Afdeling strafrecht Parketnummer: 21-002358-19 Uitspraak d.d.: 15 november 2022 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 16 april 2019 met parketnummer 05-720293-18 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1997, wonende te [adres] . Het hoger beroep De verdachte en de officier van justitie hebben tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 3 maart 2022 (waarna het hof op 17 maar 2022 een tussenarrest heeft gewezen) en van 1 november 2022 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door verdachte en haar raadsman, mr. J.A. Schadd, naar voren is gebracht. Ontvankelijkheid van het hoger beroep van het openbaar ministerie De raadsman van verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in het hoger beroep moet worden verklaard, omdat het hoger beroep in de appelakte op ongeoorloofde wijze is beperkt. De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in het hoger beroep. In de appelakte worden weliswaar beperkingen aangebracht, maar deze akte moet worden bezien in samenhang met de appelschriftuur. Met de bewoordingen in de akte is bedoeld duidelijk te maken dat het hoger beroep voor wat betreft feit 1 zou moeten zien op het subsidiair tenlastegelegde. Dat laat onverlet dat het hof zich ook moet uitlaten over het onder feit 1 primair tenlastegelegde, aldus de advocaat-generaal. Het hof overweegt dat de officier van justitie bij het instellen van het hoger beroep in de appelakte heeft laten opnemen: “Beroep in te stellen tegen het eindvonnis d.d. 16 april 2019, het hoger beroep richt zich op tegen de vrijspraak voor het primaire feit en tegen de strafmaat”. Naar het oordeel van het hof heeft het openbaar ministerie hiermee een beperking in de omvang van het hoger beroep aangebracht. Een dergelijke beperking is in strijd met het bepaalde in artikel 407 van het Wetboek van Strafvordering. Dat betekent dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in het ingestelde hoger beroep. Het vonnis waarvan beroep Bij voormeld vonnis heeft de rechtbank verdachte vrijgesproken van de tenlastegelegde poging tot doodslag, maar heeft bewezenverklaard het medeplegen van poging tot zware mishandeling. Verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier maanden, waarvan twee maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren en met bijzondere voorwaarden. Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere strafoplegging en tot een andere beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] komt en zal daarom opnieuw rechtdoen. De tenlastelegging Aan verdachte is tenlastegelegd dat: primairZij op of omstreeks 27 juli 2018 te Arnhem tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, -Die [slachtoffer] naar de grond heeft/hebben getrokken, -(vervolgens) (terwijl die [slachtoffer] op de grond ligt) die [slachtoffer] meerdere malen met kracht (met geschoeide voet(en)) in/op/tegen het hoofd/gezicht en/of het (boven)lichaam heeft/hebben geschopt en/of getrapt, -Meerdere malen met kracht in/op/tegen het hoofd/gezicht heeft/hebben geslagen en/of gestompt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; subsidiairZij op of omstreeks 27 juli 2018 te Arnhem tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, -Die [slachtoffer] naar de grond heeft/hebben getrokken, -(vervolgens) (terwijl die [slachtoffer] op de grond ligt) die [slachtoffer] meerdere malen met kracht (met geschoeide voet(en)) in/op/tegen het hoofd/gezicht en/of het (boven)lichaam heeft/hebben geschopt en/of getrapt, -Meerdere malen met kracht in/op/tegen het hoofd/gezicht heeft/hebben geslagen en/of gestompt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; meer subsidiairZij op of omstreeks 27 juli 2018 te Arnhem tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen [slachtoffer] heeft mishandeld door; -Die [slachtoffer] naar de grond te trekken, -(vervolgens) (terwijl die [slachtoffer] op de grond ligt) die [slachtoffer] meerdere malen met kracht (met geschoeide voet(en)) in/op/tegen het hoofd/gezicht en/of het (boven)lichaam te schoppen en/of te trappen, -Meerdere malen met kracht in/op/tegen het gezicht te slaan en/of te stompen. