Afdeling strafrecht Parketnummer: 21-002801-22 Uitspraak d.d.: 10 maart 2023 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, van 5 juli 2022 met parketnummer 08-064647-22 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] (Albanië) op [geboorte dag] 1992, ten tijde van het onderzoek ter terechtzitting d.d. 24 februari 2024 verblijvende in het huis van bewaring te [plaats] , thans zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland. Het hoger beroep De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 24 februari 2023 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr. A.J. Admiraal, naar voren is gebracht. Het vonnis waarvan beroep De rechtbank heeft verdachte ter zake van (de eendaadse samenloop van): het opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod, het opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod en het opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren met aftrek van het voorarrest. Daarnaast heeft de rechtbank een auto van het merk Opel en een telefoon van het merk Samsung onttrokken aan het verkeer. Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere bewijsbeslissing komt en daarom opnieuw recht doen. De tenlastelegging Aan verdachte is tenlastegelegd dat: 1.Hij op of omstreeks 14 maart 2022 in de gemeente [pleegplaats] , althans in Nederland, opzettelijk binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht ongeveer 5,5 kilogram, in elk geval (een) hoeveelheid/hoeveelheden van een materiaal bevattende (vermoedelijk) cocaïne, zijnde cocaïne, (in elk geval) een middel/middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet; 2.Hij op of omstreeks 14 maart 2022 in de gemeente [pleegplaats] , althans in Nederland, opzettelijk heeft vervoerd en/of verstrekt en/of afgeleverd, ongeveer 5,5 kilogram, in elk geval (een) hoeveelheid/hoeveelheden van een materiaal bevattende (vermoedelijk) cocaïne, zijnde cocaïne, (in elk geval) een middel/middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet; 3.Hij op of omstreeks 14 maart 2022 in de gemeente [pleegplaats] , althans in Nederland, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 5,5 kilogram, in elk geval (een) hoeveelheid/hoeveelheden van een materiaal bevattende (vermoedelijk) cocaïne, zijnde cocaïne,(in elk geval) een middel/middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet. Vrijspraak Standpunt van de verdediging De raadsman heeft zich – kort gezegd – op het standpunt gesteld dat verdachte van het tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken. Daartoe heeft hij primair aangevoerd dat de doorzoeking van de auto onrechtmatig was, aangezien geen sprake was van een redelijk vermoeden van schuld aan enig strafbaar feit. Volgens de raadsman dient daarom op grond van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering bewijsuitsluiting te volgen. Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat niet kan worden vastgesteld dat verdachte wist dat de door hem geleende auto een verborgen ruimte had en dat daarin vijf kilo cocaïne zat. Daarom kan ook niet worden vastgesteld dat verdachte kon beschikken over die verdovende middelen, aldus de raadsman. Standpunt van de advocaat-generaal De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend bewezen dient te worden verklaard dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan. Ten aanzien van het gestelde vormverzuim heeft zij aangevoerd dat de verbalisanten op grond van de melding die was binnengekomen op het zogenoemde Automatic Number Plate Recognition systeem (hierna: ANPR-hit), de nieuwe documenten van verdachte en de onaannemelijke verklaring van verdachte over zijn route en bestemming redelijkerwijs konden vermoeden dat verdachte zich schuldig had gemaakt aan overtreding van de Opiumwet. Anders dan de rechtbank meent de advocaat-generaal dat de bevindingen met betrekking tot het navigatiesysteem in dat kader niet kunnen worden meegewogen, omdat onduidelijk is of die bevindingen zijn gedaan vóórdat de verbalisanten zijn overgegaan tot het doorzoeken van het voertuig. Voorts is de advocaat-generaal met de rechtbank van oordeel dat het niet anders kan dan dat verdachte zich er op zijn minst bewust van was dat hij verdovende middelen vervoerde, aangezien verdachte de auto bestuurde, hij niet kan aangeven wie anders dan hij voor de auto verantwoordelijk is en hij geen concrete eenduidige – laat staan verifieerbare – verklaring heeft gegeven over waar hij die dag is geweest of wat zijn bestemming was. Bovendien acht de advocaat-generaal het onaannemelijk dat de eigenaar