GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN locatie Arnhem nummers BK-ARN 21/01447 tot en met 21/01449 uitspraakdatum: 8 november 2022 Uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer op het hoger beroep van [belanghebbende] te [woonplaats] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 12 augustus 2021, nummers AWB 20/3677, 20/3678 en 21/1611, in het geding tussen belanghebbende en de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Arnhem (hierna: de Inspecteur) 1Ontstaan en loop van het geding 1.
(2017). De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank. 4Beoordeling van het geschil Omkering en verzwaring bewijslast 4.1. Artikel 27h, lid 2, in samenhang met artikel 27e, lid 1, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR), bepaalt, voor zover van belang, dat het hoger beroep van de belastingplichtige ongegrond moet worden verklaard indien de vereiste aangifte niet is gedaan, tenzij de belastingplichtige overtuigend kan aantonen dat en in hoeverre de uitspraak op het bezwaar onjuist is (omkering en verzwaring van bewijslast). 4.2. Ingevolge artikel 49, lid 3, Zorgverzekeringswet wordt de inkomensafhankelijke bijdrage Zvw geheven met overeenkomstige toepassing van de voor de heffing van de inkomstenbelasting geldende regels. Dit betekent dat ook voornoemde bepalingen uit de AWR over de omkering en verzwaring van de bewijslast van overeenkomstige toepassing zijn. 4.3. Bij inhoudelijke gebreken in een aangifte kan slechts dan worden aangenomen dat de vereiste aangifte niet is gedaan, indien aan de hand van de normale regels van stelplicht en bewijslast is vastgesteld dat sprake is van één of meer gebreken die ertoe leiden dat de volgens de aangifte verschuldigde belasting verhoudingsgewijs aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting. Daarbij moet worden uitgegaan van het te betalen bedrag aan belasting na verrekening van eventuele voorheffingen en heffingskortingen. Tevens is vereist dat het bedrag van de belasting dat als gevolg van de hiervoor bedoelde gebreken in de aangifte niet zou zijn geheven, op zichzelf beschouwd aanzienlijk is en dat belanghebbende ten tijde van het doen van de aangifte dit laatste wist dan wel zich dit bewust moet zijn geweest (vgl. HR 9 januari 2015, ECLI:NL:HR:2015:17, r.o. 3.2). Ook dit moet worden vastgesteld aan de hand van de normale regels van stelplicht en bewijslast. Bewijsvermoeden 4.4. Bij de beoordeling of de inspecteur aan voornoemde bewijslast heeft voldaan, kunnen vermoedens worden gehanteerd die zijn gebaseerd op vaststaande feiten (vgl. HR 29 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:1021, r.o. 4.3.1; HR 25 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:986, r.o. 3.3.4). 4.5. De belastingplichtige die wil ontkomen aan bewijs door middel van een vermoeden, kan zich verweren hetzij door de feiten en omstandigheden te betwisten die aan het bewijsvermoeden ten grondslag zijn gelegd, hetzij door andere feiten te stellen en bij betwisting aannemelijk te maken waardoor redelijke twijfel wordt gewekt aan de redengevende kracht van dat bewijsvermoeden, zodat dit vermoeden wordt ontzenuwd (vgl. HR 28 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:63, r.o. 3.5.3). 4.6. Vaststaat dat belanghebbende in de onderhavige jaren geen enkel inkomen heeft aangegeven, dat zijn echtgenote looninkomsten van circa € 3.500 per jaar heeft genoten (zie 2.4), dat belanghebbende in de onderhavige jaren regelmatig contante bedragen van tussen de € 500 en € 4.400 heeft gestort op zijn bankrekeningen (zie 2.6), dat hij in de periode van april 2014 tot april 2018 zeven voertuigen heeft ingevoerd (zie 2.5), en dat hij ter zitting van de Rechtbank heeft verklaard dat hij reparaties aan auto’s kan verrichten, dat hij een BMW voor € 11.400 heeft gekocht, dat dit een schadeauto betrof en dat hij deze auto enige jaren later heeft verkocht voor ongeveer € 28.000. 4.7. Het Hof is van oordeel dat voornoemde feiten het vermoeden rechtvaardigen dat belanghebbende inkomsten heeft genoten met het herstellen en of verhandelen van auto’s dan wel uit een andere onbekend gebleven bron van inkomen. 4.8. Belanghebbende heeft gesteld (
- i)dat hij jaarlijks met zijn gezin op vakantie is geweest in Thailand, (
- ii)dat daar aan hem jaarlijks € 20.000 is geleend door de opa en oma van zijn echtgenote, (iii) dat hij deze bedragen in contanten heeft meegenomen naar Nederland en (
- iv)dat hij daarvan regelmatig bedragen stortte op zijn Nederlandse bankrekeningen. Belanghebbende heeft de stellingen (
