GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem afdeling civiel recht, handel zaaknummer gerechtshof 200.297.262 zaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen 374598 arrest van 30 mei 2023 in de zaak van 1 [appellant] 2. [appellante], die beiden wonen in [woonplaats1] , die hoger beroep hebben ingesteld en bij de rechtbank optraden als eisers in de vordering en verweerders in de tegenvordering, hierna: [appellant] (in mannelijk enkelvoud), advocaat: mr. F. Dijkslag, tegen: 1 [geïntimeerde1] , die woont in [woonplaats2] , en 2. [geïntimeerde2], die woont in [woonplaats3] , die ook hoger beroep hebben ingesteld en bij de rechtbank optraden als gedaagden in de vordering en eisers in de tegenvordering, hierna: individueel respectievelijk [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] en gezamenlijk [geïntimeerde1] c.s. (in mannelijk enkelvoud), advocaat: mr. J. Faas. 1Het verloop van de procedure in hoger beroep 1.1. Naar aanleiding van het arrest van 14 juni 2022 heeft op 17 maart 2023 een mondelinge behandeling bij het hof plaatsgevonden. Daarvan is een verslag gemaakt dat aan het dossier is toegevoegd (het proces-verbaal). Hierna hebben partijen het hof gevraagd opnieuw arrest te wijzen. Daarna heeft [appellant] het hof gevraagd om nog een akte te mogen nemen, waartegen [geïntimeerde1] c.s. bezwaar heeft gemaakt. Het hof heeft dat verzoek van [appellant] afgewezen. 2De kern van de zaak, feiten en vorderingen Kern van de zaak 2.1. [appellant] heeft PB Rent v.o.f. (hierna: PB), een vennootschap onder firma van [geïntimeerde1] c.s., opdracht gegeven een paardenstal te bouwen. De vraag is of PB daarin tekort is geschoten, [appellant] de verbintenissen van PB mocht omzetten in een verbintenis tot betaling van vervangende schadevergoeding, PB tekort is geschoten omdat de stal constructieve gebreken heeft, wat de schade is, en of en zo ja, hoeveel, [appellant] nog aan [geïntimeerde1] c.s. moet betalen. De feiten waarvan het hof uitgaat 2.2. Het hof gaat uit van de feiten die door de rechtbank in r.o. 2.1 tot en met 2.14 van het bestreden vonnis zijn vastgesteld, met uitzondering van de toepasselijkheid van de algemene voorwaarden van PB, waartegen [geïntimeerde1] c.s. bezwaar heeft gemaakt en waarop hieronder wordt ingegaan. Het hof stelt in aanvulling feiten vast zoals hieronder aangegeven. 2.3. Op 27 april 2018 hebben [appellant] en PB een overeenkomst van aanneming van werk gesloten voor de paardenstal bij de woning van [appellant] . De aanneemovereenkomst is op basis van regie met een maximale aanneemsom van € 62.500 incl. btw aan uren en materialen. 2.4. In juli 2018 is tussen partijen discussie ontstaan. Partijen hebben gecorrespondeerd over welke werkzaamheden nog verricht moesten worden en of de overeengekomen termijn voor oplevering was overschreden. Het hof stelt vast dat op 4 augustus 2018 [appellant] daarbij onder andere heeft geschreven dat als aan bepaalde voorwaarden niet zou worden voldaan, op korte termijn juridische stappen zouden volgen. Daarop heeft PB gereageerd. Op 9 augustus 2018 heeft [appellant] een “finaal (dat wil zeggen niet onderhandelbaar) voorstel” gedaan. [appellant] heeft ook geschreven dat indien PB niet voor de volgende dag 12:00 uur akkoord zou gaan, het door hem gevraagde juridische advies zou worden opgevolgd en PB formeel in gebreke gesteld zou worden, PB tot 1 september de gelegenheid zou worden gegeven om de bouw af te ronden en dat alle vervolgstappen dan in handen van de rechtsbijstandsverzekeraar van [appellant] gegeven zouden worden. PB heeft dit voorstel niet geaccepteerd. 