van de auto verdachte, die hij niet kende, op pad heeft gestuurd met zijn auto met daarin vijf kilogram cocaïne, die een straatwaarde van circa € 350.000 vertegenwoordigt. Tot slot doet volgens de advocaat-generaal niet ter zake dat bij verdachte geen magneet werd aangetroffen, terwijl wel een magneet nodig was om de verborgen ruimte te openen. Oordeel van het hof Ten aanzien van het gestelde vormverzuim Op grond van artikel 96b, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering is een opsporingsambtenaar bevoegd, in geval van ontdekking op heterdaad of in geval van verdenking van een misdrijf waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten, een vervoermiddel te doorzoeken en zich de toegang tot dit vervoermiddel te verschaffen. Buiten het geval van ontdekking op heterdaad vereist uitoefening van bovengenoemde bevoegdheid een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit in de zin van artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering. Het hof ziet zich daarom gesteld voor de vraag of de verbalisanten redelijkerwijs konden vermoeden dat verdachte zich schuldig had gemaakt aan enig strafbaar feit op het moment dat zij tot doorzoeking beslisten (in casu: overtreding van de Opiumwet). Daartoe overweegt het hof als volgt. Het onderzoek in deze zaak is aangevangen nadat verbalisanten een ANPR-hit binnenkregen. Volgens de ANPR-hit was een Duitse Opel Insignia met kenteken [kenteken] eerder gezien bij een verdachte situatie en zou het voertuig mogelijk worden gebruikt voor drugstransporten. Verdachte werd als bestuurder van het voertuig op de rijksweg A1 nabij [pleegplaats] staande gehouden, waarna hij aan de politie zijn paspoort en rijbewijs overhandigde. De documenten bleken te zijn uitgegeven op respectievelijk 10 januari 2022 en 7 januari 2022. Verdachte verklaarde bij zijn staandehouding dat hij in [plaats] bij een vriendin had verbleven, dat hij onderweg was naar [plaats] en dat hij het voertuig van iemand had geleend. Ook verklaarde hij dat zijn navigatie niet werkte en dat hij daardoor was verdwaald. Op enig moment zagen de verbalisanten op de telefoon van verdachte dat de navigatie stond ingesteld op [plaats] , Duitsland. Het hof is van oordeel dat de verbalisanten niet redelijkerwijs konden vermoeden dat verdachte zich schuldig had gemaakt aan enig strafbaar feit. Daarbij neemt het hof het volgende in aanmerking. Allereerst is het hof met de raadsman en de advocaat-generaal van oordeel dat uit het dossier niet blijkt dat de bevindingen ten aanzien van de navigatie zijn gedaan voordat de verbalisanten zijn overgegaan tot het doorzoeken van het voertuig, zodat die bevindingen niet kunnen worden meegewogen bij de vraag of ten tijde van de doorzoeking sprake was van een verdenking. Voorts waren de door verdachte afgelegde verklaringen niet van zodanige aard en inhoud en – zonder de bevindingen met betrekking tot de navigatie – niet zodanig ongeloofwaardig dat deze een redelijk vermoeden van schuld aan enig strafbaar feit rechtvaardigen. Ook uit de inhoud van de ANPR-hit kan een dergelijk vermoeden niet voortvloeien, nu de in de melding opgenomen informatie niet voldoende concreet en specifiek was, aangezien daarin slechts wordt gesproken over ‘mogelijke drugstransporten met dit voertuig’. Tot slot overweegt het hof dat de verbalisanten ook aan het feit dat verdachte over nieuwe identiteitsdocumenten beschikte niet het redelijke vermoeden konden ontlenen dat verdachte zich schuldig maakte aan overtreding van een strafbaar feit, nu enige onderbouwing hiervan ontbreekt. Vanwege het voorgaande komt het hof tot de conclusie dat sprake is van een bij het voorbereidend onderzoek begaan onherstelbaar vormverzuim als bedoeld in artikel 359a, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering. Gelet op hetgeen hierna met betrekking tot het bewijs voor het aanwezig hebben, vervoeren en invoeren van cocaïne wordt overwogen en beslist, laat het hof de bespreking van de vraag of, en zo ja, welke rechtsgevolgen aan dit vormverzuim moeten worden verbonden, achterwege. Ten aanzien van het aanwezig hebben, vervoeren en invoeren van cocaïne Het hof is van oordeel dat niet wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, zodat hij daarvan dient te worden vrijgesproken. Daartoe overweegt het hof als volgt. Voor de vraag of verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan opzettelijke overtreding van artikel 2, onder C, van de Opiumwet is op grond van bestendige jurisprudentie vereist dat:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.