GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Leeuwarden, afdeling civiel zaaknummer gerechtshof 200.305.955/01 zaaknummer rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, 134749 arrest van 4 april 2023 in de zaak van [appellant] , die woont in [woonplaats1] , die hoger beroep heeft ingesteld, en bij de rechtbank optrad als eiser, hierna: [appellant], vertegenwoordigd door mr. E.T. van Dalen, tegen Zorggroep ’t Achterhuus B.V., die is gevestigd in Alteveer (gemeente Hoogeveen), en bij de rechtbank optrad als gedaagde, hierna: de Zorggroep, vertegenwoordigd door mr. E. van Meulen. 1Het verdere verloop van de procedure in hoger beroep Naar aanleiding van het arrest van 4 oktober 2022 heeft op 9 maart 2023 een mondelinge behandeling bij het hof plaatsgevonden. Daarvan is een verslag gemaakt dat aan het dossier is toegevoegd (het proces-verbaal). Hierna hebben partijen het hof gevraagd opnieuw arrest te wijzen. 2De kern van de zaak en beslissing van het hof 2.1 [appellant] verbleef in een eigen woning op het terrein van de Zorggroep in Alteveer (gemeente Hoogeveen). Hij ontving forensische zorg van de Zorggroep en werd begeleid door de reclassering. Op of omstreeks 13 april 2016 heeft de Zorggroep de forensische zorg en het verblijf van [appellant] per direct beëindigd, waarna hij is overgeplaatst naar een gesloten tbs-kliniek. 2.2 [appellant] heeft bij de rechtbank gevorderd te verklaren voor recht dat de Zorggroep onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld door op of omstreeks 13 april 2016 adviezen en/of mededelingen te doen aan het Ministerie van Justitie en Veiligheid waardoor [appellant] in die periode is overgeplaatst van de Zorggroep naar een gesloten tbs-kliniek, althans een beslissing te nemen zoals de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren. Daarnaast heeft [appellant] gevorderd om de Zorggroep te veroordelen tot betaling van € 26.000,- aan immateriële schadevergoeding, vermeerderd met rente en kosten. 2.3 De rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, heeft de vorderingen van [appellant] in het vonnis van 10 november 2021 afgewezen. [appellant] heeft onvoldoende onderbouwd dat sprake is van verwijtbaar onzorgvuldig handelen door de Zorggroep. Ook is het causaal verband tussen het handelen van de Zorggroep en de hervatting van de tbs met dwangverpleging niet gesteld of gebleken. 2.4 De bedoeling van het hoger beroep is dat de afgewezen vorderingen alsnog worden toegewezen. 2.5 Het hof zal het vonnis van de rechtbank bekrachtigen. Na de feiten te hebben vastgesteld zal het hof dat hierna uitleggen. 3De feiten 3.1 De Zorggroep biedt intensieve begeleiding aan met name forensische cliënten in een beschermde woonvorm. 3.2 [appellant] is in 2002 door de toenmalige rechtbank Groningen veroordeeld wegens seksueel misbruik van minderjarige jongens. [appellant] heeft een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaar opgelegd gekregen en de maatregel van tbs met dwangverpleging. 3.3 Op 28 januari 2015 heeft de rechtbank Noord-Nederland beslist dat de maatregel van tbs met dwangverpleging voorwaardelijk wordt beëindigd. De rechtbank stelde aan die beëindiging de navolgende voorwaarden: “- veroordeelde houdt contact met een reclasseringswerker en stelt zich daarbij begeleidbaar op en volgt de aanwijzingen op die hij van (of namens) de reclassering krijgt; de reclassering bepaalt daarbij de contactfrequentie; (…) - veroordeelde woont bij ’t Achterhuus, een woonvorm met 24-uurs zorg, of een soortgelijke instelling, en verandert niet van adres zonder toestemming van de reclassering. Hij houdt zich aan de huisregels; - veroordeelde accepteert de dagelijkse begeleiding door medewerkers van ’t Achterhuus; hij bespreekt moeilijke zaken uit de dagelijkse praktijk en vraagt hulp waar nodig; - veroordeelde accepteert de dagbesteding die hem wordt aangeboden door ’t Achterhuus en verandert niet van werk zonder toestemming van de reclassering; - veroordeelde geeft inzicht in zijn sociale contacten; - veroordeelde geeft openheid over zijn seksualiteit aan de personen en organisaties (medewerkers Achterhuus, AFPN, reclassering) die bij zijn begeleiding en toezicht betrokken zijn; - veroordeelde heeft geen contact met minderjarigen, niet in persoon en niet via sociale media; - veroordeelde bespreekt zijn pedoseksuele voorkeur niet met andere derden (mede voor zijn eigen veiligheid); - veroordeelde accepteert dat beelddragers kunnen worden gecontroleerd, zowel door medewerkers van ’t Achterhuus als door de politie; (…) - veroordeelde werkt mee aan elektronische controlemiddelen; (…)” [appellant] is vervolgens op het terrein van de Zorggroep gaan wonen en ontving dagelijks begeleiding van de Zorggroep. Daarnaast was er begeleiding vanuit de reclassering. Als dagbesteding werkte hij bij een agrariër in de buurt en hij bezocht de lokale kerk. [appellant] genoot relatief veel vrijheid bij de Zorggroep. 