GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Leeuwarden, afdeling civiel zaaknummer gerechtshof 200.305.952 zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 203645 arrest van 14 februari 2023 in de zaak van [appellant] h.o.d.n. [naam1] wonende en zaakdoende te [woonplaats1] die hoger beroep heeft ingesteld en bij de rechtbank optrad als eiser in conventie en verweerder in reconventie hierna [appellant] te noemen advocaat mr. E.Tj. van Dalen tegen [geïntimeerde] die woont in [woonplaats2] en bij de rechtbank optrad als gedaagde in conventie en eiseres in reconventie hierna [geïntimeerde] te noemen advocaat mr. J. Faas. 1Het verloop van de procedure in hoger beroep 1.1 [appellant] heeft hoger beroep ingesteld tegen de vonnissen die de rechtbank in de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Groningen, op 31 maart 2021 en 17 november 2021 tussen partijen heeft uitgesproken. Het procesverloop in hoger beroep blijkt uit: de dagvaarding in hoger beroep de memorie van grieven de memorie van antwoord het tussenarrest van 30 augustus 2022 waarin een mondelinge behandeling is bepaald het verslag (proces-verbaal) van de mondelinge behandeling die op 13 januari 2023 is gehouden. 1.2 Hierna hebben partijen het hof gevraagd opnieuw arrest te wijzen. 2De kern van de zaak 2.1 Dit geschil gaat over de financiële afwikkeling van een samenwerkingsverband dat partijen in de periode van november 2012 tot en met september 2015 hebben gehad. Partijen menen uit die samenwerking over en weer geldvorderingen op elkaar te hebben. 2.2 De rechtbank heeft de vorderingen allemaal afgewezen. [appellant] is in hoger beroep gekomen van de afwijzing van zijn vorderingen. [geïntimeerde] heeft zich erbij neergelegd dat haar vorderingen zijn afgewezen. Het hof komt tot het oordeel dat een beperkt deel van de vorderingen van [appellant] wel toewijsbaar is. Het beroep dat [geïntimeerde] voor dat geval heeft gedaan op verrekening met haar vorderingen wordt afgewezen. Hoe het hof tot die oordelen komt zal hieronder worden uiteengezet, waarbij eerst het feitelijk kader van de zaak zal worden geschetst. 3De feiten 3.1 [geïntimeerde] exploiteerde een eerstelijns psychologenpraktijk onder de naam “ [naam2] ” (hierna: [naam2] ). [appellant] had als klinisch psycholoog een eigen praktijk in de tweedelijns psychologische hulpverlening. 3.2 In november 2012 zijn partijen met elkaar gaan samenwerken op basis van een schriftelijk vastgelegde “Samenwerkingsovereenkomst”. Daarin was vastgelegd dat partijen over en weer cliënten naar elkaar zouden verwijzen. Verder zou [appellant] werkzaamheden verrichten voor [naam2] . Over de financiële kant van de samenwerking was afgesproken dat [naam2] 10% zou ontvangen van de betalingen die aan [appellant] zouden worden gedaan in DBC’s [hof: Diagnose Behandel Combinatie] van patiënten die door [naam2] naar [appellant] waren verwezen. [appellant] zou 10% ontvangen van betalingen in de DBC’s die bij [naam2] op zijn naam zouden komen te staan. Daarnaast zou [naam2] [appellant] betalen voor zijn werkzaamheden verricht in die DBC’s op zijn naam “zoals overleg, supervisie, werkbegeleiding en praktijkbegeleiding”. Over de vastlegging van die werkzaamheden was in de overeenkomst bepaald: “De heer [appellant] zal zijn behandelingen in DBC’s bijhouden in het administratiesysteem van [naam2] , indien [naam2] de DBC’s declareert”. 3.3 Partijen hebben nimmer uitvoering gegeven aan de betaling over en weer van 10% in de DBC’s. In juli 2013 hebben zij hun afspraken gewijzigd, in die zin dat die 10% afspraak is komen te vervallen. In plaats daarvan zou [appellant] naast zijn werkzaamheden in DBC’s bij [naam2] die op zijn naam stonden, ook betaald worden voor opleidingswerkzaamheden bij [naam2] . Voor die werkzaamheden kon door [naam2] geen vergoeding worden verkregen binnen een DBC. In een mail van 19 september 2013 schrijft [appellant] over die opleidingswerkzaamheden dat het naar zijn verwachting “steeds rond de zes uur per maand [zal] gaan”. 