.165/01 (zaaknummer rechtbank Overijssel 266991) arrest van 18 oktober 2022 in de zaak van 1 [appellante1] ,
- [appellante2], als erfgenamen van wijlen [erflaatster], laatstelijk gewoond hebbende te [plaats1] , appellanten, bij de rechtbank: eiseres, hierna: de erfgenamen, advocaat: mr. M.J.H. Mühlstaff, die kantoor houdt te Deventer, tegen [geïntimeerde1] , wonende te [plaats1] , geïntimeerde, bij de rechtbank: gedaagde, hierna: [geïntimeerde1], advocaat: mr. J.B. Maliepaard, die kantoor houdt te Rotterdam. 1Het verloop van de procedure bij de rechtbank Voor het verloop van de procedure bij de rechtbank verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen van 18 augustus 2021 en 22 december 2021 (hersteld bij vonnis van 2 februari 2022) die de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle, heeft gewezen. 2Het verloop van de procedure in hoger beroep 2.1 Bij exploot van 18 maart 2022 is door [erflaatster] hoger beroep ingesteld van deze vonnissen met dagvaarding van [geïntimeerde1] tegen de zitting van 24 mei
- Op die datum is aan [erflaatster] een uitstel verleend tot 5 juli 2022 voor het nemen van de memorie van grieven. 2.2 Op laatstgenoemde datum heeft [erflaatster] de memorie van grieven niet genomen. Het hof heeft haar conform artikel 2.16 en 2.17 van het Landelijk procesreglement (Lpr) hiervoor een laatste uitstel verleend tot 2 augustus
- 2.3 Op de rol van 2 augustus 2022 heeft [erflaatster] evenmin een memorie van grieven genomen. Wel heeft mr. Mühlstaff op deze datum in een H16-formulier het hof bericht dat [erflaatster] is overleden en dat haar erfgenamen de procedure overnemen. Hij heeft daartoe een notariële verklaring van erfrecht overgelegd. Volgens deze verklaring is [erflaatster] op 27 april 2022 overleden. 2.4 De rolraadsheer heeft op 2 augustus 2022 bepaald dat het recht op het nemen van de memorie van grieven is vervallen (waarbij is aangetekend dat Akte niet dienen is verleend). 2.5 Vervolgens heeft het hof [geïntimeerde1] in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de overname van de procedure door de erfgenamen. [geïntimeerde1] heeft op de rol van 23 augustus 2022 te kennen gegeven hier geen bezwaar tegen te hebben. Ook heeft zij aangegeven af te zien van het instellen van incidenteel appel. 2.6 [geïntimeerde1] heeft op de rol van 20 september 2022 de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest. 3De beoordeling 3.1 In artikel 133 lid 4 Rv is bepaald dat indien een proceshandeling niet is verricht binnen de daarvoor gestelde termijn en daarvoor geen uitstel kan worden verkregen, het recht vervalt om de proceshandeling te verrichten. Op grond van artikel 353 Rv is deze bepaling ook in hoger beroep van toepassing. In artikel 1.8 Lpr is bepaald dat de termijnen ambtshalve worden gehandhaafd, tenzij uit dit reglement anders voortvloeit. 3.2 Vast staat dat [erflaatster] noch de erfgenamen een memorie van grieven hebben ingediend tegen de vonnissen waarvan beroep. Evenmin heeft mr. Mühlstaff op grond van artikel 225 Rv de schorsing van het geding ingeroepen of, nu de zaak reeds ambtshalve peremptoir stond, nader (gemotiveerd) uitstel gevraagd voor het indienen van de grieven. Ook is niet gesteld dat er op onjuiste gronden akte niet dienen is verleend. Dit is het hof ook overigens niet gebleken. 3.3 Nu de erfgenamen geen grieven hebben ontwikkeld tegen de bestreden vonnissen en niet is gebleken dat deze vonnissen in strijd zijn met rechtsregels van openbare orde, zullen de erfgenamen niet-ontvankelijk worden verklaard in het hoger beroep. Het hof zal hen veroordelen in de kosten van de procedure in hoger beroep aan de zijde van [geïntimeerde1] (½ punt, tarief II). 4De beslissing Het hof, recht doende in hoger beroep: verklaart de erfgenamen niet-ontvankelijk in hun hoger beroep; veroordeelt de erfgenamen in de kosten van de procedure in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde1] begroot op € 343,- aan verschotten en € 557,- aan geliquideerd salaris voor de advocaat. Dit arrest is gewezen door mrs. J.H. Kuiper, J. Smit en P.S. Bakker en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 18 oktober 2022.