GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN locatie Arnhem nummer BK-ARN 21/00407 uitspraakdatum: 15 november 2022 Uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer op het hoger beroep van [belanghebbende] te [woonplaats] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 5 februari 2021, nummer UTR 20/586, in het geding tussen belanghebbende en de heffingsambtenaar van de gemeente Stichtse Vecht (hierna: de heffingsambtenaar) 1Ontstaan en loop van het geding 1.1. De heffingsambtenaar heeft ter zake van het in behandeling nemen van een aanvraag tot het verkrijgen van een omgevingsvergunning leges in rekening gebracht. 1.2. Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de heffingsambtenaar bij uitspraak op bezwaar het bedrag aan leges gehandhaafd. 1.3. Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank Midden-Nederland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. 1.4. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend. 1.5. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 oktober 2022. Daarbij zijn verschenen en gehoord belanghebbende, vergezeld door zijn echtgenote [naam1] en bijgestaan door [naam2] , alsmede namens de heffingsambtenaar, [naam3] en [naam4] , bijgestaan door [naam5] . Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat aan deze uitspraak is gehecht. 2Vaststaande feiten 2.1. Belanghebbende en zijn echtgenote, [naam1] , hebben eind 2017 een woonboerderij aan de [adres] te [woonplaats] gekocht (hierna: de woning). 2.2. Belanghebbende heeft in verband met de restauratie/herindeling van de woning op 18 april 2018 een omgevingsvergunning aangevraagd. Deze aanvraag is door het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Stichtse Vecht (hierna: het College of de gemeente) in behandeling genomen. 2.3. Tijdens de restauratie zijn volgens het College meerdere werkzaamheden verricht die buiten de gevraagde omgevingsvergunning vallen. 2.4. Aangezien belanghebbende volgens het College niet bereid was de aanvraag van de omgevingsvergunning aan te passen, heeft het College bij besluit van 4 oktober 2018 de omgevingsvergunning geweigerd. 2.5. Bij factuur van 17 oktober 2018 is met betrekking tot het in behandeling nemen van bedoelde aanvraag een legesbedrag van € 8.695 aan belanghebbende in rekening gebracht (hierna: de eerste legesaanslag). 2.6. Belanghebbende heeft beroep ingesteld omdat hij van mening was dat de omgevingsvergunning van rechtswege was verleend. Op 20 maart 2019 heeft hierover een zitting bij de Rechtbank plaatsgevonden. Tijdens de schorsing van en na deze zitting hebben belanghebbende en het College overleg gevoerd. 2.7. Belanghebbende heeft het beroep vervolgens ingetrokken. Het oorspronkelijke bouwplan is deels herzien. Volgens belanghebbende gaat het hierbij om: - de ‘schuur’ aan de linkerzijde die in het bouwplan als woning was bestemd, dient de bestemming ‘schuur’ te behouden; en - het toevoegen van een overzicht van de verdeling tussen het aantal m3 met betrekking tot de functie ‘wonen’ en het aantal m2 ten aanzien van de functie ‘bed & breakfast’ in het hoofdgebouw. 2.8. Op grond van het deels herziene bouwplan heeft belanghebbende op 9 juli 2019 een omgevingsvergunning aangevraagd. Op het aanvraagformulier heeft belanghebbende vermeld dat al eerder voor deze werkzaamheden een vergunning is aangevraagd. 2.9. Het College heeft deze aanvraag in behandeling genomen en heeft bij besluit van 31 juli 2019 de omgevingsvergunning verleend. 2.10. Bij factuur van 20 augustus 2019 is met betrekking tot het in behandeling nemen van de aanvraag een legesbedrag van € 9.980,50 (hierna: de tweede legesaanslag) aan belanghebbende in rekening gebracht, berekend als volgt: Artikel 2.1.1.a Wabo; activiteit bouwen € 9.108,75 Advieskosten Monumentencommissie (half uur) € 56,00 Welstandleges € 555,75 Artikel 2.1.1.c Wabo (incl. bouwen); afwijken bestemmingsplan binnenplans € 260,00 € 9.980,50 Hierbij is de heffingsambtenaar uitgegaan van een bedrag aan bouwkosten van € 242.900, welk bedrag is gebaseerd op het aantal kubieke meters vermenigvuldigd met kengetallen uit de taxatieboekjes van Vakmedianet. 3Geschil 3.1. In geschil is of de heffingsambtenaar terecht de tweede legesaanslag heeft opgelegd. Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend en de heffingsambtenaar bevestigend. 3.2. Bij bevestigende beantwoording is tussen partijen de hoogte van de verschuldigde leges in geschil. Belanghebbende berekent deze op € 2.500. De heffingsambtenaar berekent deze – conform de tweede legesaanslag – op € 9.980,50. 4Beoordeling van het geschil 4.1. De raad van de gemeente Stichtse Vecht heeft in de openbare raadsvergadering van 18 december 2018 de Verordening op de heffing en invordering van leges 2019 (hierna: de Verordening) met bijbehorende Tarieventabel (hierna: de Tarieventabel) vastgesteld. 4.2. Artikel 2, lid 1, aanhef en onderdeel a, van de Verordening, bepaalt dat onder de naam ‘leges’ rechten worden geheven voor het genot van door of vanwege het gemeentebestuur verstrekte diensten. 4.3. Artikel 5, lid 1, van de Verordening, bepaalt dat de leges worden geheven naar de maatstaven en tarieven, opgenomen in de Tarieventabel. 4.4. De Tarieventabel luidt, voor zover van belang, als volgt: “2.1.1.2 bouwkosten: De in dit hoofdstuk genoemde 'bouwkosten' worden afgeleid van de kubieke meters of oppervlakte vermenigvuldigd met, als uitgangspunt, de kengetallen uit de taxatieboekjes, uitgegeven door Vakmedianet. De uitkomsten vormen richtlijnen waarvan burgemeester en wethouders kunnen afwijken. (…). Hoofdstuk 3 Omgevingsvergunning 2.3 Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot het verlenen van een omgevingsvergunning (waaronder ook de 1e en 2e fase) voor een project: de som van de verschuldigde leges voor de verschillende activiteiten of handelingen waaruit het project geheel of gedeeltelijk bestaat en waarop de aanvraag betrekking heeft en de verschuldigde leges voor de extra toetsen die in verband met de aanvraag moeten worden uitgevoerd, berekend naar de tarieven en overeenkomstig het bepaalde in dit hoofdstuk en hoofdstuk 4 van deze titel. In afwijking van de vorige volzin kan ook per activiteit, handeling of andere grondslag een legesbedrag worden gevorderd. 2.3.1 Bouwactiviteiten 2.3.1.1 Indien de aanvraag tot het verlenen van een omgevingsvergunning betrekking heeft op een bouwactiviteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wabo, bedraagt het tarief, onverminderd het bepaalde in de andere onderdelen van dit hoofdstuk indien tevens sprake is van de in die onderdelen bedoelde activiteiten: (…) 2.3.1.1.4 indien de bouwkosten € 200.000 tot € 500.000 bedragen: 3,75% van de bouwkosten met een minimum van € 8.400” Aanvraag? 4.5. Belanghebbende heeft zich op het standpunt gesteld dat de heffingsambtenaar ten onrechte de tweede legesaanslag heeft opgelegd omdat er geen sprake is van een aanvraag. Volgens belanghebbende is het bouwplan in overleg met het College op twee ondergeschikte onderdelen aangepast, die bovendien niet zien op de vergunningplichtige onderdelen. Deze wijzigingen maken, mede in het licht van de schikkingsonderhandelingen die gevoerd zijn tijdens en na de zitting van de Rechtbank van 20 maart 2019, onderdeel uit van het oorspronkelijke bouwplan, waarvoor al de eerste legesaanslag is opgelegd. Partijen hebben nimmer voor ogen gehad om een geheel nieuwe aanvraag in te dienen, waarbij opnieuw leges zouden moeten worden betaald, aldus belanghebbende. Bovendien kan het hem niet worden verweten dat hij dit herziene bouwplan heeft ingediend door middel van een nieuwe aanvraag omdat hij gedwongen werd om dit in te dienen via het aanvraagsysteem (het zogenoemde OLO-systeem). Immers, de aangepaste tekeningen waren al aan het College toegezonden en door het College en de welstandscommissie beoordeeld; dus is er niets meer in behandeling genomen. Bovendien vraagt belanghebbende zich af waarom het OLO-systeem niet de mogelijkheid kent om stukken toe te voegen in een digitaal dossier waarin nog geen onherroepelijk besluit is genomen. Ook stelt belanghebbende dat de wijzigingen van dermate geringe omvang en aard zijn, dat ook om die reden geen sprake kan zijn van een nieuw belastbaar feit. 4.6. De heffingsambtenaar heeft hiertegen ingebracht dat de tweede legesaanslag terecht is opgelegd omdat er sprake is van een nieuwe aanvraag en daarmee van een nieuw belastbaar feit. Op 9 juli 