3.4 [appellant] was gedurende de samenwerking twee vaste dagen aanwezig in de praktijk van [naam2] (maandag en dinsdag). Als opleider was zijn aanwezigheid in de praktijk voor tenminste twee dagen ook een vereiste. [appellant] heeft zijn werkzaamheden voor [naam2] nooit werkzaamheden vastgelegd in het administratiesysteem van [naam2] . 3.5 In een brief van 18 juni 2015 heeft [geïntimeerde] de samenwerking met [appellant] opgezegd met inachtneming van een opzegtermijn van drie maanden. Bij die beëindiging heeft [appellant] zich neergelegd. 3.6 In een brief gedateerd 13 juni 2015 (maar meer waarschijnlijk van 14 juli 2015) heeft (de toenmalige advocaat van) [appellant] op grond van de samenwerkingsovereenkomst aanspraak gemaakt bij [geïntimeerde] op betaling voor zijn werkzaamheden verricht ten behoeve van [naam2] . Die aanspraak heeft [geïntimeerde] afgewezen. Zij heeft aan [appellant] in het geheel niets betaald. 4De vorderingen van [appellant] in hoger beroep4.1 [appellant] vordert in hoger beroep, na wijziging van eis, vernietiging van de vonnissen van de rechtbank van 31 maart 2021 en 17 november 2021 en, samengevat, veroordeling van [geïntimeerde] tot:i.) betaling van € 164.736,-, te vermeerderen met € 104.736,- aan wettelijke handelsrente over de periode van 15 september 2015 tot en met 31 juli 2020 en met de wettelijke handelsrente vanaf 1 augustus 2020;ii.) betaling van € 12.893,26, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf 15 september 2015;iii.) het ter beschikking stellen aan [appellant] van de facturen die [geïntimeerde] in de periode van 2012 tot 1 januari 2018 met behulp van de AGB-codes van [appellant] aan zorgverzekeraars heeft gefactureerd en de jaarcijfers van de praktijk van [geïntimeerde] over de periode van 2012 tot 2018, op verbeurte van een dwangsom;iv.) betaling van € 2.963,15 aan buitengerechtelijke kosten;v.) betaling van de proceskosten in beide instanties. 4.2 Deze vorderingen komen overeen met de vorderingen die [appellant] had ingesteld bij de rechtbank. Alleen de vordering op grond van artikel 843a Rv. (de vordering sub iv.) is aangepast; in hoger beroep wordt van nog weer wat meer stukken de afgifte gevorderd. 4.3 [appellant] heeft zijn bezwaren tegen de afwijzing van zijn vorderingen door de rechtbank vervat in vijf grieven. Die grieven strekken tot een nieuwe beoordeling van zijn vorderingen.Tegen de aanpassing van de vordering sub iv.) heeft [geïntimeerde] geen bezwaar gemaakt en ook ambtshalve bestaat daartegen geen bezwaar, zodat zal worden beslist op de vorderingen zoals die in hoger beroep zijn voorgelegd. 5De beoordeling 5.1 [appellant] is niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep tegen het vonnis van 31 maart 2021.Dat betreft een vonnis waarin alleen een mondelinge behandeling is bepaald. Tegen een dergelijk vonnis staat op grond van artikel 131 Rv. geen hoger beroep open. De vordering tot betaling van € 164.736,- te vermeerderen met wettelijke handelsrente 5.2 Volgens [appellant] werkte hij gemiddeld wekelijks 16 uur in de praktijk, waarvan hij naar zijn schatting 40% besteedde aan eigen DBC’s die door hemzelf werden gedeclareerd. Afgesproken was dat hij zijn werkzaamheden voor [naam2] zou verrichten tegen een uurtarief van € 120,-. Wekelijks had hij daarom aanspraak op betaling van 60% van 16 x € 120,-. Die werkzaamheden hield hij op papier bij en wekelijks verstrekte hij een overzicht daarvan aan [geïntimeerde] . 