2.5. Op 17 augustus 2018 heeft de gemachtigde van [appellant] PB gesommeerd “gebreken/onvolkomenheden en resterende werkzaamheden (...)” binnen 14 dagen te herstellen dan wel uit te voeren, omdat PB anders in verzuim zou verkeren. PB heeft daarop op 30 augustus geantwoord aan de sommatie geen gevolg te geven en zich te beroepen op opschorting. Op 4 september 2018 heeft [appellant] vervolgens zijn vordering tot nakoming omgezet in een vordering tot vervangende schadevergoeding (art. 6:87 BW). 2.6. Omdat [appellant] zich zorgen maakte over de constructieve veiligheid van de stal heeft hij daarnaar onderzoek laten doen. In hoger beroep staat vast dat de gemachtigde van [appellant] op 20 november 2019 PB heeft gesommeerd binnen 14 dagen te bevestigen dat zij de geconstateerde gebreken aan de constructie zou herstellen en de onderzoekskosten zou vergoeden. PB heeft hieraan niet voldaan. De vorderingen van partijen en de beslissing van de rechtbank 2.7. [appellant] heeft bij de rechtbank gevorderd om PB en [geïntimeerde1] c.s. te veroordelen hem € 54.086,40 te betalen, voor zover verrekening met de vordering van PB is toegestaan en € 55.682,49 als verrekening niet is toegestaan. Dit bedrag is als volgt samengesteld: € 1.680 als boete vanwege bouwtijdoverschrijding, € 12.516,49 als vervangende schadevergoeding voor de afbouw van de stal (bestaand uit een groot aantal posten), € 37.510 om gebreken in de constructie van de stal te herstellen en € 3.976 als vergoeding van kosten van onderzoeken om de schade die het gevolg zou zijn van constructieve gebreken in de stal vast te stellen. Met dit bedrag zou volgens [appellant] een bedrag van € 1.596,09 ten gunste van PB verrekend moeten worden. Daarnaast vordert [appellant] buitengerechtelijke incassokosten en wettelijke rente vanaf 31 augustus 2018 en proceskosten. 2.8. PB en [geïntimeerde1] c.s. hebben als tegenvordering gevorderd dat [appellant] PB € 5.423,35 moet betalen met wettelijke rente vanaf 7 augustus 2018 en dat [appellant] PB de kosten van een contra-expertiserapport over de constructie van de stal moet vergoeden. 2.9. In de vordering van [appellant] tegen PB en [geïntimeerde1] c.s. heeft de rechtbank PB en [geïntimeerde1] c.s. veroordeeld om aan [appellant] € 5.124,80 te betalen (bestaande uit € 1.640 aan boete voor de te late oplevering en € 3.484,80 voor de afbouw van de stal), met wettelijke rente vanaf 31 augustus 2018 en € 763,80 aan buitengerechtelijke incassokosten met wettelijke rente vanaf 28 juli 2020. In de tegenvordering van PB en [geïntimeerde1] c.s. heeft de rechtbank [appellant] veroordeeld om aan PB en [geïntimeerde1] c.s. te betalen € 1.596,06 met wettelijke rente vanaf 5 dagen na de datum van het vonnis. De proceskosten zijn zowel in de vordering als de tegenvordering gecompenseerd. 2.10. Inmiddels is PB opgeheven. [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] waren bij opheffing de vennoten. [appellant] heeft daarom [geïntimeerde1] c.s. in hoger beroep gedagvaard. [appellant] wil in hoger beroep € 9.552,17 voor de afbouw van het stalgebouw in plaats van de toegewezen € 3.484,80, € 37.510 voor noodzakelijke herstelwerkzaamheden aan de constructie van het stalgebouw en €3.976 als kosten ter vaststelling van de schade en aansprakelijkheid. Bij akte na memorie van antwoord heeft [appellant] zijn eis vermeerderd voor zover die ziet op de herstelkosten voor de constructie van de stal: in plaats van € 37.510 eist [appellant] nu € 50.038,34, waartegen [geïntimeerde1] c.s. bezwaar heeft gemaakt. [geïntimeerde1] c.s. eist in het hoger beroep dat hij heeft ingesteld dat de vorderingen van PB alsnog aan hem worden toegewezen. 