← Nederland

ECLI:NL:GHARL:2022:9798

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem afdeling civiel recht zaaknummer gerechtshof 200.315.698 (zaaknummer rechtbank Gelderland 406561) beschikking van 15 november 2022 inzake [verzoekster] , wonende te [woonplaats1] ,verzoekster in hoger beroep, verder te noemen: de moeder, advocaat: mr. V. de Roo te Rotterdam, en de gecertificeerde instelling Stichting Jeugdbescherming Gelderland, gevestigd te Arnhem, verweerster in hoger beroep, verder te noemen: de GI. Als overige belanghebbende is aangemerkt: [de vader] , wonende te [woonplaats2] , verder te noemen: de vader. 1Het geding in eerste aanleg Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Gelderland, locatie Zutphen, van 16 augustus 2022, uitgesproken onder voormeld zaaknummer, hierna te noemen: de bestreden beschikking. 2Het geding in hoger beroep 2.1 Het verloop van de procedure blijkt uit: het beroepschrift met producties, ingekomen op 8 september 2022; het verweerschrift van de GI met producties. 2.2 De mondelinge behandeling heeft op 13 oktober 2022 plaatsgevonden. Aanwezig waren: namens de moeder mr. L.H.E.M. Berendse-de Gruijl, als vervanger van mr. De Roo, twee vertegenwoordigers van de GI, De vader heeft zich voorafgaand aan de mondelinge behandeling afgemeld bij de GI. Hij heeft ook een email geschreven aan de GI, gedateerd 10 oktober 2022, die (de vertegenwoordiger van) de GI tijdens de mondelinge behandeling heeft voorgelezen. 3De feiten 3.1 De moeder en de vader zijn de ouders van [de minderjarige] , geboren [in]