5.3 [geïntimeerde] betwist dat [appellant] 60% van zijn tijd bij [naam2] besteedde aan werkzaamheden ten behoeve van [naam2] . Zij had daar geen zicht op. Omdat [appellant] geen werkzaamheden heeft vastgelegd in het administratiesysteem van [naam2] heeft zij ook geen werkzaamheden van hem gedeclareerd bij zorgverzekeraars en daarvoor dus ook geen vergoeding ontvangen. [geïntimeerde] betwist dat [appellant] haar wekelijkse overzichten verstrekte van zijn werkzaamheden voor haar praktijk; zij heeft nooit overzichten van hem ontvangen. Verder betwist zij dat een uurtarief van € 120,- was afgesproken. Volgens haar was geen afspraak gemaakt en komt een uurtarief gemiddeld genomen uit op ongeveer € 100,-. 5.4 Het hof stelt voorop dat op [appellant] de stelplicht en bewijslast rusten van zijn stelling dat hij op de dagen dat hij in de praktijk aanwezig was gemiddeld 60% van zijn tijd besteedde aan werkzaamheden voor [naam2] . Ook in hoger beroep heeft [appellant] die stelling echter onvoldoende onderbouwd. Hij heeft niets overgelegd waaruit kan blijken dat hij werkzaamheden heeft verricht in DBC’s die bij [naam2] op zijn naam stonden. Tijdens de mondelinge behandeling heeft hij bevestigd dat uit een door [geïntimeerde] overgelegd overzicht van urenregistraties van werkzaamheden verricht in DBC’s op zijn naam, ook niet blijkt van enige verrichting daarin door hem zelf. Hij heeft van zijn werkzaamheden verder ook geen (voldoende bepaald en gespecificeerd) bewijs aangeboden. Een door hem tijdens de mondelinge behandeling nog gedaan aanbod om te bewijzen dat hij overzichten van zijn werkzaamheden verstrekte aan [geïntimeerde] heeft hij later tijdens de zitting weer ingetrokken. 5.5 In die situatie moet het er voor worden gehouden dat [appellant] geen werkzaamheden heeft verricht voor [naam2] in DBC’s die op zijn naam stonden (en door [naam2] werden gedeclareerd). Aanspraak op betaling heeft hij dan niet. In dat verband wordt terzijde nog opgemerkt dat het ook bevreemdt dat als [appellant] daadwerkelijk aanspraak zou hebben gehad op betalingen door [geïntimeerde] (in een omvang als door hem gevorderd), uit niets blijkt dat hij in de periode van de samenwerking op enig moment bij [geïntimeerde] heeft aangedrongen op betaling. Pas ten tijde van de opzegging is hij daar aanspraak op gaan maken. Een plausibele verklaring hiervoor heeft [appellant] niet kunnen geven. 5.6 Blijft over dat niet in geschil is dat [appellant] tijd heeft gestoken in opleidingswerkzaamheden, die niet in de DBC’s verantwoord konden worden. Wel is onduidelijk om hoeveel uren het gaat. In zijn e-mail van 19 september 2013 heeft [appellant] het zelf over rond de zes uur per maand. Een registratie daarvan heeft hij echter niet overgelegd, ondanks dat hij in die e-mail schrijft: “na de vakantie hou ik het bij”. [geïntimeerde] betwist dat [appellant] zoveel tijd heeft gestoken in opleiding. Volgens haar schoot [geïntimeerde] in zijn verplichtingen als opleider juist tekort. Zij heeft daarbij verwezen naar een verklaring van iemand die bij [appellant] in opleiding was en daarover verklaart: “De afspraak was 1 keer 1 uur praktijkopleiding per twee weken te krijgen en 1 keer 1 uur werkbegeleiding per twee weken. In mijn herinnering gingen in de praktijk die uren regelmatig niet door omdat ze dan afgezegd werden door [appellant] .” Gelet op een en ander zal het hof de aanspraak van [appellant] op vergoeding voor opleidingsuren bepalen op basis van 3 uur per maand, de helft van het door hemzelf gestelde aantal. Daarbij zal worden gerekend met een uurtarief van € 120,-. Weliswaar is niet gebleken dat dit tarief is overeengekomen, maar onweersproken is dat [geïntimeerde] in de minnelijke fase van dit geschil nog een aanbod tot betaling aan [appellant] heeft gedaan op basis van dat uurtarief. Als periode zal worden aangehouden de periode van juli 2013 tot en met september
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.