3De beoordeling in hoger beroep Samenvatting beslissing 3.1. De vordering van [appellant] bestaat uit twee hoofdonderdelen: een vordering tot betaling van een boete voor overschrijding van de bouwtijd op grond van art. 10 van de algemene voorwaarden van PB, die door de rechtbank grotendeels is toegewezen en een vordering tot betaling van vervangende schadevergoeding voor door PB nog niet of gebrekkig verrichte werkzaamheden, waarbij de rechtbank een beroep op opschorting door PB en [geïntimeerde1] c.s. heeft verworpen omdat PB al in verzuim was door de overschrijding van de afgesproken bouwtijd. Onderdeel hiervan is een vordering tot schadevergoeding voor constructieve gebreken, die door de rechtbank is afgewezen omdat deze gebreken niet zijn komen vast te staan. De vordering van [geïntimeerde1] c.s. strekt tot betaling van wat [appellant] haar uit de aanneemovereenkomst nog schuldig is. Al deze elementen worden in hoger beroep opnieuw aan de orde gesteld. 3.2. Het hof oordeelt in dit tussenarrest dat de beslissing van de rechtbank over de boete vanwege de bouwtijdoverschrijding in stand blijft. [appellant] heeft ook recht op een bedrag aan vervangende schadevergoeding voor niet verrichte werkzaamheden, omdat PB niet mocht opschorten. Het hof beslist in dit tussenarrest op alle door [appellant] en [geïntimeerde1] c.s. opnieuw aan de orde gestelde posten, waarvoor vervangende schadevergoeding is gevorderd, behalve over de beweerdelijke tekortkoming in de constructie. Ten aanzien van die post is het hof voornemens een deskundige te benoemen. Ten aanzien van de tegenvordering van [geïntimeerde1] c.s. geeft het hof in dit tussenarrest een oordeel over alle posten die door [geïntimeerde1] c.s. opnieuw aan de orde zijn gesteld. De conclusie van het hof is dat [appellant] € 5.288,20 te vorderen heeft, plus het bedrag ter vergoeding van de eventueel vast te stellen schade die het gevolg is van constructieve gebreken van de stal en de eventuele kosten van het vaststellen van deze schade. De vordering van [geïntimeerde1] c.s. is voor € 5.423,35 toewijsbaar. Het hof legt hieronder uit hoe het tot dit oordeel komt. Met betrekking tot de vordering van [appellant] De bouwtijdoverschrijding 3.3. [geïntimeerde1] c.s. stelt aan de orde dat de boete van € 1.640 wegens overschrijding van de bouwtermijn ten onrechte is toegewezen. Ten eerste omdat de algemene voorwaarden niet ter hand zijn gesteld en dus vernietigbaar zijn. Ten tweede omdat daarbij geen rekening is gehouden met vijf dagen meerwerk en ten derde omdat geen rekening is gehouden met de bouwvak. 3.4. Het hof volgt [geïntimeerde1] c.s. daarin niet. Niet is betwist dat de algemene voorwaarden van PB van toepassing verklaard zijn. [appellant] heeft er op gewezen dat deze niet voor het aangaan van de overeenkomst ter hand zijn gesteld en zich op dat punt zijn rechten voorbehouden. [appellant] heeft echter de vernietiging van artikel 10 van de algemene voorwaarden, waarop de boetevordering is gebaseerd, niet ingeroepen. Artikel 6:233 BW biedt geen grondslag voor de gebruiker van algemene voorwaarden, in dit geval [geïntimeerde1] c.s., om zich van zijn verplichtingen uit zijn eigen algemene voorwaarden te bevrijden. 