GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem afdeling civiel recht zaaknummer gerechtshof 200.321.198 (zaaknummer rechtbank 403771) beschikking van 7 maart 2023 inzake [verzoekster] , wonende te [woonplaats1] , verzoekster in hoger beroep, verder te noemen: de moeder, advocaat: mr. F. Pool te Rotterdam en de gecertificeerde instelling de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering, gevestigd te Amsterdam, verweerster in hoger beroep, verder te noemen: de GI. Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt: [de pleegouders] , wonende te [woonplaats2] , verder te noemen: de pleegouders. 1Het geding in eerste aanleg Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Gelderland, locatie Zutphen, van 27 oktober 2022, uitgesproken onder voormeld zaaknummer. Het hof zal deze beschikking hierna noemen: de bestreden beschikking. 2Het geding in hoger beroep 2.1 Het verloop van de procedure blijkt uit: het beroepschrift met producties, ingekomen op 10 januari 2023; het verweerschrift met producties, en een journaalbericht van mr. F. Pool van 3 februari 2023 met productie. 2.2 De mondelinge behandeling heeft op 7 februari 2023 plaatsgevonden. Hierbij waren aanwezig: de moeder, bijgestaan door mr. M.S. Krol, waarnemend voor mr. F. Pool; een vertegenwoordiger van de GI; de pleegmoeder; een pleegzorgmedewerker; de mentor van de moeder en de ambulant begeleidster van de moeder. De raad voor de kinderbescherming is niet verschenen. 3De feiten 3.1 Uit de inmiddels beëindigde relatie van de moeder en [de vader] (hierna te noemen: de vader) zijn geboren: [de minderjarige1] , geboren [in] 2012 te [woonplaats1] , hierna te noemen: [de minderjarige1] , en [de minderjarige2] , geboren [in] 2013 te [woonplaats1] , hierna te noemen: [de minderjarige2] . De moeder is alleen belast met het gezag over [de minderjarige1] en [de minderjarige2] . 3.2 Bij beschikking van 2 juli 2019 heeft de kinderrechter in de rechtbank Gelderland [de minderjarige1] en [de minderjarige2] onder toezicht gesteld tot 2 juli 2020, welke termijn voor het laatst is verlengd bij beschikking van 8 juni 2021 tot 2 juli
- 3.3 Bij beschikking van 22 november 2019 heeft de kinderrechter de GI met een spoedmachtiging gemachtigd [de minderjarige1] en [de minderjarige2] uit huis te plaatsen. Deze spoedmachtiging is gevolgd door een machtiging tot uithuisplaatsing voor de duur van vier maanden, tot 10 maart
- Bij beschikking van 30 juni 2020 is de machtiging tot uithuisplaatsing verlengd tot 2 juli
- 3.4 [de minderjarige1] verblijft bij het [naam1] van [naam2] en [de minderjarige2] verblijft in een pleeggezin. 4De omvang van het geschil 4.1 Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing verlengd voor de duur van de ondertoezichtstelling, dat is tot 2 juli
- 4.2 De moeder is met één grief in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. De grief ziet op de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige2] . De moeder verzoekt - zo begrijpt het hof - de bestreden beschikking te vernietigen voor wat betreft de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige2] , althans te bepalen dat moet worden toegewerkt naar een terugplaatsing van [de minderjarige2] . De moeder vraagt het hof op grond van artikel 810a lid 2 Rv een contra-expertise te laten plaatsvinden. 4.3 De GI voert verweer en vraagt het hof de bestreden beschikking te bekrachtigen en de verzoeken van de moeder af te wijzen. 5De motivering van de beslissing 5.1 De moeder is het niet eens met de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige2] . Zij vindt dat de belangen van [de minderjarige2] ook met een minder ingrijpende maatregel beschermd kunnen worden. De moeder is voldoende leerbaar en met inzet van de juiste hulpverlening in staat om [de minderjarige2] weer zelf te verzorgen. De moeder stelt ook dat de beoordelingsboog niet op de juiste manier is ingezet, waardoor de uitkomst niet klopt. Nader onderzoek zal volgens de moeder tot een andere beslissing in de zaak leiden en het belang van [de minderjarige2] is dat er goed onderzoek wordt gedaan. Observaties in het kader van dat onderzoek zijn voor [de minderjarige2] niet belastend. 