← Nederland

ECLI:NL:GHARL:2023:3948

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN locatie Arnhem nummer BK-ARN 21/01610 uitspraakdatum: 9 mei 2023 Uitspraak van de vijfde enkelvoudige belastingkamer op het hoger beroep van [belanghebbende] te [woonplaats] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 28 september 2021, nummer LEE 20/468, in het geding tussen belanghebbende en de heffingsambtenaar van het Noordelijk Belastingkantoor (hierna: de heffingsambtenaar) 1Ontstaan en loop van het geding 1.

  1. De heffingsambtenaar heeft bij beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak [adres1] 22 te [woonplaats] (hierna: de onroerende zaak), per waardepeildatum 1 januari 2018 en naar de toestand op die datum, voor het kalenderjaar 2019 vastgesteld op € 199.000 (hierna: de beschikking). Tegelijk met deze beschikking is de aanslag onroerendezaakbelasting 2019 voor zover het betreft het eigenaarsgedeelte vastgesteld op € 338,30 (hierna: de aanslag). 1.
  2. Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de heffingsambtenaar bij in één geschrift verenigde uitspraken op bezwaar het bezwaar gegrond verklaard, de waarde verminderd tot € 184.000 en de aanslag verminderd met € 25,
  3. 1.
  4. Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de rechtbank Noord-Nederland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. 1.
  5. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend. 1.
  6. Het onderzoek ter zitting heeft via beeldbellen plaatsgevonden op 30 maart
  7. Daarbij zijn verschenen en gehoord mr. A. Bakker als de gemachtigde van belanghebbende, alsmede, namens de heffingsambtenaar, [naam1] en [naam2] , taxateur. 1.
  8. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat aan deze uitspraak is gehecht. 2Vaststaande feiten Belanghebbende is eigenaar van de onroerende zaak. De onroerende zaak is een tussenwoning met een dakopbouw van 5 m2 en een aangebouwde en een vrijstaande stenen berging van respectievelijk 5 m2 en 8 m
  9. Het bouwjaar is
  10. De woonoppervlakte van de woning is ongeveer 104 m
  11. De kaveloppervlakte is 120 m
  12. In 2009 zijn de dakpannen, de regels en de dakopbouw van de woning vernieuwd. In 2016 is de woning voorzien van modern sanitair en van kunststofkozijnen met HR ++glas. 3Geschil 3.
  13. In geschil is de waarde van de onroerende zaak. 3.
  14. De heffingsambtenaar staat een waarde voor van € 184.
  15. 3.
  16. Belanghebbende staat een waarde voor van € 175.
  17. 4Beoordeling van het geschil 4.
  18. Ingevolge artikel 17, lid 2, van de Wet WOZ, moet de waarde van de onroerende zaak worden bepaald op de waarde die aan de onroerende zaak dient te worden toegekend, indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger het object in de staat waarin dat zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen. Daarbij heeft als waarde te gelden de waarde in het economische verkeer die dient te worden vastgesteld op de prijs die bij aanbieding ten verkoop op de voor de onroerende zaak meest geschikte wijze na de beste voorbereiding door de meestbiedende gegadigde voor de onroerende zaak zou zijn besteed. 4.
  19. Belanghebbende bepleit gemotiveerd een lagere waarde dan door de heffingsambtenaar is vastgesteld. In dat geval rust op de heffingsambtenaar de last aannemelijk te maken dat de door hem verdedigde waarde niet te hoog is. 4.
  20. Ter onderbouwing van de door hem voorgestane waarde wijst de heffingsambtenaar op de door hem in beroep overgelegde waardeverklaring opgemaakt op 26 maart 2020 door WOZ-taxateur [naam3] waarin aan de onroerende zaak een waarde in het economische verkeer wordt toegekend van € 184.
