← Nederland

ECLI:NL:GHARL:2023:2270

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN zittingsplaats Leeuwarden Zaaknummer : Wahv 200.306.154/01 CJIB-nummer : 234622924 Uitspraak d.d. : 16 maart 2023 Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Overijssel van 29 november 2021, betreffende [de betrokkene] (hierna: de betrokkene), wonende te [woonplaats] . De gemachtigde van de betrokkene is mr. M. Lagas, kantoorhoudende te Amsterdam. De beslissing van de kantonrechter De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard. Het verloop van de procedure De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding. De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend. De gemachtigde van de betrokkene heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt. De beoordeling

  1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 95,- voor (feitcode R592A): “voertuig parkeren op parkeerplaats voor vergunninghouders in strijd met de aan de vergunning verbonden voorwaarden.” Deze gedraging zou zijn verricht op 12 juni 2020 om 9:17 uur op de Kruserbrink in Hardenberg met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
  2. De gemachtigde voert in hoger beroep aan dat nu de ambtenaar heeft vastgesteld dat er geen vergunning achter de voorruit van de auto lag, is vastgesteld dat zonder vergunning is geparkeerd bij een bord E
  3. Er bestaat geen rechtsgrond voor het opleggen van de onder 1 genoemde sanctie.
  4. Het zaakoverzicht houdt als toelichting van de ambtenaar in, voor zover hier van belang: “geen zichtbare vergunning aanwezig, ook niet na kentekencontrole. Overtreden artikel: PL.V. (het hof leest: plaatselijke verordening).” In het proces-verbaal van bevindingen van 27 november 2020 verklaart de ambtenaar verder het volgende. Zij zag op de onder 1 genoemde datum en tijd dat de auto “voorzien van het kenteken [kenteken] op de Kruserbrink te Hardenberg geparkeerd stond op een parkeerplaats voor vergunninghouders zonder dat een (duidelijk zichtbare) parkeervergunning voor het parkeren op die plaats was verleend, dan wel in strijd met de aan de vergunning verbonden voorwaarden.” Ook verklaart zij dat de bij het beroepschrift gevoegde vergunning ter plaatse en ten tijde van de overtreding geldig zou zijn als deze duidelijk zichtbaar achter de voorruit was geplaatst. “Zoals ik op de bijgevoegde foto van de betrokkene kan zien, is deze op de achterzijde van de auto op het raam geplakt.”
  5. De betrokkene ontkent niet dat aan de aan haar verleende parkeervergunning de voorwaarde is verbonden dat deze achter de voorruit van de auto moet zijn geplaatst. Gelet daarop en op het voorgaande, kan worden vastgesteld dat de ambtenaar op goede grond een sanctie heeft opgelegd voor de onder 1 vermelde gedraging, die een overtreding betreft van artikel 9 van de Parkeerverordening gemeente Hardenberg 2008, zoals die destijds luidde. Dat de ambtenaar daarnaast in haar proces-verbaal ook overtreding van artikel 24, lid 1, sub g van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 en de feitcode R379 noemt, doet daaraan niet af. Er is geen grond voor wijziging van de feitcode.
  6. Subsidiair wordt aangevoerd dat in strijd is gehandeld met artikel 4, eerste lid, van de Wahv in verbinding met artikel 2, eerste lid, van de Regeling modellen en formulieren ten behoeve van de handhaving justitie, nu het overtreden voorschrift niet is vermeld in de inleidende beschikking en het zaakoverzicht. De betrokkene kan zich daardoor onvoldoende tijdig en adequaat verweren tegen de opgelegde sanctie en is daardoor in haar verdedigingsbelangen geschaad.
  7. De omstandigheid dat de overtreden bepaling niet is vermeld in de inleidende beschikking kan de betrokkene niet baten. Zij heeft zelf van meet af aan verklaard over een vergunning te beschikken die in de auto aanwezig was en wist dus waartegen zij zich had te verdedigen.
  8. Nu de aangevoerde gronden geen doel treffen, zal het hof de beslissing van de kantonrechter bevestigen en het verzoek om een proceskostenvergoeding afwijzen. De beslissing Het gerechtshof: bevestigt de beslissing van de kantonrechter; wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af. Dit arrest is gewezen door mr. Sekeris, in tegenwoordigheid van mr. Smeitink als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.