GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem, afdeling civiel zaaknummer gerechtshof 200.301.749 (zaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem 383885) arrest van 11 april 2023 in de zaak van 1 [appellant1] , wonende te [woonplaats1] , 2. [appellante2], wonende te [woonplaats2] , 3. [appellante3], wonende te [woonplaats3] , 4. [appellante4], wonende te [woonplaats2] , 5. [appellant5], wonende te [woonplaats2] , 6. [appellant6], wonende te [woonplaats4] , 7. [appellant7], wonende te [woonplaats3] , appellanten, in eerste aanleg: gedaagden in conventie, eisers in reconventie, hierna: [appellanten] , advocaat: mr. C.M. van der Corput, tegen: de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid KlokGroep Bouw & Ontwikkeling B.V., gevestigd te Nijmegen, geïntimeerde, in eerste aanleg: eiseres in conventie, verweerster in reconventie, hierna: Klok, advocaat: mr. E. Beele. 1Het verloop van de procedure in hoger beroep 1.1. Naar aanleiding van het arrest van 14 juni 2022 heeft op 31 januari 2023 een mondelinge behandeling bij het hof plaatsgevonden. Daarvan is een verslag gemaakt dat aan het dossier is toegevoegd (het proces-verbaal). Hierna hebben partijen het hof gevraagd opnieuw arrest te wijzen. 2De kern van de zaak 2.1. Het gaat hier kort gezegd om de vraag of [appellanten] gehouden is om het perceel waar het in deze procedure over gaat aan Klok te leveren onder de voorwaarde dat Klok een koopsom van € 2.200.000,- aan haar voldoet. 2.2. Klok heeft bij de rechtbank gevorderd [appellanten] daar, op straffe van een dwangsom, toe te veroordelen. Daarnaast heeft zij ook een schadevergoeding van € 44.000,- van [appellanten] gevorderd, bestaande uit belastingschade die Klok stelt te hebben geleden doordat [appellanten] het perceel niet in 2020 heeft geleverd. [appellanten] heeft op haar beurt gevorderd voor recht te verklaren dat Klok onrechtmatig beslag heeft gelegd op het perceel in kwestie en Klok te veroordelen het beslag op te heffen. Daarnaast heeft [appellanten] een schadevergoeding, nader op te maken bij staat, gevorderd van Klok vanwege de schade die dit beslag bij haar heeft veroorzaakt. 2.3. De rechtbank heeft de vordering van Klok tot levering van het perceel toegewezen en die tot schadevergoeding afgewezen. De tegenvorderingen van [appellanten] zijn afgewezen en [appellanten] is in conventie en reconventie veroordeeld in de proceskosten. [appellanten] is het daar niet mee eens. De bedoeling van haar hoger beroep is dat de vordering van Klok tot levering van het perceel alsnog wordt afgewezen en dat haar eigen tegenvorderingen alsnog worden toegewezen. Klok heeft geen hoger beroep ingesteld tegen de afwijzing van haar vordering tot schadevergoeding. Dit punt vormt dan ook geen onderdeel meer van het geschil in hoger beroep. 3Het oordeel van het hof De beslissing in het kort 3.1. Ook het hof komt tot de conclusie dat [appellanten] gehouden is om het perceel in kwestie aan Klok te leveren. Hij zal het vonnis van de rechtbank dus bekrachtigen, met dien verstande dat het hof het te leveren perceel in lijn met de klacht daarover van [appellanten] , nog nader zal afbakenen. Wat is er gebeurd? 3.2. Het hof verwijst naar de feiten die de rechtbank heeft vastgesteld in r.o. 2.1 tot en met 2.16 van het bestreden vonnis, neemt die over en vult die aan. In het kort komt het erop neer dat het volgende is gebeurd. 