Afdeling strafrecht Parketnummer: 21-001453-21 Uitspraak d.d.: 23 mei 2023 TEGENSPRAAK Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem- Leeuwarden , zittingsplaats Leeuwarden , gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 19 maart 2021 met parketnummer 18-258657-19 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1957, wonende te [woonadres] . Het hoger beroep De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 9 mei 2023 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot bevestiging van het vonnis waarvan beroep. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr. I.J. Woltman, naar voren is gebracht. Het vonnis waarvan beroep De meervoudige strafkamer van de rechtbank Noord-Nederland heeft verdachte ter zake van het primair tenlastegelegde (overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander zwaar lichamelijk letsel wordt toegebracht) veroordeeld tot een taakstraf van 80 uren, indien niet of niet naar behoren verricht te vervangen door 40 dagen hechtenis, en heeft verdachte voorwaardelijk de bevoegdheid ontzegd motorrijtuigen te besturen voor de duur van zes maanden, met een proeftijd van 1 jaar. Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen, omdat het tot een andere bewijsbeslissing en strafoplegging komt en daarom opnieuw rechtdoen. De tenlastelegging Aan verdachte is tenlastegelegd dat: primair: hij op of omstreeks 2 maart 2019 te [pleegplaats] als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de weg, [weg] en toen bij het naderen van de kruising of splitsing van die weg, [straat 1] , - welke weg bestond uit meerdere rijstroken en/of op welke weg een maximum snelheid gold van 50 kilometer per uur - zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, - door geen gevolg te geven aan een verkeersteken dat een gebod of verbod inhoudt: immers door niet te stoppen voor een - gezien verdachtes bereden rijstrook en daarvoor geldend - driekleurig verkeerslicht dat rood licht uitstraalde en/of - ( daarbij) met een snelheid van (zeker) 60 kilometer per uur te rijden, althans een te hoge snelheid aan te houden gezien de omstandigheden daar ter plaatse te weten een kruispunt van meerdere wegen met verkeerslichten en/of door links te rijden zonder noodzaak, althans - (eveneens) onvoldoende rechts te rijden, ten gevolge waarvan een verkeersongeval heeft plaatsgevonden waardoor een ander (genaamd [aangever] ) zwaar lichamelijk letsel of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan; subsidiairhij op of omstreeks 2 maart 2019 te [pleegplaats] als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, [weg] , en toen bij het naderen van de kruising of splitsing van die weg, [straat 1] , - welke weg bestond uit meerdere rijstroken en/of op welke weg een maximum snelheid gold van 50 kilometer per uur - geen gevolg heeft gegeven aan een verkeersteken dat een gebod of verbod inhoudt, immers niet is gestopt voor een - gezien verdachtes bereden rijstrook en daarvoor geldend - driekleurig verkeerslicht dat rood licht uitstraalde en/of - ( daarbij) een snelheid van (zeker) 60 kilometer per uur heeft gereden, althans een te hoge snelheid ter plaatse heeft aangehouden en/of – - door links te rijden zonder noodzaak, althans onvoldoende rechts heeft gereden/gehouden waardoor, in elk geval mede waardoor een verkeersongeval is ontstaan, waarbij letsel aan een persoon, te weten [aangever] , is ontstaan, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging. Vrijspraak van het primair tenlastegelegde Op 2 maart 2019 heeft er op [weg] te [pleegplaats] een verkeersongeval plaatsgevonden. Verdachte reed over [weg] , in de richting van [straat 2] , toen hij de kruising met [straat 1] en [straat 3] naderde. De kruising is voorzien van verkeerslichten die worden geregeld door een verkeersregelinstallatie. Verdachte was voornemens op deze kruising rechtdoor te rijden. De bestuurder van een ander voertuig kwam uit tegengestelde richting en was voornemens om linksaf te slaan om zijn weg in de richting van [straat 1] te vervolgen. Op het kruisingsvlak kwamen beide voertuigen met elkaar in botsing. Zowel de verdachte als [aangever] hebben verklaard dat zij door groen licht zijn gereden. Standpunt van de advocaat-generaal De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het primair tenlastegelegde feit bewezen kan worden verklaard. Standpunt van de verdediging De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte ter zake van het primair tenlastegelegde feit dient te worden vrijgesproken, omdat niet bewezen kan worden dat verdachte schuld heeft gehad aan het ongeval zoals bedoeld in artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW 1994). Daartoe heeft de raadsman aangevoerd dat op basis van de bewijsmiddelen niet overtuigend bewezen kan worden dat verdachte het rode licht heeft genegeerd. De raadsman heeft voorts betoogd dat de verklaring van alleen het slachtoffer ten aanzien van het letsel onvoldoende is om te komen tot een bewezenverklaring van zwaar lichamelijk letsel. Oordeel van het hof In zijn verklaring van 8 maart 2019 geeft slachtoffer [aangever] aan door het ongeval letsel te hebben opgelopen, bestaande uit zwaar gekneusde ribben, een gekneusde blaas en nieren, alsmede een breuk aan zijn rechter bekken. [aangever] is in het ziekenhuis behandeld door een orthopeed. Ook volgt uit deze verklaring dat [aangever] aan een spierziekte lijdt, waardoor hij een klapvoet heeft en daardoor protheses draagt tijdens het autorijden. In een aanvullende verklaring van 11 oktober 2019 verklaart [aangever] dat hij op dat moment nog gevolgen ondervindt van het ongeval en hierdoor moeite heeft met tillen en lopen. Het hof ziet zich voor de vraag gesteld of het bij aangever geconstateerde letsel als zwaar lichamelijk letsel in de zin van artikel 82 van het Wetboek van Strafrecht kan worden aangemerkt. Bij de beantwoording van de vraag of dergelijk letsel kan worden aangemerkt als zwaar lichamelijk letsel heeft het hof in aanmerking genomen de aard van het letsel, de noodzaak en aard van het medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel. Het hof is van oordeel dat hetgeen uit de verklaringen van [aangever] omtrent de noodzaak en aard van het medisch ingrijpen is gebleken, ontoereikend is om het letsel aan te merken als zwaar lichamelijk letsel. In het bijzonder ontbreekt in het dossier een geneeskundige verklaring van een arts waarin verslag wordt gedaan van de aard van het letsel, de noodzaak en aard van medisch ingrijpen, alsmede het uitzicht op (volledig) herstel. Daar komt bij dat [aangever] ten gevolge van zijn spierziekte een klapvoet heeft, zodat onvoldoende duidelijk is in welke mate de klachten met betrekking tot het lopen en tillen, kunnen worden toegeschreven aan het ongeval. Gelet op het voorgaande acht het hof niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte met het ongeval zwaar lichamelijk letsel bij [aangever] heeft veroorzaakt, zodat het hof verdachte zal vrijspreken van het primair tenlastegelegde. Bewijsoverwegingen ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegde feit Standpunt van de verdediging De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte ter zake van het subsidiair tenlastegelegde feit eveneens dient te worden vrijgesproken, omdat niet bewezen kan worden dat verdachte het rode licht heeft genegeerd. In dit verband wijst de raadsman op de verklaring van getuige [getuige 1] . Verder is het maken van een enkele verkeersfout onvoldoende om te komen tot een bewezenverklaring van artikel 5 van de WVW
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.