5.2 De GI is het niet eens met het verzoek van de moeder. De gronden voor de uithuisplaatsing zijn volgens de GI nog steeds aanwezig. De uithuisplaatsing van [de minderjarige2] heeft als doel het creëren van een stabiele opvoedsituatie met duidelijkheid, voorspelbaarheid en rust. De moeder is onvoldoende in staat om die stabiele opvoedsituatie zelf te realiseren. Zij is onvoorspelbaar in haar gedrag en onbetrouwbaar in het nakomen van afspraken. De GI staat achter de conclusie van de beoordelingsboog. De moeder heeft in de periode na de uitkomst van de beoordelingsboog de hierin genoemde patronen, onder andere het uit contact treden, niet kunnen doorbreken, ondanks de inzet van hulpverlening. Een nieuw onderzoek zal volgens de GI dan ook niet tot een andere conclusie leiden. Bovendien zal dit veel stress en onduidelijkheid bij [de minderjarige2] veroorzaken. Ten aanzien van de uithuisplaatsing 5.3 Ingevolge artikel 1:265b, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter de GI, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid. Ingevolge artikel 1:265c lid 2 BW kan de kinderrechter op verzoek van de gecertificeerde instelling, de raad of het openbaar ministerie de duur van de machtiging tot uithuisplaatsing telkens met ten hoogste een jaar verlengen. 5.4 Het hof is van oordeel dat de gronden voor de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige2] nog aanwezig zijn en legt hierna uit waarom. 5.5 [de minderjarige2] heeft een laag zelfbeeld, zij kan moeilijk met kritiek en grenzen omgaan en heeft een sterke behoefte aan controle. Deze gedragingen zijn passend bij een traumatische ervaring. [de minderjarige2] krijgt hiervoor traumatherapie in de vorm van EMDR bij Accare. [de minderjarige2] is gebaat bij duidelijkheid. Het lukt de moeder onvoldoende om consequent en betrouwbaar te zijn voor [de minderjarige2] . Zo heeft zij de omgangsmomenten met [de minderjarige2] in december en januari afgezegd. [de minderjarige2] heeft hiervan last. De pleegmoeder heeft verklaard dat [de minderjarige2] in die periode meer boze buien heeft (gehad). De moeder heeft tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep verklaard dat zij voor de terugplaatsing van [de minderjarige2] mogelijk diverse vormen van hulp nodig heeft. Er zal opvoedondersteuning en videohometraining ingezet moeten worden en daarna kan bekeken worden of er nog meer nodig is. De verklaring van de moeder bevestigt dat op dit moment niet duidelijk is of [de minderjarige2] veilig bij de moeder kan wonen. De moeder is voor de hulpverlening wisselend bereikbaar en treedt geregeld geheel uit contact. Er is onvoldoende vertrouwen dat de moeder zich volledig zal inzetten voor een intensief hulpverleningstraject. Gelet op de kwetsbaarheid van [de minderjarige2] en haar sterke behoefte aan duidelijkheid en consequent gedrag acht het hof een thuisplaatsing op dit moment niet aan de orde. Het hof is van oordeel dat bij het uitblijven van de verzochte verlenging de continuïteit en veiligheid in de dagelijkse verzorging en opvoeding van [de minderjarige2] niet is gewaarborgd, daarom is een verlenging van de uithuisplaatsing noodzakelijk. Ten aanzien van het verzoek om een contra-expertise 810a Rv 5.6 In artikel 810a lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is bepaald dat in zaken betreffende de ondertoezichtstelling van minderjarigen, de rechter op verzoek van een ouder en na overleg met die ouder een deskundige benoemt, mits dat mede tot beslissing van de zaak kan leiden en het belang van het kind zich daartegen niet verzet. Een voldoende concreet en ter zake dienend verzoek tot toepassing van artikel 810a lid 2 Rv, bevat feiten en omstandigheden die zich lenen voor een onderzoek door een deskundige. Een dergelijk verzoek zal in beginsel moeten worden toegewezen indien de rechter geen feiten of omstandigheden aanwezig oordeelt op grond waarvan moet worden aangenomen dat toewijzing van het verzoek strijdig is met het belang van het kind. 5.7 Het hof zal het verzoek van de moeder om een contra-expertise te gelasten afwijzen. De door de moeder geformuleerde onderzoeksvragen richten zich op de beoordelingsboog en het perspectief van [de minderjarige2] . Deze kwesties liggen nu niet aan het hof voor, want het hoger beroep gaat over de vraag of de gronden voor de machtiging tot uithuisplaatsing nog aanwezig zijn. Het door de moeder verzochte onderzoek kan dus niet - mede - tot de beslissing van deze zaak leiden. 6De slotsom Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen dient het hof de bestreden beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, te bekrachtigen. 7De beslissing Het hof, beschikkende in hoger beroep: bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Gelderland van 27 oktober 2022 voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen; verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad. Deze beschikking is gegeven door mrs. J.B. de Groot, S. Kuijpers en I.J. Pieters, bijgestaan door mr. K.E. Vaartjes- de Wit als griffier, en is op 7 maart 2023 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.