GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN locatie Leeuwarden nummers BK-ARN 22/00908 en 22/00926 uitspraakdatum: 25 april 2023 Uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer op het hoger beroep van Stichting [belanghebbende] te [vestigingsplaats] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 22 maart 2022, zaaknummers LEE 20/2913 en 20/3448, in het geding tussen belanghebbende en de heffingsambtenaar van de gemeente Súdwest-Fryslȃn (hierna: de heffingsambtenaar). 1Ontstaan en loop van het geding 1.1 Bij beschikkingen van 29 februari 2020, op één aanslagbiljet verenigd, heeft de heffingsambtenaar op grond van artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaken, plaatselijk bekend als [adres1] 6 te [plaats1] en [adres2] 1 te [plaats2] (de onroerende zaken), per waardepeildatum 1 januari 2019, voor het kalenderjaar 2020 vastgesteld op € 1.083.000 respectievelijk € 858.
- 1.2 Op de tegen de hiervoor – onder 1.1 – gerichte waardebeschikkingen gerichte bezwaarschriften van belanghebbende heeft de heffingsambtenaar het bezwaar ten aanzien van [adres1] 6 te [plaats1] ongegrond verklaard. Het bezwaar ten aanzien van [adres2] 1 te [plaats2] is gegrond verklaard, waarbij de heffingsambtenaar de waarde heeft verminderd van € 858.000 naar 831.
- 1.3 Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de rechtbank Noord-Nederland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep bij uitspraak van 22 maart 2022 ongegrond verklaard en het verzoek om vergoeding van immateriële schade afgewezen. 1.4 Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend. 1.5 Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 januari 2023 te Leeuwarden. Daarbij zijn verschenen en gehoord A. van den Dool, als gemachtigde van belanghebbende, bijgestaan door [naam1] , taxateur, alsmede namens de heffingsambtenaar [naam2] , bijgestaan door [de taxateur] , taxateur. 2Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen 3.1 In geschil is of de hiervoor – onder 1.1 – vermelde waardebeschikkingen - na vermindering van de waarde van [adres2] 1 door de Rechtbank - niet op te hoge bedragen zijn vastgesteld. 3.2 Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend en concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, vernietiging van de uitspraken op bezwaar en vermindering van de bestreden waardebeschikkingen. 3.3 De heffingsambtenaar beantwoordt de hiervoor – onder 3.1 – vermelde vraag bevestigend en concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank. 3.4 Beide partijen hebben voor hun standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken. 3Beoordeling van het geschil 4.1 Het Hof is gehouden binnen de eigen instantie ambtshalve te onderzoeken of het ingediende hoger beroep ontvankelijk is (vgl. HR 16 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1153). 4.2 Ingevolge artikel 6:7 in verbinding met artikel 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) bedraagt de termijn voor het indienen van een hogerberoepschrift zes weken. Ingevolge artikel 26c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR), gelezen in verbinding met artikel 8:108, derde lid, van de Awb, vangt de termijn voor het instellen van hoger beroep aan met ingang van de dag na die van de dagtekening van de uitspraak van de rechtbank, tenzij de dag van dagtekening is gelegen vóór de dag van de bekendmaking. Ingevolge artikel 6:9, eerste lid, van de Awb is een hogerberoepschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen. Ingevolge het tweede lid van dit artikel is een hogerberoepschrift bij verzending per post tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen. 4.3 Blijkens de bestreden uitspraak van de Rechtbank is deze gedagtekend 22 maart 2022 en op die dag verzonden aan partijen. De termijn voor het instellen van hoger beroep loopt derhalve tot en met 3 mei
- Het beroepschrift van belanghebbende is op digitale wijze binnengekomen bij het Hof op 4 mei 2022 om 16:32 uur. Het is daarna per post aan het Hof verzonden met dagtekening 4 mei 2022 en door het Hof ontvangen op 6 mei
- Het hoger beroep is derhalve na afloop van de termijn ingesteld. 4.4 Op grond van het bepaalde in artikel 6:11 van de Awb blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend hogerberoepschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. Het Hof heeft belanghebbende bij brief van 19 januari 2023 en ter zitting in de gelegenheid gesteld aan te geven wat de redenen van de termijnoverschrijding zijn geweest. Door belanghebbende is vervolgens geen verklaring gegeven die tot de conclusie leidt dat zij niet in verzuim is geweest. Slotsom Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep niet-ontvankelijk. 4Proceskosten Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten. 5Beslissing Het Hof verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door mr. P. van der Wal, voorzitter, mr. G.B.A. Brummer en mr. T. Tanghe, in tegenwoordigheid van mr. K. de Jong-Braaksma als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 april
- De griffier, De voorzitter, (K. de Jong-Braaksma) (P. van der Wal) Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 26 april
- Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl. Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl). Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
- bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd; 2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn; 3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener; b. de dagtekening; c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht; d. de gronden van het beroep in cassatie. Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.