Afdeling strafrecht Parketnummer: 21-003503-22 Uitspraak d.d.: 10 mei 2023 TEGENSPRAAK Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 9 augustus 2022 met parketnummer 18-302684-21 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2005, wonende te [adres] . Het hoger beroep De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 26 april 2023 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van verdachte ter zake van het subsidiair tenlastegelegde feit tot 64 dagen jeugddetentie, met aftrek van voorarrest, waarvan 60 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Tevens heeft de advocaat-generaal geconcludeerd tot toewijzing van de vordering tot schadevergoeding, te weten € 3.000,00, vermeerderd met wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door verdachte en haar raadsman, mr. G.J.P.M. Grijmans, naar voren is gebracht. Het vonnis waarvan beroep De rechtbank heeft bij vonnis d.d. 9 augustus 2022, waartegen het hoger beroep is gericht, verdachte ter zake van het subsidiair tenlastegelegde feit veroordeeld tot 64 dagen jeugddetentie, met aftrek van voorarrest, waarvan 60 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Tevens heeft de rechtbank beslist tot gedeeltelijke toewijzing van de vordering tot schadevergoeding, te weten tot € 2.000,00, vermeerderd met wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, en tot niet-ontvankelijkheid ten aanzien van het overige gevorderde. Het hof zal het vonnis waarvan beroep om proceseconomische redenen vernietigen en daarom opnieuw rechtdoen. De tenlastelegging Aan verdachte is tenlastegelegd dat: zij op of omstreeks 7 november 2021 te [pleegplaats] , gemeente [pleeggemeente] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, (die [slachtoffer] ) met een (aardappelschil)mes(je), althans een scherp en/of puntig voorwerp, in/op en/of tegen het gezicht/(voor)hoofd (boven het (linker)oog) heeft gestoken en/of gesneden en/of gestompt/geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; subsidiairzij op of omstreeks 7 november 2021 te [pleegplaats] , gemeente [pleeggemeente] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen (die [slachtoffer] ) met een (aardappelschil)mes(je), althans een scherp en/of puntig voorwerp, in/op en/of tegen het gezicht/(voor)hoofd (boven het (linker)oog) heeft gestoken en/of gesneden en/of gestompt/geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; zij op of omstreeks 7 november 2021 te [pleegplaats] , gemeente [pleeggemeente] [slachtoffer] heeft mishandeld door haar met een (aardappelschil)mes(je), althans een scherp en/of puntig voorwerp (een ring), in/op en/of tegen het gezicht/(voor)hoofd (boven het (linker)oog) te steken en/of te snijden en/of te stompen/slaan. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging. Vrijspraak poging doodslag Het hof heeft, overeenkomstig het standpunt van de advocaat-generaal en de verdediging, uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, zodat verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken. Overweging met betrekking tot het bewijs Standpunt van de verdediging De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep, kort gezegd, aangevoerd dat verdachte eveneens dient te worden vrijgesproken van het subsidiair tenlastegelegde feit. Daartoe heeft de raadsman aangevoerd dat de verklaringen van aangeefster en de getuigen onvoldoende betrouwbaar zijn, omdat de mogelijkheid bestaat dat er onderling met elkaar gesproken is over het tenlastegelegde en de getuigenverklaringen tevens inconsistent en innerlijk tegenstrijdig zijn met betrekking tot de aanwezigheid van een mes. Voorts heeft de raadsman aangevoerd dat, nu verdachte ten tijde van het tenlastegelegde een grote metalen ring aan haar hand droeg, niet is uitgesloten dat het letsel van aangeefster hierdoor is veroorzaakt. Er is nagelaten het bloed op de ring te onderzoeken. Het handelen van verdachte kan volgens de raadsman (enkel) worden gekwalificeerd als het meer subsidiair tenlastegelegde feit, te weten mishandeling. Oordeel van het hof Aangeefster [slachtoffer] heeft bij de politie verklaard dat verdachte, terwijl deze vlak bij haar stond, met een theedoek om haar hand een snijdende beweging vlak langs haar hoofd maakte waarna zij een stekend gevoel boven haar linkeroog voelde en er bloed begon te stromen. Haar verklaring vindt steun in de verklaringen van meerdere direct voor- en achteraf aanwezigen bij het incident. Door verschillende getuigen ( [getuige 1] , [getuige 2] [getuige 3] , [getuige 4] , [getuige 5] , [getuige 6] , [getuige 7] ) is verklaard dat zij die avond achtereenvolgens hebben gezien dat verdachte een mesje of voorwerp in haar hand (in een (thee)doek) heeft gehad, het niet is gelukt het van haar af te pakken waarna ze naar beneden gaat en dat verdachte vervolgens daarmee heeft gezwaaid c.q. uitgehaald naar aangeefster, die ten gevolge daarvan letsel heeft opgelopen. Deze beschrijving van de feiten komt consistent over en is op cruciale onderdelen in grote lijnen gelijkluidend, waarbij sommige getuigen hebben verklaard over de gang van zaken boven in de woning waar verdachte een mes in handen nam en anderen over het hierna volgend incident waarbij met het mes is uitgehaald beneden buiten de woning. Het hof heeft geen reden te twijfelen aan de betrouwbaarheid van deze verklaringen. De raadsman heeft kanttekeningen geplaatst, meer in het bijzonder, bij de verklaringen van getuigen [getuige 