Afdeling strafrecht Parketnummer: 21-005509-22 Uitspraak d.d.: 13 juni 2023 TEGENSPRAAK Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de kinderrechter in de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, van 13 december 2022 met parketnummer 16-317036-21 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2004, wonende te [woonplaats] . Het hoger beroep De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 30 mei 2023 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsvrouw, mr. A. van den Driest, naar voren is gebracht. Het vonnis waarvan beroep De kinderrechter heeft verdachte ter zake van twee mishandelingen veroordeeld tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf van 60 uur, waarvan 30 uur voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar. Voorts heeft de kinderrechter de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] tot een bedrag van € 269,- en de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2] tot een bedrag van € 128,08 toegewezen, in beide gevallen vermeerderd met wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, en bepaald dat de benadeelde partijen in het overige deel van de vorderingen niet-ontvankelijk zijn. Het hof zal het vonnis waarvan beroep om proceseconomische redenen vernietigen. Het hof zal daarom opnieuw rechtdoen. De tenlastelegging Aan verdachte is tenlastegelegd dat: 1.hij op of omstreeks 16 november 2021 te [plaats] , gemeente [gemeente] [benadeelde 1] heeft mishandeld door haar in het gezicht te stompen/slaan; 2.hij op of omstreeks 16 november 2021 te [plaats] , gemeente [gemeente] [benadeelde 2] heeft mishandeld door hem meermalen tegen het lichaam en in/tegen het gezicht/hoofd te stompen/slaan. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging. Overweging met betrekking tot het bewijs De advocaat-generaal acht het onder 1 en 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen. De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit. Ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde is aangevoerd dat de overtuiging ontbreekt dat de aanraking als mishandeling gekwalificeerd dient te worden, omdat uit het dossier niet valt op te maken dat verdachte het slachtoffer opzettelijk heeft geslagen. Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde heeft de verdediging bepleit dat er sprake was van een noodweersituatie. Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het onder 1 en 2 tenlastegelegde wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen. Het hof overweegt hierbij in het bijzonder het volgende. Noodweer (feit 2) Ter terechtzitting heeft de raadsvrouw overeenkomstig haar pleitnota aangevoerd dat de verdachte heeft gehandeld uit noodweer, als bedoeld in artikel 41, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. De raadsvrouw heeft gesteld dat de verdachte zich geconfronteerd zag met een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding. Het hof gaat uit van de volgende, aan wettige bewijsmiddelen ontleende, feiten en omstandigheden. Het incident tussen verdachte en aangever [benadeelde 2] nam een aanvang toen verdachte – nadat hij al eerder een meisje bij de bushalte had gestompt – zich dreigend opstelde naar de vriendin van aangever. Aangever voelde zich in deze situatie geroepen om in te grijpen en hij pakte verdachte in een nekgreep. Hierop heeft verdachte een aantal keer (om zich heen) geslagen om los te komen uit die greep. Op enig moment heeft aangever verdachte losgelaten en kwam er een oudere man tussen beiden. De situatie waarin verdachte werd aangevallen was hiermee beëindigd. Verdachte heeft aangever vervolgens (opnieuw) geslagen, ditmaal met zijn vuist in het gezicht van aangever. Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat de verdachte de hem verweten gedraging niet heeft verricht in een situatie waarin en op een tijdstip waarop (nog) sprake was van (onmiddellijk dreigend gevaar voor) een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding waartegen noodzakelijke verdediging geboden was. Voor zover er voorafgaande aan dit incident een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding door aangever jegens verdachte heeft plaatsgevonden, is het hof van oordeel dat deze aanranding reeds was beëindigd op het moment dat er een man tussen beide jongens kwam en aangever en verdachte uit elkaar had gehaald. Verdachte heeft hem echter alsnog geslagen. Het beroep op noodweer wordt derhalve verworpen. Bewezenverklaring Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel -ook in onderdelen- slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat: 1.hij op of omstreeks 16 november 2021 te [plaats] , gemeente [gemeente] [benadeelde 1] heeft mishandeld door haar in het gezicht te stompen/slaan; 2.hij op of omstreeks 16 november 2021 te [plaats] , gemeente [gemeente] [benadeelde 2] heeft mishandeld door hem meermalen tegen het lichaam en in/tegen het gezicht/hoofd te stompen/slaan. Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Het onder 1 en 2 bewezenverklaarde levert op: telkens: mishandeling. Strafbaarheid van de verdachte Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn. Oplegging van straf en/of maatregel De advocaat-generaal heeft dezelfde straf zoals opgelegd door de kinderrechter gevorderd. De raadsvrouw heeft in geval van een bewezenverklaring een geheel voorwaardelijke geldboete bepleit. De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. Verdachte heeft twee medescholieren mishandeld. Hij heeft daarbij de slachtoffers pijn en angst bezorgd. Daarnaast brengen feiten als de onderhavige gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving teweeg. Bij de op te leggen straf heeft het hof rekening gehouden met het feit dat verdachte blijkens het uittreksel uit de justitiële documentatie van 28 april 2023 niet eerder is veroordeeld ter zake van (soortgelijke) strafbare feiten. Ook nadien is verdachte niet meer met justitie in aanraking geweest wegens strafbare feiten. Gelet op de aard en de ernst van hetgeen is bewezenverklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht het hof oplegging van een (deels voorwaardelijke) taakstraf, bestaande uit een werkstraf van de hierna aan te geven duur, passend en geboden. De voorwaardelijke straf wordt mede opgelegd als stok achter de deur, om ervoor te zorgen dat verdachte niet opnieuw een strafbaar feit pleegt. Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 417,
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.