← Nederland

ECLI:NL:GHARL:2023:1714

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN zittingsplaats Leeuwarden Zaaknummer : Wahv 200.310.076/01 CJIB-nummer : 236166943 Uitspraak d.d. : 28 februari 2023 Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Gelderland van 5 april 2022, betreffende [de betrokkene] (hierna: de betrokkene), wonende te [woonplaats] . De gemachtigde van de betrokkene is mr. I.N.D.J. Rissema, kantoorhoudende te Dordrecht. De beslissing van de kantonrechter De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen. Het verloop van de procedure De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding. De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt. De beoordeling

  1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 240,- voor: “van rijstrook wisselen zonder het andere verkeer voor te laten gaan”. Deze gedraging zou zijn verricht op 4 september 2020 om 21:08 uur op de A50 knooppunt Valburg in Valburg met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
  2. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat de gedraging op grond van de beschikbare gegevens niet kan worden vastgesteld. De verklaring van de ambtenaar houdt namelijk in dat de betrokkene een ander voertuig links heeft ingehaald. Artikel 11 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (hierna: RVV 1990) schrijft nu juist voor dat inhalen links geschiedt, zodat het voorlaten van het andere voertuig in dit geval niet aan de orde is.
  3. In het proces-verbaal van Wet Mulder d.d. 19 februari 2021 is onder meer als verklaring van de betrokken ambtenaar opgenomen - zakelijk weergegeven -: Op 4 september 2020 om 21:08 uur reed ik op de autosnelweg A50 bij knooppunt Valburg. Ik zag toen dat een bestuurder van een Porsche Boxster, voorzien van het kenteken [kenteken] , met een veel hogere snelheid reed dan de ter plaatse toegestane snelheid van 130 km/h, een witte bestelauto inhaalde en vlak voor die bestelauto naar rechts ging. Ik zag dat de bestuurder van die bestelauto fors moest remmen om een aanrijding te voorkomen.
  4. De betrokken ambtenaar heeft de door hem waargenomen inhaalmanoeuvre van de bestuurder van het voertuig gekwalificeerd als een gedraging in strijd met artikel 54 van het RVV
  5. Artikel 54 van het RVV 1990 luidt: “Bestuurders die een bijzondere manoeuvre uitvoeren, zoals (…) van rijstrook wisselen, moeten het overige verkeer voor laten gaan.”
  6. Het hof stelt vast dat de bestuurder van het voertuig niet - zoals de gemachtigde kennelijk meent - de schending van de gedragsregel dat links wordt ingehaald wordt verweten, doch de betreffende bestuurder wordt het verwijt gemaakt dat deze bij het wisselen van rijstrook ná het verrichten van een inhaalmanoeuvre het overige verkeer niet voor heeft laten gaan. Een bestuurder die na het verrichten van een inhaalmanoeuvre terugkeert naar de rechter rijstrook dient dat op een zodanige wijze te doen dat zich op die rijstrook bevindend verkeer daarbij niet wordt gehinderd. Uit de omstandigheid dat de bestuurder van de bestelauto die werd ingehaald krachtig moest remmen teneinde een aanrijding te voorkomen, blijkt in dit geval genoegzaam dat de bestuurder van het voertuig van de betrokkene het overige verkeer niet voor heeft laten gaan. De gedraging kan derhalve op grond van de inhoud van de verklaring van de ambtenaar worden vastgesteld.
  7. De gemachtigde van de betrokkene voert daarnaast aan dat de sanctie ten onrechte met toepassing van artikel 5 van de Wahv aan de betrokkene als kentekenhouder is opgelegd. De ambtenaar geeft in het zaakoverzicht aan: “Ik was in eigen tijd; eigen auto; in burger.” De officier van justitie vond deze verklaring te summier ter onderbouwing van de mededeling dat niet tot staandehouding van de betrokken bestuurder is overgegaan en heeft de ambtenaar om nadere uitleg verzocht. Deze verklaart vervolgens: “Ik was in eigen tijd, reed in mijn eigen auto en was gekleed in burger.” Een herhaling van de aanvankelijk te summier geachte verklaring kan de conclusie dat de staandehouding niet reëel mogelijk was dan niet rechtvaardigen, aldus de gemachtigde.
  8. Uit artikel 5 van de Wahv volgt het uitgangspunt dat wanneer een gedraging wordt geconstateerd, de ambtenaar de bestuurder staande houdt en zijn identiteit vaststelt, zodat hem een sanctie kan worden opgelegd. Slechts wanneer er geen reële mogelijkheid is geweest om de identiteit van de bestuurder vast te stellen, mag de sanctie aan de kentekenhouder worden opgelegd.
  9. De verklaring van de ambtenaar, zoals hiervoor weergegeven, houdt in dat de ambtenaar in burger in een privévoertuig reed. Dit houdt doorgaans in dat middelen tot staandehouding, zoals een stoptransparant, niet voorhanden zijn. Dit kan onder omstandigheden op zichzelf genomen reeds voldoende grond zijn voor het oordeel dat zich geen reële mogelijkheid tot staandehouding heeft voorgedaan. Het hof neemt hierbij echter tevens in aanmerking dat de gedraging is vastgesteld op de A50, een autosnelweg, en dat de gedraging werd verricht met een Porsche Boxster, een sportwagen, die met een veel hogere snelheid reed dan de ter plaatse toegestane maximumsnelheid van 130 km per uur. Dit betekent dat kan worden vastgesteld dat terecht aan de betrokkene als kentekenhouder een sanctie is opgelegd. Anders dan de gemachtigde meent, komt aan de omstandigheid dat de officier van justitie op dit punt om een nadere toelichting heeft verzocht geen betekenis toe.
  10. Gelet op het voorgaande zal het hof de beslissing van de kantonrechter bevestigen.
  11. Nu de betrokkene niet in het gelijk wordt gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen. De beslissing Het gerechtshof: bevestigt de beslissing van de kantonrechter; wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af. Dit arrest is gewezen door mr. Beswerda, in tegenwoordigheid van mr. Pullens als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.