2019 is volgens de heffingsambtenaar een nieuwe aanvraag omgevingsvergunning ingediend en zijn de wijzigingen niet als ondergeschikt aan het initiële bouwplan aan te merken. Belanghebbende had al in de eerdere procedure bij de Rechtbank, over de omgevingsvergunning, kunnen stellen dat de wijzigingen ondergeschikt zijn, te meer omdat hangende die beroepsprocedure duidelijk was dat de eerste aanvraag niet meer gewijzigd kon worden en er dus een nieuwe aanvraag zou moeten worden ingediend. Volgens de heffingsambtenaar is tijdens de mondelinge behandeling van het beroep bij de Rechtbank op 20 maart 2019 tegen de geweigerde omgevingsvergunning niet afgesproken dat de aanvraag van 18 april 2018 op ondergeschikte onderdelen zou worden aangepast. De verwerende ambtenaren hebben in de procedure tegen de geweigerde omgevingsvergunning in het kader van het zoeken naar een praktische oplossing in de vorm van een gewijzigd bouwplan, steeds gecommuniceerd dat het dossier van de eerste aanvraag is gesloten, aldus de heffingsambtenaar. Met betrekking tot het OLO-systeem merkt de heffingsambtenaar op dat er geen praktische problemen met dit systeem waren. De reden waarom belanghebbende de stukken in het OLO-systeem moest invoeren, is dat het dossier – na het besluit van 4 oktober 2018 waarin de omgevingsvergunning werd geweigerd – is gesloten. 4.7. Ingevolge artikel 2, lid 1, aanhef en onder a, van de Verordening in samenhang met de Tarieventabel, is het belastbare feit het in behandeling nemen van een aanvraag tot het verlenen van een omgevingsvergunning. Naar het oordeel van het Hof is er sprake van een aanvraag, waardoor het belastbare feit zich heeft voorgegaan. Hierbij heeft het Hof in aanmerking genomen dat op 9 juli 2019 een bouwvergunning is aangevraagd. Dat dit, zoals belanghebbende stelt, onder protest is gedaan, maakt voor het voorliggende geschil niet uit. De stelling van belanghebbende dat er sprake is van ondergeschikte wijzigingen is voor de beslechting van het onderhavige geschil niet van belang. Evenmin is van belang dat, zoals belanghebbende stelt, hij gedwongen was om stukken in het OLO-systeem in te voeren. Het gaat immers enkel om de vraag of er sprake is van een aanvraag. Hieraan voegt het Hof nog aan toe dat belanghebbende de procedure bij de Rechtbank inzake de omgevingsvergunning had kunnen voortzetten, maar ervoor heeft gekozen om dit niet te doen. In die procedure had mogelijk de vraag aan de orde kunnen komen of er al dan niet sprake is van ondergeschikte wijzigingen. Vertrouwensbeginsel 4.8. Volgens belanghebbende heeft de heffingsambtenaar het gerechtvaardigd vertrouwen gewekt dat er geen nieuwe aanvraag hoefde te worden ingediend, waarbij belanghebbende met name heeft verwezen naar hetgeen ter zitting van de Rechtbank op 20 maart 2019 is voorgevallen. Tijdens die zitting – en ook na de zitting – is vertrouwen gewekt dat het alleen om ondergeschikte wijzigingen zou gaan. Belanghebbende heeft in dit kader ook verwezen naar de e-mails van 28 mei 2019 en later. 4.9. De heffingsambtenaar heeft zich op het standpunt gesteld dat belanghebbende en het College tijdens en na de zitting van 20 maart 2019 overleg hebben gevoerd, welk overleg echter alleen betrekking heeft gehad op de omgevingsvergunning en niet op de daarbij behorende leges. Er is dan ook volgens de heffingsambtenaar geen toezegging gedaan dat er niet nogmaals leges zouden worden geheven. Verder is volgens de heffingsambtenaar tijdens de mondelinge behandeling van het beroep tegen de geweigerde omgevingsvergunning niet afgesproken dat de aanvraag van 18 april 2018 op ondergeschikte onderdelen zou worden aangepast. De verwerende ambtenaren hebben volgens de heffingsambtenaar in het kader van het zoeken naar een praktische oplossing in de vorm van een gewijzigd bouwplan, steeds gecommuniceerd dat het dossier van de eerste aanvraag is gesloten. 4.10. Het Hof is van oordeel dat belanghebbende, op wie de bewijslast rust, er niet in is geslaagd aannemelijk te maken dat er door de heffingsambtenaar vertrouwen is gewekt dat er geen (tweede) legesaanslag zou worden opgelegd. Hierbij heeft het Hof in aanmerking genomen dat (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.