- i)tot en met (iii) op generlei wijze met stukken of anderszins onderbouwd, zodat het Hof deze niet aannemelijk acht. Bovendien heeft belanghebbende geen afdoende verklaring gegeven voor het ontbreken van enige samenhang tussen de omvang en de regelmaat van de contante bankstortingen en de gestelde jaarlijkse (éénmalige) invoer van € 20.000 in contanten vanuit Thailand. Naar het oordeel van het Hof is daarom geen redelijke twijfel gewekt aan de redengevende kracht van het bewijsvermoeden dat belanghebbende inkomsten heeft genoten, zodat dit vermoeden niet is ontzenuwd. Het bewijs dat belanghebbende inkomsten heeft genoten, kan derhalve worden ontleend aan een bewijsvermoeden. Vereiste aangiften IB/PVV 2016 en 2017 4.9. Naar het oordeel van het Hof kan een aanzienlijk deel van de contante stortingen worden aangemerkt als belast inkomen. Dit leidt ertoe dat als gevolg van de ingediende aangiften – waarin geen inkomsten zijn verantwoord – verhoudingsgewijs en op zichzelf beschouwd een aanzienlijk bedrag aan inkomstenbelasting niet zou worden geheven. Het Hof acht verder aannemelijk dat belanghebbende door het niet aangeven van deze inkomsten, ten tijde van het doen van de aangiften zich ervan bewust was, althans zich ervan bewust moet zijn geweest, dat als gevolg van die aangiften een aanzienlijk bedrag aan inkomstenbelasting niet zou worden geheven. Dit brengt mee dat belanghebbende niet de vereiste aangiften IB/PVV 2016 en 2017 heeft gedaan, ten gevolge waarvan voornoemde bewijsregel van artikel 27e AWR (omkering en verzwaring van de bewijslast) van toepassing is. Redelijke schatting 4.10. De zogenoemde omkering en verzwaring van de bewijslast ontslaat de Inspecteur niet van zijn verplichting de door hem aangebrachte correcties niet naar willekeur vast te stellen. De belastingaanslagen dienen te berusten op een redelijke schatting. De Inspecteur heeft de correcties gebaseerd op de bankstortingen. Gelet daarop kan niet worden gezegd dat de correcties onredelijk of willekeurig zijn vastgesteld. Verzwaard tegenbewijs 4.11. Indien en voor zover een belanghebbende de juistheid van de voor de schatting gebruikte gegevens of de juistheid van de schatting van de Inspecteur anderszins betwist, dient hij daarvoor tegenbewijs te leveren op de in artikel 27e AWR bedoelde wijze (vgl. HR 31 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX7184, r.o. 3.5). Dat betekent dat op belanghebbende een zwaardere bewijslast drukt, inhoudende dat hij op overtuigende wijze moet aantonen – hetgeen impliceert dat elke redelijke twijfel moet zijn uitgesloten (HR 8 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:526, r.o. 3.2) – dat de schatting van de Inspecteur of de daarvoor gebruikte gegevens onjuist zijn. 4.12. Zoals hiervoor in 4.8 overwogen, heeft belanghebbende zijn stellingen omtrent de herkomst van de contante geldbedragen die hij op zijn Nederlandse bankrekeningen heeft gestort, niet aanemelijk gemaakt. Nu belanghebbende niet heeft voldaan aan deze normale bewijslast, wordt hij evenmin geacht te zijn geslaagd in de zwaardere bewijslast op grond van artikel 27e AWR (overtuigend aantonen). Dit brengt mee dat het hoger beroep van belanghebbende inzake de aanslagen IB/PVV 2016 en 2017 en Zvw 2016 ongegrond wordt verklaard. Belastingrenten 4.13. Het hoger beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de in rekening gebrachte belastingrenten. Belanghebbende heeft geen zelfstandige gronden daartegen aangevoerd. Nu de aanslagen niet worden verminderd, is er ook geen aanleiding voor een vermindering van de in rekening gebrachte belastingrenten. Slotsom Gelet op het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond. 5Proceskosten en griffierecht Het Hof ziet geen aanleiding voor een vergoeding van de proceskosten of het griffierecht. 6Beslissing Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank. Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J.H. van Suilen, voorzitter, mr. A.E. Keulemans en mr. J.P.M. Kooijmans, in tegenwoordigheid van drs. S. Darwinkel als griffier. De beslissing is op 8 november 2022 in het openbaar uitgesproken. De griffier, De voorzitter, (S. Darwinkel) (A.J.H. van Suilen) Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op 10 november 2022. Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl. Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl). Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen: 1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd; 2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn; 3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener; b. de dagtekening; c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht; d. de gronden van het beroep in cassatie. Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.