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging. Vrijspraak primair tenlastegelegde Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, zodat zij daarvan dient te worden vrijgesproken. Bewijsoverwegingen subsidiair tenlastegelegde Het hof kan zich in grote mate verenigen met de bewijsconstructie van de rechtbank en zal deze hieronder grotendeels (letterlijk) overnemen. Op 27 juli 2018 was [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ) in zwembad Klarenbeek in Arnhem als badmeester aan het werk. Verdachte was in het zwembad aanwezig, evenals de broers [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1] ) en [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2] ) en [medeverdachte 3] (hierna: [medeverdachte 3] ). Rond sluitingstijd heeft [slachtoffer] onder andere [medeverdachte 1] verzocht het zwembad te verlaten. Tussen [medeverdachte 1] en [slachtoffer] is een discussie ontstaan. [slachtoffer] heeft verklaard dat hij, nadat hij een jongen in een lichtblauwe zwembroek vanwege een eerder incident waarbij zijn keel werd dichtgeknepen, wilde belette het zwembad te verlaten, samen met deze jongen op de grond belandde. Vervolgens voelde hij vanuit meerdere richtingen trappen tegen zijn hoofd, ook toen hij de jongen inmiddels niet meer vast had. Ook kreeg hij meerdere trappen tegen zijn lichaam. Verdachte heeft verklaard dat ze één of twee keer tegen de arm of schouder van [slachtoffer] heeft getrapt. [benadeelde] heeft verklaard dat hij zag dat zijn zoon ( [slachtoffer] ) bij de uitgang van het zwembad door drie personen meerdere malen werd geslagen tegen zijn hoofd en getrapt tegen zijn lichaam. Ook getuige [getuige 1] heeft verklaard dat ze zag dat meerdere personen op de badmeester aan het intrappen waren. Getuige [getuige 2] heeft verklaard dat ze zag dat [slachtoffer] op zijn gezicht en bovenlichaam werd geslagen en geschopt, dit ging door toen [slachtoffer] op de grond lag. [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] trapten meer dan tien keer met kracht tegen het lichaam van [slachtoffer] . Een meisje, dat getuige later herkende als verdachte, schopte meerdere keren tegen het achterhoofd van [slachtoffer] . Getuige [getuige 3] heeft verklaard dat zij zag dat de getinte jongen, die zij kent als [medeverdachte 3] , [slachtoffer] tegen zijn hoofd sloeg. Zij heeft ook gezien dat [slachtoffer] met de jongen met de lichtblauwe zwembroek op de grond lag. Deze jongen herkende zij later als [medeverdachte 2] . Toen [slachtoffer] op de grond lag, werd hij door [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] getrapt tegen zijn hoofd en zijn ribben. Verdachte trapte [slachtoffer] drie keer in zijn gezicht toen hij op de grond lag. Het hof is op basis van de hiervoor aangehaalde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte en in elk geval medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] gezamenlijk geweld tegen [slachtoffer] hebben gebruikt door hem tegen zijn lichaam en hoofd te trappen en te slaan. Tevens is gebleken dat verdachte een grotere rol in het geheel gespeeld dan ze zelf heeft verklaard. Aan verdachte wordt verweten dat zij en haar medeverdachten [slachtoffer] met schoenen aan tegen het hoofd hebben geschopt. Naar het oordeel van het hof is hiervan echter niet gebleken. Verdachte heeft verklaard dat ze slippers van het merk Birkenstock droeg. Die verklaring wordt bevestigd door getuige [getuige 3] . Ook [medeverdachte 3] heeft verklaard dat hij slippers droeg. Die verklaring wordt bevestigd door getuige Wiemer. De andersluidende verklaringen in het dossier acht het hof op dit punt onvoldoende aannemelijk. Die verklaringen zijn ook onvoldoende specifiek om op grond daarvan te oordelen dat [medeverdachte 1] wel schoenen droeg. Naar het oordeel van het hof doet het schoppen tegen het hoofd zonder schoenen aan of met (zachte of Birkenstock) slippers niet zonder meer de aanmerkelijke kans op overlijden ontstaan. Het dossier bevat geen specifieke informatie waaruit deze aanmerkelijke kans in dit geval wel blijkt. Verdachte zal daarom worden vrijgesproken van de tenlastegelegde poging tot doodslag. Het meerdere malen met meerdere personen tegen een kwetsbaar lichaamsdeel van [slachtoffer] -te weten het hoofd- schoppen en slaan terwijl [slachtoffer] op de grond lag, kan naar uiterlijke verschijningsvorm echter wel worden aangemerkt als zo zeer gericht op het veroorzaken van zwaar lichamelijk letsel, dat het niet anders