3.3. [appellanten] is eigenaar van een braakliggend perceel grond aan de [adres1] / [adres2] te [plaats1] (hierna: het perceel). Klok heeft interesse getoond in de aankoop van het perceel om daar woningen op te ontwikkelen (hierna: het project). Zodoende zijn partijen medio 2019 met elkaar in gesprek gegaan over een mogelijke aan- en verkoop van het perceel. Aan de kant van [appellanten] zijn de onderhandelingen voornamelijk gevoerd door gedaagde sub 7 (hierna: [appellant7] ) en aan de kant van Klok onder andere door haar directeur [de directeur] (hierna: [de directeur] ). 3.4. Begin december 2019 heeft Klok per e-mail een door haar opgestelde concept samenwerkingsovereenkomst aan [appellanten] gestuurd. Het concept is vervolgens een aantal keer heen en weer gegaan tussen [appellant7] en [de directeur] , waarbij [de directeur] steeds de door [appellant7] voorgestelde wijzigingen heeft doorgevoerd. Uiteindelijk hebben partijen de overeenkomst, waarvan de titel op dat moment was gewijzigd in “koopintentie”, op 13 februari 2020 ondertekend (hierna: de overeenkomst). 3.5. De overeenkomst voorziet onder andere in een exclusiviteitsperiode, gedurende welke Klok de haalbaarheid van het project kon onderzoeken. Klok heeft [appellanten] op 23 oktober 2020 bericht het project haalbaar te achten en tot koop over te zullen gaan. Vervolgens is er een discussie ontstaan tussen partijen over de uitleg van de overeenkomst. [appellanten] heeft zich daarbij medio januari 2021 op het standpunt gesteld dat de exclusiviteitsperiode op 13 januari 2021 was verstreken zonder dat aan de voorwaarden voor het aangaan van aan-/verkoop van het perceel was voldaan. Zij achtte zich daarom vrij met het perceel te doen en laten wat zij wilde. Volgens Klok is [appellanten] gelet op haar mededeling van 23 oktober 2020 echter verplicht het perceel aan haar te leveren. Daarom heeft zij in januari 2021 conservatoir beslag tot levering op het perceel laten leggen. Vervolgens is zij deze bodemprocedure gestart. De beoordeling 3.6. Zoals hiervoor overwogen is er tussen partijen discussie ontstaan over de rechten en verplichtingen die over en weer voortvloeien uit de overeenkomst. Meer in het bijzonder gaat het dan om de vraag of de haalbaarheid van het project is komen vast te staan en of [appellanten] op grond van artikel 9 van de overeenkomst gehouden is het perceel aan Klok te leveren. De tekst van de overeenkomst, voor zover hier relevant, luidt als volgt: “2. Ontwikkelaar [hof: Klok] wenst het perceel (exclusief het parkeerterrein dat thans verhuurd is aan Story BMW, en door partijen schetsmatig is aangegeven op Bijlage 1) aan te kopen van de Eigenaar [hof: [appellanten] ] om daarop voor eigen rekening en risico een project te ontwikkelen, bestaande uit een nader te bepalen aantal woningen, waarbij het uitgangspunt is dat er ca 150-175 woningen / appartementen worden gerealiseerd, afhankelijk van de mogelijkheid om gestapeld te bouwen, hierna te noemen: het Project; 3. De exacte afmeting van het thans verhuurde parkeerterrein zal door partijen door middel van een inmeting worden vastgesteld. Indien de gemeente aangeeft dat een stedenbouwkundige afronding aan de [adres1] vereist is, zullen partijen de verplaatsing van het bestaande parkeerterrein, door middel van een grondruil binnen het verkochte, onderzoeken. 4. Dat ter uitvoering van het onder 2 genoemde Project, Partijen deze koopintentie wensen aan te gaan zodat Ontwikkelaar de haalbaarheid van het Project kan toetsen bij de betreffende overheidsinstanties en de markt met inachtneming van het in deze overeenkomst bepaalde. En dat Eigenaar in dat kader volmacht verleend om in deze hoedanigheid met gemeente en derden te spreken. 5. Eigenaar verstrekt de Ontwikkelaar een exclusiviteítsperiode van 6 maanden in te gaan vanaf ondertekening van onderhavige overeenkomst. Ontwikkelaar heeft de mogelijkheid om deze exclusiviteitsperiode eenmalig schriftelijk te verlengen met 5 maanden. Tijdens deze exclusiviteitsperiode zal de Ontwikkelaar voor zijn rekening en risico de haalbaarheid van het Project onderzoeken op de criteria zoals geformuleerd in artikel 6. 