3.5. Het hof oordeelt ook dat [geïntimeerde1] c.s. onvoldoende onderbouwd heeft dat de bouwtermijn verlengd moest worden vanwege meerwerk. De rechtbank heeft vastgesteld dat een bouwtermijn van (maximaal) 60 werkdagen is overeengekomen. Dat is door [geïntimeerde1] c.s. in hoger beroep niet bestreden. Op grond van de algemene voorwaarden heeft [geïntimeerde1] echter recht op verlenging van deze bouwtermijn wanneer als gevolg van meer- en minderwerk niet van de aannemer verlangd kan worden het werk binnen de overeengekomen termijn op te leveren. [geïntimeerde1] c.s. stelt dat het totale meerwerk dat in rekening moet worden gebracht gelijk is aan ten minste vijf werkdagen. Daarmee is echter niet gesteld of onderbouwd waarom als gevolg daarvan niet van hem verlangd kon worden op tijd op te leveren. Het hof gaat daarom aan dit bezwaar voorbij. 3.6. Volgens [geïntimeerde1] c.s. heeft de rechtbank ten slotte ten onrechte de bouwvak niet meegenomen in de berekening van de einddatum waarop de werkzaamheden mochten worden uitgevoerd. Die begon volgens [geïntimeerde1] c.s. in de regio waar de paardenstal was gelegen op 30 juli 2018. Erkend is echter dat de bouwvak in de regio waar PB gevestigd was op 6 augustus 2018 begon. Het hof oordeelt dat aangesloten moet worden bij de regio waar de aannemer gevestigd is, zodat hierin geen aanleiding is om de einddatum van de bouwtijd te verlengen. Voor zover [geïntimeerde1] c.s. bij de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft betoogd dat de bouwvak ook het aantal dagen waarvoor de boete betaald moet worden vermindert, gaat het hof eraan voorbij omdat deze klacht tegen het oordeel van de rechtbank in de memorie van grieven in incidenteel appel naar voren had moeten worden gebracht, [appellant] er niet uitdrukkelijk mee ingestemd heeft dat deze klacht nog naar voren mocht worden gebracht en er ook niet op gereageerd heeft. 3.7. Het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de bouwtijdoverschrijding blijft dus in stand, zowel dat de overeengekomen bouwtermijn eindigde op 1 augustus 2018 als dat een boete verbeurd is van € 1.640. Dat is mede van belang voor de beoordeling van de vraag of PB de nakoming van zijn verbintenissen om de paardenstal af te maken mocht opschorten. Vervangende schadevergoeding voor [appellant] : PB mocht niet opschorten 3.8. [geïntimeerde1] c.s. komt op tegen het oordeel van de rechtbank dat hij vervangende schadevergoeding moet betalen. Hij stelt namelijk dat hij niet in verzuim is geraakt, omdat hij zijn verbintenissen mocht opschorten en de verbintenis tot nakoming van [appellant] c.s. dus niet is omgezet in een vordering tot vervangende schadevergoeding. [geïntimeerde1] c.s. voert aan dat er geen rechtsregel bestaat, die bepaalt dat een beroep op opschorting niet meer kan worden gedaan als de partij die wil opschorten al in verzuim verkeert. 3.9. Het hof overweegt als volgt. Artikel 6:54 sub a BW bepaalt dat een schuldenaar, zoals in dit geval PB, geen beroep mag doen op opschorting, wanneer hij in schuldeisersverzuim verkeert. Uit artikel 6:59 BW volgt dat PB in schuldeiserverzuim komt, wanneer hij door aan hemzelf toe te rekenen omstandigheden niet voldoet aan een verplichting zijnerzijds jegens [appellant] en [appellant] op die grond bevoegdelijk de nakoming van zijn verbintenis jegens hem opschort. 