← Nederland

ECLI:NL:GHARL:2022:9971

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN zittingsplaats Leeuwarden Zaaknummer : Wahv 200.314.601/01 CJIB-nummer : 227541519 Uitspraak d.d. : 21 november 2022 Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank MiddenNederland van 21 december 2020, betreffende [de betrokkene] (hierna: de betrokkene), wonende te [woonplaats] . De gemachtigde van de betrokkene is mr. M. Lagas, kantoorhoudende te Amsterdam. De beslissing van de kantonrechter De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard en het verzoek om een proceskostenvergoeding afgewezen. Het verloop van de procedure De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding. De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt. De beoordeling

  1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 95,- voor: “parkeren voor een in- en/of uitrit”. Deze gedraging zou zijn verricht op 4 april 2019 om 11:01 uur op de Lagune, ter hoogte van nummer 67, in Lelystad met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
  2. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat ter plaatse geen sprake is van een in- of uitrit. Ter onderbouwing zijn foto’s overgelegd van de situatie ter plaatse. Hierop is te zien dat voor de woning op nummer 67 geen parkeerplaats is aangelegd, maar een voortuin. Dit is voor de gemiddelde weggebruiker niet duidelijk herkenbaar als een in- of uitrit. Men hoeft hieruit namelijk geen voertuig te verwachten. Aldus kan niet worden vastgesteld dat de gedraging is verricht.
  3. De onderhavige gedraging betreft een overtreding van artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens
  4. Hier is bepaald dat de bestuurder zijn voertuig niet mag parkeren voor een inrit of een uitrit.
  5. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht houdt zakelijk weergegeven onder meer in dat de ambtenaar heeft geconstateerd dat het voertuig van de betrokkene op voormelde datum, tijd en plaats stond geparkeerd voor een in- of uitrit.
  6. Verder bevat het dossier de foto’s die door de ambtenaar ter plaatse zijn gemaakt, alsmede de foto’s die door de gemachtigde zijn overgelegd. Op deze foto’s is te zien dat ter plaatse sprake is van een straat met woningen. Over de gehele lengte van deze straat bevinden zich inritblokken tussen de rijbaan en het trottoir. Voor de meeste woningen is een oprit aangelegd. Voor de woning op nummer 67 bevindt zich echter slechts een voortuin met een pad naar de voordeur. Het voertuig van de betrokkene stond deels voor de ingang van het pad naar de voordeur en grotendeels voor de woning op nummer
  7. Om vast te kunnen stellen dat de onderhavige gedraging is verricht, moet vast komen te staan dat op de locatie waar het voertuig van de betrokkene stond geparkeerd sprake is van een in- of uitrit. De begrippen in- en uitrit zijn in de regelgeving niet gedefinieerd, omdat de veelheid van feitelijke situaties zich lastig in een definitie laat vangen. Voor de beantwoording van de vraag of sprake is van een in- of uitrit, is daarom van belang of van iedere verkeersdeelnemer ter plaatse mag worden verwacht dat hij een uitmonding op duidelijk herkenbare wijze als in- of uitrit kan herkennen. Daarbij speelt de bestemming van de uitmonding (bijvoorbeeld de toegang tot een erf van een woning of bedrijfsunit) en de constructie van de uitmondingsituatie een belangrijke rol.
  8. Naar het oordeel van het hof is in dit geval geen sprake van een uitmonding die door iedere verkeersdeelnemer duidelijk kan worden herkend als een in- of uitrit. In dit geval is sprake van een uitmonding van een pad naar de voordeur. Hieruit hoeft men geen rijdende verkeersdeelnemers te verwachten. Daarmee is niet komen vast te staan dat sprake is van een in- of uitrit. Aldus kan niet worden vastgesteld dat de gedraging is verricht. De inleidende beschikking kan dan ook niet in stand blijven.
  9. De proceskosten komen voor vergoeding in aanmerking. Aan het indienen van het administratief beroepschrift, het beroepschrift bij de kantonrechter en het hoger beroepschrift dienen in totaal drie punten te worden toegekend. Het hof zal, met toepassing van artikel 2, derde lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht, voor het telefonisch horen in administratief beroep een half punt toekennen. De waarde per punt bedraagt voor het administratief beroep € 541,- en voor het (hoger) beroep € 759,-. Gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 1.164,75 (1,5 x € 541,- x 0,5 + 2 x € 759,- x 0,5) De beslissing Het gerechtshof: vernietigt de beslissing van de kantonrechter; verklaart het beroep gegrond; vernietigt de beslissing van de officier van justitie, alsmede de beschikking waarbij onder voormeld CJIB-nummer de administratieve sanctie is opgelegd; bepaalt dat hetgeen door de betrokkene op de voet van artikel 11 van de Wahv tot zekerheid is gesteld door de advocaat-generaal wordt gerestitueerd; veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene tot een bedrag van € 1.164,
  10. Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Starreveld als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.