6. Het Project wordt haalbaar geacht indien in de exclusiviteitsperiode blijkt dat: a. Ontwikkelaar publiekrechtelijke medewerking kan verkrijgen voor haar Project; b. Ontwikkelaar de kwaliteit van de bodem en het grondwater heeft vastgesteld en deze niet zodanig is verontreinigd dat dit de haalbaarheid van het Project naar het oordeel van Ontwikkelaar in de weg staat; c. Er naar het oordeel van Ontwikkelaar economisch haalbaar plan kan worden gerealiseerd. 7. De voorlopige koopsom voor het perceel bedraagt € 2.200.000,- (zegge: twee miljoen tweehonderdduizend euro), te vermeerderen met omzetbelasting of overdrachtsbelasting en wordt definitief vastgesteld nadat de haalbaarheid zoals in deze overeenkomst bepaald is gebleken. Deze koopsom van €2.200.000,- is gebaseerd op de ontwikkeling van 150-175 woningen en/of appartementen in het Project. Indien er meer dan 175 woningen en/of appartementen worden gerealiseerd, wordt de koopsom verhoogd met €12.571,43 per appartement, hetgeen zal worden verrekend bij notarieel transport van het Verkochte. Indien blijkt dat er minder dan 150 woningen en/of appartementen in het Project kunnen worden gerealiseerd, treden Partijen in overleg over de consequenties van de koopsom, met als uitgangspunt dat Partijen proberen het plan alsnog voor beide partijen onder acceptabele voorwaarden te realiseren. 8. Deze overeenkomst gaat in op het moment van ondertekening en eindigt 6 maanden nadien, behoudens het geval Ontwikkelaar deze overeenkomst eenmalig verlengd op grond van artikel 5. Tussentijds kan deze overeenkomst slechts worden beëindigd indien: a. Partijen zulks schriftelijk overeenkomen; b. Partijen een koopovereenkomst aangaan ten aanzien van het Project; c. Er naar het oordeel van Ontwikkelaar tijdens de exclusiviteitsperiode is gebleken dat het Project niet haalbaar is; d. Eigenaar en/of Ontwikkelaar in staat van faillissement of surseance van betaling verkeerd. Deze overeenkomst eindigt door middel van een schriftelijke verklaring van de Partij die de beëindiging op een van de in dit artikel genoemde gronden inroept. 9. Indien Ontwikkelaar het Project haalbaar acht, zulks met inachtneming van het bepaalde in artikel 5 en 6, zal zij dit schriftelijk aan Eigenaar mededelen, waarna partijen streven om de levering van de grond binnen 2 maanden plaats te laten vinden.” Klok was exclusief bevoegd zich een oordeel te vormen over de haalbaarheid van het project 3.7. [appellanten] stelt zich op het standpunt dat de haalbaarheid van het project niet is komen vast te staan. Volgens haar is namelijk niet gebleken dat publiekrechtelijke medewerking kan worden verkregen voor het project als bedoeld in artikel 6 onder a van de overeenkomst. Deze voorwaarde is niet alleen ten behoeve van Klok in de overeenkomst opgenomen en [appellanten] kan zich daar ook op beroepen, aldus [appellanten] . Klok daarentegen betoogt dat het alleen aan haar was om te beoordelen of zij het project haalbaar achtte, inclusief de vraag of zij daarvoor de benodigde publiekrechtelijke medewerking kon verkrijgen. Zo ja, dan ontstond met de schriftelijke mededeling van die beslissing aan [appellanten] volgens Klok op grond van artikel 9 van de overeenkomst een verplichting voor [appellanten] om het perceel aan Klok te leveren. 