3.10. [appellant] heeft een beroep op opschorting gedaan als gevolg van de overschrijding van de bouwtermijn door PB (in ieder geval in hoger beroep, zie memorie van antwoord in incidenteel appel nr. 17). Dat deze overschrijding aan PB was toe te rekenen is niet voldoende betwist. [appellant] mocht dus zijn betalingsverplichting opschorten met ingang van 2 augustus 2018. Het hof begrijpt dat de rechtbank op deze grond het opschortingsverweer van PB en [geïntimeerde1] c.s. heeft afgewezen. Dat aan de andere vereisten voor opschorting niet voldaan zou zijn en daarom het vonnis van de rechtbank niet in stand kan blijven heeft [geïntimeerde1] c.s. in hoger beroep niet naar voren gebracht. Het hof zal daarom net als de rechtbank ervan uitgaan dat aan de overige vereisten is voldaan. Omdat [appellant] mocht opschorten zijn PB en [geïntimeerde1] c.s. in schuldeisersverzuim gekomen en mochten PB en [geïntimeerde1] c.s. dus zelf niet meer opschorten. 3.11. [geïntimeerde1] c.s. betoogt nog dat hij uit de mail van [appellant] van 4 augustus 2018 mocht afleiden dat [appellant] zijn betalingsverplichtingen niet zou nakomen en dat hij daarom zijn verbintenis om de paardenstal af te maken mocht opschorten. Het hof is van oordeel dat dit niet uit de mail van 4 augustus 2018 afgeleid kan worden. Maar zelfs als het hof [geïntimeerde1] c.s. daarin zou volgen, mocht [appellant] op dat moment zijn betalingsverplichtingen al opschorten. Het kan dan ook niet tot een andere conclusie leiden. Vervangende schadevergoeding voor [appellant] : geen beroep op artikel 7:758 lid 3 BW 3.12. Volgens [geïntimeerde1] c.s. staat ook oplevering in de weg aan de vordering tot schadevergoeding van [appellant] , omdat op grond van artikel 7:758 lid 3 BW een aannemer is ontslagen van aansprakelijkheid voor gebreken die de opdrachtgever op het tijdstip van oplevering redelijkerwijs had moeten ontdekken. Volgens [geïntimeerde1] c.s. heeft [appellant] op 28 september 2018 de paardenstal in gebruik genomen, waarmee hij het werk heeft aanvaard. 3.13. Het hof stelt het volgende voorop. Indien een aannemer te kennen heeft gegeven dat het werk klaar is om te worden opgeleverd en de opdrachtgever het werk niet binnen een redelijke termijn keurt en al dan niet onder voorbehoud aanvaardt dan wel onder aanwijzing van de gebreken weigert, wordt de opdrachtgever geacht het werk stilzwijgend te hebben aanvaard. Na de aanvaarding wordt het werk als opgeleverd beschouwd (artikel 7:758 lid 1 BW). De aannemer is ontslagen van de aansprakelijkheid voor gebreken die de opdrachtgever op het tijdstip van oplevering redelijkerwijs had moeten ontdekken (artikel 7:758 lid 3 BW). 3.14. Het hof oordeelt dat het beroep van [geïntimeerde1] c.s. op deze bepalingen niet slaagt. Het hof stelt ten eerste vast dat de datum van ingebruikname en stilzwijgende acceptatie waarop [geïntimeerde1] c.s. zich beroept ligt na de datum van omzetting door [appellant] van de verbintenis tot nakoming door PB in een verbintenis tot vervangende schadevergoeding op 4 september 2018. Omdat [appellant] ook na deze datum nog een ingebrekestelling voor de beweerdelijke constructieve gebreken heeft gestuurd (zie r.o. 2.6) is onduidelijk of hij zich erop beroept dat door de omzetting herstel van gebreken door PB niet meer aan de orde was en oplevering daarom niet meer relevant. Ook als ervan uitgegaan zou worden dat oplevering nog relevant zou zijn, gaat het argument van [geïntimeerde1] c.s. echter niet op. Ten aanzien van de werkzaamheden die PB niet heeft afgemaakt, anders dan de gebreken in de constructie, heeft [appellant] op 17 augustus 2018, dus nog voor de door [geïntimeerde1] c.s. gestelde ingebruikname door [appellant] op 28 september 2018, gesommeerd deze te herstellen. Er kan ten aanzien van deze werkzaamheden geen sprake zijn van aanvaarding (stilzwijgend of anderszins) van de toen gesignaleerde gebreken door [appellant] . Ten aanzien van de door [appellant] gestelde gebreken in de constructie geldt dat [geïntimeerde1] c.s. niet heeft gesteld dat en zo ja waarom de keuring waarover in mei en juli 2019 gerapporteerd is niet binnen een redelijke termijn zou hebben plaatsgevonden. Partijen waren toen reeds geruime tijd met hulp van juridische bijstand in discussie, zodat [geïntimeerde1] met een conflict over zijn werkzaamheden rekening kon houden. [geïntimeerde1] c.s. heeft niet gesteld dat hij door de late mededeling in zijn belangen is geschaad en heeft ook geen andere omstandigheden gesteld die in dit geval tot de conclusie moeten leiden dat de termijn waarbinnen [appellant] het werk heeft gekeurd en de gebreken aan [geïntimeerde1] c.s. heeft laten weten onredelijk is. 3.15. Omdat deze verweren van [geïntimeerde1] c.s. niet slagen komt het hof vervolgens toe aan de verschillende door [appellant] in hoger beroep opnieuw aan de orde gestelde posten waarvoor hij schadevergoeding vordert. De belangrijkste daarvan is de vordering tot vergoeding van de schade omdat de constructie van de paardenstal niet zou voldoen. Gebreken in de constructie van de paardenstal? 3.16. [appellant] komt op tegen de afwijzing van zijn vordering tot vergoeding van de schade omdat de constructie van de paardenstal niet zou voldoen. 3.17. Het meest verstrekkende bezwaar van [appellant] tegen het vonnis van de rechtbank is, dat met PB zou zijn overeengekomen dat de constructie de sterkte zou hebben die in de constructieberekeningen van constructeur [naam1] van 19 oktober 2016 (productie 23 bij conclusie van antwoord in reconventie) is genoemd. Het hof oordeelt dat [appellant] onvoldoende heeft onderbouwd dat dit is overeengekomen. Vast staat weliswaar dat deze tekeningen aan PB zijn toegestuurd, maar onvoldoende is onderbouwd dat PB heeft aangegeven dat hij een paardenstal zou bouwen die aan deze specificaties voldeed of dat [appellant] daar gerechtvaardigd op mocht vertrouwen. Dat wordt zelfs direct weersproken door een e-mail van [appellant] van 26 mei 2018 (productie 7 van [geïntimeerde1] c.s. in de procedure bij de rechtbank). Daarin dringt hij erop aan om de houten kolommen op de bestaande betonnen fundering te plaatsen omdat dat stevig genoeg zou zijn en merkt hij op dat dit ook aansluit bij de bouwtekening, “met dien verstande dat jij houten palen gebruikt ipv stalen kolommen (inderdaad goed voor een flatgebouw).” Daaruit spreekt duidelijk dat [appellant] begreep dat de constructie minder sterk zou zijn dan de oorspronkelijk voorziene stalen kolommen, maar dat hij daartegen geen bezwaar had. Dat PB onvoldoende gewaarschuwd zou hebben dat de constructie zwakker zou worden, is daarmee ook onvoldoende onderbouwd. 3.18. [appellant] stelt ook dat met PB is overeengekomen dat hij een paardenstal zou bouwen met een constructie die geschikt zou zijn om het gewicht van (een wintervoorraad) hooi en stro op de eerste verdieping te kunnen dragen. Ook daarin volgt het hof hem niet. [appellant] heeft namelijk onvoldoende onderbouwd dat dit met PB is overeengekomen of dat hij daarop redelijkerwijs mocht vertrouwen. Uit de opdrachtbevestiging en de offerte blijkt dit niet. Dat in de oude stal balen hooi en stro naar de zolder werden gebracht, betekent niet dat PB ook heeft toegezegd dat in de nieuwe stal ook (een wintervoorraad) hooi en stro opgeslagen zou kunnen worden. Ook maakt dit niet duidelijk waarom [appellant] er ten opzichte van PB of [geïntimeerde1] c.s. vanuit mocht gaan dat aan deze eis voldaan zou worden. [geïntimeerde1] c.s. heeft betwist dat hij daarvan op de hoogte was en heeft gezegd dat toen hij de stal bouwde op de zolder van de