  1. De ouders zijn gezamenlijk belast met het gezag over [de minderjarige] . [de minderjarige] woont bij de moeder. 3.2 Bij beschikking van 2 september 2021 heeft de kinderrechter [de minderjarige] , op verzoek van de raad, onder toezicht gesteld van de GI tot 2 september
  2. 4De omvang van het geschil 4.1 Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de kinderrechter de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] verlengd tot 2 september
  3. 4.2 De moeder is in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. De moeder verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en het verzoek van de GI alsnog af te wijzen. 4.3 De GI voert verweer, zij vraagt bekrachtiging van de bestreden beschikking. 4.4 De vader heeft (in zijn onder 2.2 aangehaalde email-bericht) laten weten dat hij het eens is met verlenging van de ondertoezichtstelling. 5De motivering van de beslissing 5.1 Ingevolge het bepaalde in artikel 1:260, eerste lid, in verband met artikel 1:255, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter de ondertoezichtstelling van een minderjarige verlengen met ten hoogste een jaar indien een minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en: a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, BW, in staat zijn te dragen. 5.2 De moeder kan zich met de bestreden beschikking niet verenigen en voert daartoe aan dat [de minderjarige] niet ernstig in haar ontwikkeling wordt bedreigd. [de minderjarige] ontwikkelt zich volgens de moeder juist goed. De moeder geeft [de minderjarige] toestemming om contact te hebben met de vader. Het is juist de vader die omgangsmomenten afzegt of [de minderjarige] niet komt ophalen, en daarmee de zorgregeling frustreert. In de zomer van 2022 hebben de vader en [de minderjarige] daardoor elf weken geen contact met elkaar gehad. De vader is volgens de moeder niet eerlijk in de redenen waarom hij de contactmomenten afzegt. De moeder heeft haar zorgen over de opvoedsituatie bij de vader meermaals neergelegd bij de GI, maar zij wordt door de GI niet gehoord. Mede hierdoor verloopt de samenwerking met de GI moeizaam. Als er wel contact is tussen de vader en [de minderjarige] , dan komt [de minderjarige] volgens de moeder verwaarloosd en vermoeid thuis. In de periode waarin geen uitvoering werd gegeven aan de zorgregeling maakte [de minderjarige] een positieve ontwikkeling door. 5.3 De GI voert aan dat het contact tussen de vader en [de minderjarige] pas sinds kort weer tot stand is gekomen. De relatie tussen de vader en [de minderjarige] staat onder druk en daarmee ook de identiteitsontwikkeling van [de minderjarige] . De moeder spreekt niet alleen regelmatig haar twijfels uit over de opvoedsituatie bij de vader, maar ook over zijn geestelijke gezondheid. Deze zorgen deelt de GI niet. De GI ziet wel dat ouders verschillen in stijl van opvoeden. Dat de omgang in de zomer stil is komen te liggen, ligt aan beslissingen van de moeder. De vader was die tijd bij zijn vader die ernstig ziek was en niet veel later ook overleed. De GI voert verder aan dat de moeder, anders dan zij stelt, onvoldoende openstaat voor hulpverlening. Zo heeft de moeder meerdere keren afgeslagen om deel te nemen aan de module Gezamenlijk Ouderschap van Curess. 5.4 Evenals de rechtbank en op dezelfde gronden als de rechtbank, die het hof na eigen onderzoek overneemt en tot de zijne maakt, is het hof van oordeel dat is voldaan aan de wettelijke vereisten voor het verlengen van de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] . Het hof voegt hier nog het volgende aan toe. 5.5 Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat de ouders inmiddels sinds enkele weken uitvoering geven aan de door de rechtbank vastgestelde en door dit hof op 30 augustus 2022 bekrachtigde zorgregeling. Het hof is het met de GI eens dat deze ontwikkeling, hoewel positief, nog wel zeer pril is. Daar komt bij dat de moeder, zoals de GI onweersproken heeft aangevoerd, pas toestemming voor uitvoering van deze zorgregeling heeft gegeven nadat oplegging van een dwangsom of zelfs een uithuisplaatsing van [de minderjarige] dreigde. De overdrachten vinden momenteel plaats op het kantoor van de GI, nadat bleek dat de moeder filmopnamen maakte van de overdrachten en de communicatie tussen ouders tijdens overdrachten zeer moeizaam verliep. Op het kantoor van de GI groeten de ouders elkaar, maar spreken zij nog niet over het verloop van de zorgregeling. Namens de moeder is aangevoerd dat zij in staat is om samen met de vader afspraken te maken over de invulling van de zorgregeling. Gelet op het gebrek aan communicatie en onderling vertrouwen acht het hof, met de GI, de ouders hier (nu nog) niet toe in staat. Zo blijft de moeder, ook terwijl uitvoering wordt gegeven aan de zorgregeling, herhalen dat zij geen vertrouwen heeft in de manier van opvoeden van de vader. Pas als er (een begin van) vertrouwen van de moeder in de vader is, is er een basis voor ouders om in onderling overleg afspraken te maken en naar [de minderjarige] uit te dragen dat zij samen haar ouders zijn. Het hof overweegt dat er op dit moment mogelijk bij [de minderjarige] nog geen zogenoemde ‘kindsignalen’ zichtbaar zijn. [de minderjarige] lijkt zich normaal te ontwikkelen, maar het hof maakt zich gezien de verstoorde relatie tussen de ouders wel ernstige zorgen over de identiteitsontwikkeling van [de minderjarige] . Onder deze omstandigheden is het hof, in tegenstelling tot de moeder, van oordeel dat [de minderjarige] nog steeds ernstig wordt bedreigd in haar ontwikkeling en dat dat aanleiding geeft voor een verlenging van de ondertoezichtstelling. 5.5 Het hof stelt tot slot vast dat mr. Berendse-de Gruijl tijdens de mondelinge behandeling namens de moeder heeft verklaard dat de moeder bereid is om deel te nemen aan de module Gezamenlijk Ouderschap van Curess, of een vergelijkbare ouderschapsmodule. Het hof vindt het in het belang van [de minderjarige] dat zowel de moeder als de vader zich hiervoor zullen inzetten. 6De slotsom Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen zal het hof de bestreden beschikking bekrachtigen. 7De beslissing Het hof, beschikkende in hoger beroep: bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Gelderland, locatie Zutphen, van 16 augustus
  4. Deze beschikking is gegeven door mrs. E. de Boer, R. Feunekes en I.G.M.T. Weijers-van der Marck, bijgestaan door mr. M. van Esveld als griffier, en is op 15 november 2022 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.