3.8. De discussie tussen partijen spitst zich daarmee toe op de betekenis die aan artikel 6 van de overeenkomst toekomt. Dat betekent dat het hof deze bepaling zal moeten uitleggen. Daarbij geldt de ook door de rechtbank terecht aangehaalde Haviltex-maatstaf, die inhoudt dat het bij de uitleg van een schriftelijke bepaling in een overeenkomst niet uitsluitend om een zuiver taalkundige uitleg gaat, maar dat het aankomt op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daarbij heeft de rechter rekening te houden met alle bijzondere omstandigheden van het gegeven geval. Dat werkt in deze zaak als volgt uit. 3.9. Het hof stelt voorop dat uit r.o. 4.4 tot en met 4.7 en de laatste zin van r.o. 4.23 van het bestreden vonnis volgt dat de rechtbank heeft geoordeeld dat er op grond van de overeenkomst voor [appellanten] een verplichting tot levering ontstond op het moment dat het project haalbaar werd geacht en Klok hier schriftelijk mededeling van deed aan [appellanten] . Dit oordeel impliceert dat de overeenkomst niet uitsluitend een overeenkomst was om Klok een periode van exclusiviteit te gunnen, zonder verplichting om te leveren wanneer aan de voorwaarden van de overeenkomst zou zijn voldaan. Tegen dat oordeel heeft [appellanten] geen grieven gericht. Dat betekent dat het hof hieraan gebonden is en dit als uitgangspunt heeft te gelden bij zijn beoordeling. Dat oordeel sluit overigens aan op artikel 9 van de overeenkomst. Op basis van dit artikel, dat op initiatief van [appellanten] aan de overeenkomst is toegevoegd, mocht Klok redelijkerwijs verwachten dat [appellanten] tot levering over zou gaan als zij [appellanten] binnen de exclusiviteitsperiode zou mededelen dat het project haalbaar werd geacht. 3.10. Voor de vraag wanneer het project haalbaar kon worden geacht, is artikel 6 van belang. Dat artikel bevat een opsomming van drie criteria aan de hand waarvan de haalbaarheid getoetst moest worden. Partijen zijn het daarbij, zoals hiervoor onder r.o. 3.7 overwogen, niet eens over de uitleg van het criterium onder a (het kunnen verkrijgen van publiekrechtelijke medewerking). Voor de uitleg is niet alleen de tekst van deze bepaling zelf relevant, maar ook de context van de gehele overeenkomst waarin zij is opgenomen. In dat kader weegt mee dat artikel 4 van de overeenkomst bepaalt dat de overeenkomst wordt aangegaan zodat Klok de haalbaarheid van het project kan toetsen bij de betreffende overheidsinstanties en de markt. Daartoe heeft [appellanten] blijkens dit artikel een volmacht aan Klok verleend om met de gemeente en derden te spreken. Nergens volgt uit dat partijen zijn overeengekomen dat Klok verplicht is om [appellanten] op de hoogte te houden van de voortgang en bevindingen van haar haalbaarheidsonderzoek en/of om in dat kader afstemming met [appellanten] te zoeken. De praktische uitvoering van dit onderzoek lag dus volledig bij Klok. Dat geldt ook voor de financiële kant daarvan. In artikel 5 staat namelijk beschreven dat Klok de haalbaarheid van het project voor haar rekening en risico zal onderzoeken, en wel op de criteria geformuleerd in artikel 6. Vervolgens staat in artikel 9 dat partijen zullen streven naar levering binnen twee maanden nadat Klok het project haalbaar acht en Klok dit schriftelijk aan [appellanten] mededeelt. In lijn hiermee bepaalt artikel 8 dat de overeenkomst tussentijds kan worden beëindigd als er naar het oordeel van Klok is gebleken dat het project niet haalbaar is (onder c). Op basis van het samenstel van deze bepalingen mocht Klok redelijkerwijs verwachten dat haar de exclusieve bevoegdheid toekwam om zich een oordeel te vormen over de haalbaarheid van het project, inclusief de vraag of zij daarvoor publiekrechtelijke medewerking kon verkrijgen. Deze uitleg vindt ook steun in de vaststelling dat er in artikel 6 onder a niet is opgenomen
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.