oude stal oude huisraad werd bewaard. [appellant] verwijst nog naar de oorspronkelijke vergunningaanvraag uit 2016, maar geeft niet aan waar in deze vergunningaanvraag specifiek is aangegeven dat op de eerste verdieping balen hooi en stro opgeslagen zouden worden. Het hof kan daaruit niet afleiden dat PB had moeten begrijpen dat de eerste verdieping geschikt moest zijn voor de opslag van (een wintervoorraad) hooi en stro. Ten slotte wijst [appellant] er op dat de eerste verdieping zodanig hoog moest zijn dat een persoon er kon staan. Ook dat onderbouwt nog niet dat deze ruimte ook geschikt moest zijn voor de opslag van hooi en stro. Ook andere zaken, zoals de huisraad waarnaar [geïntimeerde1] c.s. heeft verwezen, kunnen beter worden opgeslagen wanneer de ruimte manshoog is. Het hof oordeelt daarom dat [appellant] onvoldoende heeft onderbouwd dat een eerste verdieping specifiek geschikt voor de opslag van (een wintervoorraad) hooi en stro is overeengekomen. Dat er specifiek een woonfunctie/gastenverblijf voor de eerste verdieping is overeengekomen blijkt evenmin uit de overeenkomst, waarvan de omschrijving slechts refereert aan een “paardenstal (…) met verdieping waarop afgeplat dak”, en wordt door [appellant] in hoger beroep ook niet als uitgangspunt gehanteerd. 3.19. Ten slotte stelt [appellant] dat de paardenstal niet voldoet aan de minimumeisen die daaraan gesteld worden door het Bouwbesluit, omdat het gebouw niet in staat is om zijn eigen gewicht/constructie te dragen en storm en regen/sneeuw te dragen. [appellant] heeft dat onderbouwd met een rapport van [naam1] van 6 mei 2019, waarin geconcludeerd wordt dat de gebinten van de paardenstal niet voldoen en daardoor de totale stabiliteit daarvan ook niet. Over de verdiepingsvloer wordt gezegd dat de balklagen niet voldoen, zowel op sterkte als op doorbuiging. Daartegenover heeft [geïntimeerde1] c.s. een memorandum van [naam2] van 22 januari 2021 ingebracht waarin op basis van een globale beoordeling van stukken geconcludeerd wordt dat de berekening van [naam1] als uitgangspunt een gebouw in Categorie A (woonfunctie) heeft met een referentieperiode van 50 jaar, terwijl het een gebouw in categorie E (lichte industriefunctie) betreft met een referentieperiode van 15 jaar, en dat de berekeningen van [naam1] te hoge rustende belastingen hebben aangenomen. [naam1] heeft in een nadere verklaring van 17 september 2021 (productie 4 bij memorie van grieven) geconstateerd dat hij zijn berekening heeft gebaseerd op de vergunningaanvraag en op verzoek van [appellant] inderdaad een woonfunctie heeft aangehouden. [naam1] concludeert echter dat als het gebouw een lichte industriefunctie heeft en de rustende belasting van [naam2] gevolgd wordt ook niet aan de eisen wordt voldaan. [geïntimeerde1] c.s. heeft nog een korte mail van [naam2] van 21 januari 2021 overgelegd die luidt: “Omdat het een industriegebouw is geworden is het wettelijk gezien niet noodzakelijk om met een vloerbelasting van 1,75 kN/m2 te rekenen, dus is alles dan akkoord. Het dak is nog niet gecheckt omdat ik de belasting wat lager wil hebben, zodat de onderconstructie makkelijker kan gaan voldoen.” Ook heeft [appellant] een rapport van [naam1] overgelegd van 31 juli 2019 met een statische berekening voor de herstelmaatregelen en een rapport van Huls Adviseurs met een begroting van de herstelkosten. Het hof gaat ervan uit dat in deze berekening is uitgegaan van herstel tot een paardenstal met woonfunctie. 3.20. Uit deze rapporten blijkt niet (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.