1] , [getuige 2] , en [getuige 8] . Dat de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] ruim twee jaar nadien, na nogmaals door een rechter-commissaris te zijn gehoord, op detailniveau anders hebben verklaard, acht het hof, gezien het tijdsverloop, niet vreemd en doet aan hun eerdere verklaringen ook niet af. Dat [getuige 8] niets heeft kunnen verklaren vanuit eigen waarneming bij het incident doet er niet aan af dat haar verklaring over het verdwenen zijn van een blauw mesje uit de keukenla past in de gang der gebeurtenissen zoals uit de hiervoor genoemde getuigenverklaringen is af te leiden. Van die hierboven genoemde verklaringen gaat het hof uit. De suggestie van de raadsman dat verklaringen op elkaar zouden kunnen zijn afgestemd vindt geen steun in enig bewijsmiddel. Het hof acht voornoemde getuigenverklaringen dan ook betrouwbaar en zal deze voor het bewijs gebruiken. Het hof is van oordeel dat de verklaring van aangeefster dat zij is gestoken met een mes, voorts wordt ondersteund door de letselrapportage van de GGD [provincie] . Daaruit blijkt dat aangeefster een snijwond van vier centimeter boven haar wenkbrauw had en de gemelde toedracht mogelijk bij het letsel past. Het geconstateerde letsel en de waarnemingen van de getuigen passen bij de verklaring van aangeefster dat zij is gesneden met een mes. Het gestelde alternatieve scenario dat het letsel door de ring van verdachte zou zijn veroorzaakt, wordt dan ook verworpen. Het hof is van oordeel dat uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte op enig moment een aardappelschilmesje uit de keuken heeft gepakt en daarmee een zwaaiende beweging richting het gezicht van aangeefster heeft gemaakt. Door aldus te handelen was de kans op zwaar lichamelijk letsel, aan bijvoorbeeld een kwetsbaar orgaan zoals een oog, aanmerkelijk te achten. Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat verdachte door aldus te handelen de aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel bewust heeft aanvaard. Het hof is derhalve van oordeel dat het subsidiair tenlastegelegde feit wettig en overtuigend bewezen kan worden. Bewezenverklaring Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat: subsidiairzij op 7 november 2021 te [pleegplaats] , gemeente [pleeggemeente] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, die [slachtoffer] met een aardappelschilmesje, in het gezicht (boven het linkeroog) heeft gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid. Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Het subsidiair bewezenverklaarde levert op: poging tot zware mishandeling. Strafbaarheid van de verdachte Over verdachte is een Pro Justitia-rapport d.d. 11 april 2022 opgesteld, door drs. D. Breuker, GZ-psycholoog. Uit dit rapport komt naar voren dat er bij verdachte sprake is van een lichte tot matige normoverschrijdende gedragsstoornis, een disharmonisch intelligentieprofiel met verbaal zwakbegaafde vaardigheden en gemiddelde performale vaardigheden, en een lichte tot matige stoornis in cannabisgebruik. In het verlengde van de gedragsstoornis is er een bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling met reeds zichtbare antisociale en narcistische trekken vastgesteld. Volgens de psycholoog waren de stoornissen aanwezig ten tijde van de tenlastegelegde handelingen. Geadviseerd wordt om verdachte het tenlastegelegde in verminderde mate toe te rekenen. Het hof zal de deskundige, gelet op de door haar omtrent de verdachte gerapporteerde bevindingen, volgen in haar conclusies, maakt de inhoud daarvan tot de zijne en legt die ten grondslag aan zijn oordeel dat het tenlastegelegde feit in verminderde mate aan verdachte is toe te rekenen. Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn. Oplegging van straf en/of maatregel Standpunt van de verdediging De raadsman heeft primair gepleit voor veroordeling van verdachte (voor het meer subsidiair tenlastegelegde feit) tot een jeugddetentie van vier dagen met aftrek van het voorarrest. Subsidiair heeft de raadsman gepleit voor veroordeling van verdachte tot 64 dagen jeugddetentie, met aftrek van voorarrest, waarvan 60 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Oordeel van het hof De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling van aangeefster. Nadat verdachte tijdens uitgaan woorden had gekregen met het slachtoffer, heeft zij het slachtoffer later op de avond met een aardappelschilmesje boven haar wenkbrauw in het gezicht gesneden. Meerdere omstanders zijn hiervan getuige geweest. Een dergelijk feit maakt niet alleen inbreuk op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer, maar draagt ook bij aan in de maatschappij heersende gevoelens van angst en onveiligheid, in het bijzonder bij hen die daarvan slachtoffer of getuige zijn geweest. Verdachte heeft ter terechtzitting bij het hof tamelijk onverschillig gereageerd op het bewezenverklaarde feit en er geen blijk van gegeven in te zien hoe gevaarlijk dergelijk handelen kan zijn. Het hof rekent dit verdachte aan. Het hof heeft bij de strafoplegging acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 21 maart 2023, waaruit blijkt dat verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld ter zake van een geweldsdelict. Voorts heeft het hof voor wat betreft de persoon van verdachte acht geslagen op de inhoud van het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) d.d. 2 maart
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.