Afdeling strafrecht Parketnummer: 21-003286-21 Uitspraak d.d.: 18 april 2023 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 8 juli 2021 met parketnummer 05-136162-20 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1985, thans verblijvende in PI [verblijfplaats] . Het hoger beroep De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 4 april 2023 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr. A.J. Sprey, naar voren is gebracht. Het vonnis waarvan beroep De rechtbank heeft verdachte ter zake van zedenfeiten met zijn minderjarige dochters, bezit van kinderporno en hard drugs veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes jaar. Tevens heeft de rechtbank gelast dat verdachte ter beschikking wordt gesteld met verpleging van overheidswege (verder: tbs-maatregel met dwangverpleging). Daarnaast heeft de rechtbank de inbeslaggenomen telefoons, laptop en harde schijf verbeurd verklaard. Tot slot zijn de vorderingen van de benadeelde partijen volledig toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Het hof is van oordeel dat de rechtbank op juiste gronden heeft beslist en zal het vonnis daarom bevestigen voor zover het de bewezenverklaring betreft. De bekentenis van verdachte ter terechtzitting van het hof op 4 april 2023, inhoudend dat hij zijn vingers tussen de schaamlippen van zijn minderjarige dochter [benadeelde 1] heeft gebracht, dat hij een dildo tussen haar schaamlippen heeft gebracht, zijn tong tussen haar schaamlippen heeft gebracht en zijn penis in haar mond heeft gebracht en, ten aanzien van zijn jongste dochter [benadeelde 2] dat hij haar zijn penis heeft laten betasten of vasthouden, haar vagina heeft betast en haar zijn penis heeft laten kussen, legt het hof mede ten grondslag aan de bewezenverklaring. Ten aanzien van de strafoplegging komt het hof tot een andere beslissing dan de rechtbank. In zoverre zal het vonnis dan ook worden vernietigd. Nu met deze vernietiging ten aanzien van de strafoplegging ook de schadevergoedingsmaatregel bij de vorderingen van de benadeelde partijen wordt vernietigd, zal het hof ook een nieuwe beslissingen nemen ten aanzien van deze vorderingen. Oplegging van straf en/of maatregel De advocaat-generaal heeft een gevangenisstraf van zes jaar met aftrek van de duur van het voorarrest gevorderd. Daarnaast heeft zij geëist dat de tbs-maatregel met dwangverpleging wordt opgelegd. De raadsman heeft bepleit om een gevangenisstraf van maximaal vijf jaar en een tbs-maatregel met voorwaarden op te leggen. Hiertoe is aangevoerd dat een tbs-maatregel met dwangverpleging een te vergaande maatregel vormt. De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. Ernst van de feiten Verdachte heeft gedurende enige tijd vergaande seksuele handelingen verricht met zijn twee dochters van toen twee en vier jaar. Dit is slechts gestopt door ingrijpen van buitenaf. Met zijn handelen heeft de verdachte het fysieke en psychische welzijn van zijn dochters ondergeschikt gemaakt aan de bevrediging van zijn eigen seksuele behoeften en heeft daarmee op zeer ernstige wijze inbreuk gemaakt op hun onbelemmerde (seksuele) ontwikkeling. Het is algemeen bekend dat vooral jonge slachtoffers, die nog vóór of aan het begin van hun seksuele ontwikkeling staan, na dit soort delicten vaak langdurig te lijden hebben van de ten gevolge van deze delicten opgelopen trauma's en de daardoor veroorzaakte emotionele schade. Strafverzwarend is dat verdachte de vader van beide slachtoffers is. Als vader heeft hij het vertrouwen dat zijn dochters in hem als vader mochten stellen en de geborgenheid en veiligheid die zij van hem mochten verwachten op zeer ernstige wijze beschaamd. Ook dat gegeven moeten deze meisjes in de toekomst een plaats leren geven, waarbij blijkens de ter zitting voorgelezen slachtofferverklaring ook hun moeder een aanzienlijke taak te vervullen heeft. Ook strafverzwarend is dat verdachte lange tijd geen enkele openheid van zaken