  21. Op basis van de vergelijkingsmethode zijn drie onroerende zaken als vergelijkingsobject gebruikt. In de bijbehorende matrix (hierna: de matrix), die in hoger beroep is gecorrigeerd, is het volgende opgenomen: Onroerende zaak [adres2] 101 [adres3] 6 [adres4] 10 Soort woning Tussenwoning Tussenwoning Tussenwoning Tussenwoning Bouwjaar 1967 1965 1968 1967 Ligging 3 3 3 3 Grond 120 m2 124 m2 126 m2 120 m2 Waarde grond € 25.800 € 26.660 € 27.090 € 25.800 Woonoppervlakte 104 m2 106 m2 116 m2 104 m2 Prijs per m2 € 1.449 € 1.460 € 1.199 € 1.496 Waarde wonen € 150.696 € 154.782 € 139.081 € 155.537 Dakopbouw € 4.000 € 2.000 € 1.000 Berging € 4.000 € 4.000 € 2.000 € 2.000 Kwaliteit 3 3 2 3 Onderhoud 3 3 2 3 Uitstraling 3 3 3 3 Doelmatigheid 3 3 3 3 Voorzieningen 3 3 2 4 Koopsom € 185.000 (20-10-2017) € 178.000 (02-08-2018) € 179.000 (20-08-2017) Geïndexeerde koopsom € 187.442 € 169.171 € 183.337 WOZ-waarde € 184.000 Verder is bij de matrix opgemerkt dat de marktontwikkelingen in de jaren 2016, 2017 en 2018 respectievelijk 3,3%, 6,9% en 8,5% bedragen. 4.
  22. Belanghebbende heeft gewezen op de stamkaart van [adres1] 10 en opgemerkt dat op grond van de matrix de gemiddelde waarde per m2 van de [adres1] 10 € 1.362 is, van de [adres3] 6 € 1.266 en van de [adres2] 101 € 1.474 is. Dit is volgens belanghebbende een gemiddelde waarde van € 1.367 per m2, wat leidt tot een waardevermindering van de onroerende zaak van 104 m2 x (€ 1.449 -/- € 1.367) = € 8.
  23. 4.
  24. Naar het oordeel van het Hof heeft de heffingsambtenaar met de onder 4.3 opgenomen waardeverklaring en de daarop ter zitting van het Hof gegeven toelichting aannemelijk gemaakt dat de vastgestelde waarde niet te hoog is. Het Hof is van oordeel dat de heffingsambtenaar met de onderliggende verschillen tussen de onroerende zaak en de vergelijkingsobjecten voldoende rekening heeft gehouden. Wat betreft de soort woning, het bouwjaar, de ligging, de grond, de uitstraling en de doelmatigheid zijn de scores van de onroerende zaak en de vergelijkingsobjecten hetzelfde. Het Hof merkt nog op dat met name het vergelijkingsobject [adres1] 10 zeer goed vergelijkbaar is. Dat object ligt in dezelfde straat, is van hetzelfde bouwjaar, heeft dezelfde woonoppervlakte en perceeloppervlakte, alsmede ook een vrijstaande stenen berging van 8 m
  25. Weliswaar zijn de voorzieningen van [adres1] 10 iets hoger gewaardeerd, als gevolg van een in 2017 aangebrachte nieuwe keuken en nieuw sanitair. Daar staat echter tegenover dat de woning van belanghebbende beschikt over een bewoonbare zolder (door de dakopbouw en een vaste trap naar de zolder) en een aangebouwde stenen berging. Tevens is deze volledig voorzien van kunststofkozijnen met HR++glas. 4.
  26. De door belanghebbende aangedragen vergelijkingsobjecten aan de [adres5] 26 en [adres6] 94, alsmede de andere door belanghebbende aangedragen argumenten, wegen niet op tegen de onderbouwing door de heffingsambtenaar. Slotsom Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond. 5Griffierecht en proceskosten Het Hof ziet geen aanleiding voor vergoeding van het griffierecht of een veroordeling in de proceskosten. 6Beslissing Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank. Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.A. van Huijgevoort, raadsheer, in tegenwoordigheid van mr. C.E. te Brake als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 mei 2023 De griffier is verhinderd De raadsheer, de uitspraak te ondertekenen. (B.F.A van Huijgevoort) Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op 10 mei
  27. Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl. Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl). Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
  28. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd; 2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn; 3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener; b. de dagtekening; c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht; d. de gronden van het beroep in cassatie. Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.