3.5 Op of omstreeks 13 april 2016 heeft de Zorggroep besloten om de begeleiding en het verblijf van [appellant] per direct te beëindigen. Dit besluit is aan [appellant] medegedeeld, waarna hij naar de gesloten tbs-kliniek FPC de Oostvaarderskliniek in Almere is overgebracht. In het exitverslag, dat op 29 april 2016 door de Zorggroep is opgesteld, staat onder meer vermeld: “Concrete aanleiding voor het beëindigen van de zorg: Begeleiding aan [appellant] is niet meer mogelijk, omdat [appellant] zich ondanks waarschuwingen en gesprekken niet houdt aan afspraken en voorwaarden. Hierin is hij niet goed te corrigeren. Hij geeft geen volledige openheid t.a.v. seksualiteit en gedragingen en geeft te veel openheid ten aanzien van zijn geaardheid aan mensen die geen hulpverleners zijn. [appellant] gaat zijn eigen weg, met alle risico’s van dien. Dit komt voort uit een aantal zaken: - [appellant] overtreedt zijn voorwaarden t.a.v. openheid over zijn seksualiteit. Hierin mag hij geen openheid geven aan derden over zijn pedoseksualiteit. Binnen de kerkgemeenschap heeft hij echter aan verschillende mensen verteld wie hij is, wat zijn achtergrond is en wat zijn geaardheid is. Hij heeft meerdere malen van begeleiding gehoord dat dit niet mag, echter heeft hij dit verbod in de wind geslagen en heeft hij bij steeds meer mensen zijn verhaal gedaan, ook eigen inzicht dat dit niet verstandig is wordt hiermee niet bereikt. - Deze openheid van [appellant] m.b.t. seksuele voorkeur brengt risico’s mee voor zowel [appellant] , medebewoners als bedrijfsvoering. - [appellant] lijkt openheid te geven ten aanzien van computercontroles, maar wist nadrukkelijke alle gegevens op zijn telefoon en computer. Hierdoor is niet meer precies te achterhalen wat hij doet en waar hij zich mee bezig houdt en wekt hij de schijn op om iets te verbergen.” 3.6 De reclassering heeft op 9 mei 2016 een adviesrapport opgesteld over hervatting van de tbs met dwangverpleging. De conclusie van dit rapport luidt als volgt: “- betrokkene kan niet terugkeren in het Achterhuus. - er zijn geen voorzieningen die een vergelijkbare waarborg bieden ter voorkoming van recidive, terwijl dit wel een voorwaarde was en is. - betrokkene wil zelf niet meer in een zorgvoorziening worden geplaatst. - op grond van de zoektermen die betrokkene heeft ingevoerd kunnen we niet anders dan concluderen dat hij ondanks waarschuwingen toch heeft gezocht naar kinderporno, en zich zodoende weer in het delict scenario heeft begeven. Advies: Op grond van bovenstaande adviseert de reclassering de dwangverpleging te hervatten.” 3.7 De rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, heeft op 15 juni 2016 geoordeeld dat [appellant] voorwaarden die zijn verbonden aan de voorwaardelijke beëindiging van tbs met dwangverpleging heeft overtreden en heeft hervatting van de tbs met dwangverpleging gelast. In de beslissing van de rechtbank is onder meer het volgende overwogen: “De rechtbank overweegt daartoe dat, wat er zij van de handelwijze van het Achterhuus, vast staat dat veroordeelde ondanks aanwijzing én waarschuwing van de reclassering op internet gezocht heeft naar kinderporno. Hiermee heeft hij zich niet gehouden aan de bijzondere voorwaarden én zich weer in het delict scenario begeven. Dit maakt het naar het oordeel van de rechtbank noodzakelijk dat de verpleging van overheidswege wordt hervat. Dit geldt temeer nu uit het advies van de reclassering blijkt dat veroordeelde in de afgelopen periode, bij het verkrijgen van meer vrijheden, steeds meer verzet heeft vertoond in het contact met de reclassering.” 3.8 Op dit moment is de maatregel van tbs met dwangverpleging nog steeds van kracht. 