kan zijn dan dat er een aanmerkelijke kans was dat dergelijk letsel zou ontstaan en dat verdachte en medeverdachten die aanmerkelijke kans ook hebben aanvaard. Verdachte moet immers, als ieder weldenkend mens, van de kwetsbaarheid van het hoofd op de hoogte zijn geweest. Het hof acht daarom wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het subsidiair tenlastegelegde (medeplegen van poging tot zware mishandeling) heeft begaan. Bewezenverklaring Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat: zij op of omstreeks 27 juli 2018 te Arnhem tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, -die [slachtoffer] naar de grond heeft/hebben getrokken, -(vervolgens) (terwijl die [slachtoffer] op de grond ligt) die [slachtoffer] meerdere malen met kracht (met geschoeide voet(en)) in/op/tegen het hoofd/gezicht en/of het (boven)lichaam heeft/hebben geschopt en/of getrapt, -meerdere malen met kracht in/op/tegen het hoofd/gezicht heeft/hebben geslagen en/of gestompt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid. Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Het subsidiair bewezenverklaarde levert op: medeplegen van poging tot zware mishandeling. Strafbaarheid van de verdachte Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn. Oplegging van straf en/of maatregel De advocaat-generaal heeft, uitgaande van een poging tot doodslag, gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren. Daarbij dienen de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering te worden opgelegd. Er is sprake van een overschrijding van de redelijke termijn. Aangezien deze overschrijding beperkt is, kan worden volstaan met de constatering daarvan, aldus de advocaat-generaal. De verdediging heeft erop gewezen dat verdachte ten tijde van het incident niet eerder voor een gewelddelict was veroordeeld. Verder dient, volgens de verdediging, rekening te worden gehouden met de ouderdom van het feit en de overschrijding van de redelijke termijn. Het hof heeft in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen en is van oordeel dat de hierna te melden strafoplegging in overeenstemming is met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van een poging tot zware mishandeling. Samen met anderen heeft zij onder andere tegen het hoofd van [slachtoffer] getrapt terwijl hij op de grond lag. Weliswaar werd verdachte geconfronteerd met een worsteling tussen [slachtoffer] en [medeverdachte 2] (haar toenmalige partner), maar dit rechtvaardigt geenszins het door verdachte en haar medeverdachten toegepaste geweld, welk geweld nog heeft voortgeduurd nadat de genoemde worsteling was afgelopen. Extra kwalijk acht het hof dat het geweld plaatsvond in een openbare gelegenheid, een zwembad, waarbij veel omstanders getuige waren van het geweld. De gebeurtenissen in het zwembad hebben tot grote onrust in de samenleving geleid. Het hof zal tot een lagere straf komen dan gevorderd door de advocaat-generaal, reeds omdat het van een andere bewezenverklaring uitgaat. Oriëntatiepunt voor een zware mishandeling door middel van het schoppen tegen het hoofd is een gevangenisstraf van zes maanden onvoorwaardelijk. Het hof slaat er enerzijds acht op dat het in deze zaak niet om het voltooide delict gaat, maar om een poging daartoe, maar anderzijds dat er sprake is van medeplegen. Het hof zal in het voordeel van verdachte rekening houden met haar jeugdige leeftijd en met haar toenmalige en met haar huidige persoonlijke omstandigheden, zoals zij die ter terechtzitting naar voren heeft gebracht. Gezien het voorgaande acht het hof de door de rechtbank opgelegde straf in beginsel passend. Echter, in de overschrijding van de redelijke termijn, ziet het hof aanleiding een zodanige straf op te leggen dat verdachte niet een verdere onvoorwaardelijke gevangenisstraf hoeft te ondergaan. Het hof zal verdachte om die redenen veroordelen tot een gevangenisstraf van 90 dagen, waarvan 72 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren, en daarnaast tot een taakstraf van 120 uren. Aan het voorwaardelijke strafdeel zullen de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden worden verbonden. Vordering van de benadeelde partij [benadeelde] De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 1.775,
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.