4Het oordeel van het hof Inleiding 4.1 [appellant] vordert in hoger beroep vernietiging van het bestreden vonnis en alsnog toewijzing van zijn vorderingen. [appellant] heeft drie bezwaren (grieven) tegen het vonnis aangevoerd. Grief 1 en 2 komen er op neer dat de rechtbank ten onrechte geen onrechtmatig handelen van de Zorggroep heeft vastgesteld. Grief 3 is gericht tegen de proceskostenveroordeling. 4.2 Partijen zijn het er over eens dat beoordeeld moet worden of de Zorggroep een ongeschreven zorgvuldigheidsnorm jegens [appellant] heeft geschonden. [appellant] meent dat dat het geval is. Volgens hem bestond onvoldoende rechtvaardiging voor het besluit van de Zorggroep om de forensische zorg en het verblijf met onmiddellijke ingang te beëindigen. Daarnaast vindt [appellant] dat de Zorggroep bij de beëindiging onvoldoende zorgvuldigheid jegens hem in acht heeft genomen omdat de Zorggroep niet heeft voldaan aan de op haar rustende informatie- c.q. waarschuwingsplicht. [appellant] stelt dat als gevolg van het besluit van de Zorggroep de tbs met voorwaarden is beëindigd en dat hij door toedoen van de Zorggroep tot op heden weer in een gesloten tbs-kliniek verblijft. Reden van beëindiging 4.3 Het hof stelt vast dat de Zorggroep de redenen van haar besluit heeft toegelicht, waarbij is verwezen naar diverse rapportages, waaronder het exitverslag van de Zorggroep (zie hiervoor onder 3.5) en het adviesrapport van de reclassering (zie hiervoor onder 3.6). [appellant] suggereert dat deze en andere overgelegde rapportages pas in het kader van deze procedure zijn opgesteld, ter rechtvaardiging achteraf voor het vergaande besluit van de Zorggroep. Dat de Zorggroep in de preprocessuele fase niet heeft gereageerd op verzoeken van de advocaat van [appellant] om uitleg en genoemde rapportages ook niet zijn toegezonden, is echter onvoldoende om die suggestie te onderbouwen. Een andere onderbouwing voor zijn suggestie geeft [appellant] niet. Daar komt bij dat de Zorggroep bij conclusie van dupliek print-screens heeft overgelegd om aan te tonen dat de rapportages destijds wel degelijk zijn opgesteld. In hoger beroep is [appellant] daar niet op ingegaan en heeft hij niets aangevoerd wat het hof aanleiding geeft om de totstandkoming van de rapportages in twijfel te trekken. 4.4 De Zorggroep stelt dat zij heeft gehandeld op basis van signalen dat [appellant] zich in onvoldoende mate hield aan de voorwaarden waardoor er oprechte zorgen waren over maatschappelijke onrust. Dit vindt naar het oordeel van het hof steun in de beschikbare gedingstukken. De rechtbank heeft de dwangverpleging in 2015 onder voorwaarden beëindigd (zie hiervoor onder 3.3). Onderdeel van die voorwaarden was onder meer dat [appellant] dagelijkse begeleiding door medewerkers van de Zorggroep accepteert, dat hij openheid geeft over zijn seksualiteit aan personen en organisaties die bij zijn begeleiding en toezicht betrokken zijn, dat hij zijn pedoseksuele voorkeur bij voorkeur niet met andere derden bespreekt (mede voor zijn eigen veiligheid) en dat hij controle van beelddragers accepteert en meewerkt aan elektronische controlemiddelen. Uit de beschikbare rapportages blijkt dat [appellant] zich niet in voldoende mate aan deze voorwaarden hield en dat hij daarin onvoldoende te corrigeren was. Ook komt daaruit naar voren dat in de gemeente Hoogeveen bekend was dat [appellant] als zedendelinquent bij de Zorggroep verbleef en dat de Zorggroep signalen bereikten dat er bewoners waren die “dat probleem wel even zouden oplossen”. 4.5 [appellant] brengt hiertegen in dat hij door de reclassering juist is geadviseerd om te praten over zijn geaardheid en dat hem dat in ieder geval niet is verboden door de Zorggroep. Het hof volgt [appellant] hierin niet. Enerzijds gold als duidelijke voorwaarde dat [appellant] openheid moest geven over zijn seksualiteit aan personen en organisaties die bij zijn begeleiding en toezicht betrokken zijn. In het verlengde hiervan moet de aanwijzing van de reclassering worden gezien om de werkgever van [appellant] (de familie [naam1] ) te informeren. Anderzijds was voorwaarde dat [appellant] zijn geaardheid bij voorkeur niet met andere derden besprak. Uit de rapportages blijkt
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.