heeft willen geven, waardoor hij tijdige adequate hulpverlening aan de slachtoffers heeft belemmerd. Voorts heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het op internet verspreiden van verschillende kinderpornografische afbeeldingen en video’s van zijn minderjarige dochtertjes. Hierdoor heeft verdachte bewust het risico genomen dat het aanstootgevende materiaal door derden wordt opgeslagen en (elders) publiek wordt gemaakt. Bovendien moeten de slachtoffers de rest van hun leven met de onzekerheid leven dat het materiaal ooit nog eens boven water komt. In de praktijk is namelijk gebleken dat een afbeelding die eenmaal op internet is aangetroffen, vrijwel onmogelijk blijvend van internet te verwijderen is en dus nog jarenlang onverwacht kan opduiken. Verder is bij verdachte een omvangrijke verzameling kinderpornografisch materiaal aangetroffen met andere slachtoffers dan alleen zijn dochtertjes. Tot slot heeft verdachte harddrugs aanwezig gehad. Uit zijn mailwisseling is af te leiden dat verdachte plannen had zijn dochters of andere jonge kinderen GHB toe te dienen, zodat zij aan zijn seksuele handelingen geen herinnering zouden hebben. Er zijn echter geen aanwijzingen in het dossier te vinden dat dit ook daadwerkelijk is gebeurd. Hij heeft met de aanwezigheid van deze drugs echter ook een bijdrage geleverd aan de instandhouding van het criminele drugscircuit. Drugs zijn schadelijk voor de volksgezondheid en leiden tot veel vormen van criminaliteit. Feiten als deze brengen bovendien onrust voor de samenleving met zich mee. Persoon van de verdachte Het hof heeft acht geslagen op het uittreksel justitiële documentatie. Daaruit blijkt dat verdachte niet eerder voor soortgelijke strafbare feiten met justitie in aanraking is geweest. In aanvulling op en ter actualisatie van de Pro Justitia rapportages van 7 en 26 oktober 2020 en het rapport van [kliniek] van 8 juni 2021, zijn er over verdachte gedragsdeskundige rapportages uitgebracht. De psychiater dr. J.L.M. Dinjens (verder: Dinjens) concludeert in zijn rapport van 12 augustus 2022 dat bij verdachte sprake is van een ongespecificeerde parafiele stoornis en een stoornis in het gebruik van stimulantia en GHB, beide in gedwongen remissie als gevolg van de detentiesituatie. In aanloop naar en ten tijde van het tenlastegelegde was er tevens sprake van een aanpassingsstoornis met een stoornis in emoties en gedrag. Het risico op vergelijkbaar delictgedrag wordt door Dinjes ingeschat als matig en dat risico neemt toe wanneer verdachte opnieuw in een stresssituatie terecht zou komen, met name ook in combinatie met middelengebruik. Het advies is om hem de feiten verminderd toe te rekenen met uitzondering van het middelenbezit, en om een tbs-maatregel met voorwaarden op te leggen. Klinisch psycholoog drs. B. van Giessen (hierna: Van Giessen) komt in zijn rapport van 11 augustus 2022 tot de conclusie dat bij verdachte sprake is van een parafiele stoornis die kan worden omschreven als een amorfe psychoseksuele ontwikkeling of structuur. Daarnaast is sprake van een aanpassingsstoornis en een stoornis in het gebruik van amfetamine en GHB. Er is geen persoonlijkheidsstoornis vastgesteld maar er zijn wel antisociale en afhankelijke trekken. Ook is sprake van een lage informatieverwerkingssnelheid. Het recidiverisico wordt door Van Giessen ook op middellange termijn als laag ingeschat, tenzij zich opnieuw ingrijpende levensgebeurtenissen voordoen. In combinatie met drugsgebruik zou dat leiden tot een verhoogd risico. Het advies is om alle feiten in enigszins verminderde mate toe te rekenen en om aan verdachte een tbs-maatregel met voorwaarden op te leggen. Het hof ziet geen aanleiding om aan de bevindingen en conclusies van voornoemde deskundigen te twijfelen en neemt deze over. Het hof zal daarom de feiten in verminderde mate aan verdachte toerekenen. Vrijheidsstraf Gelet op de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, acht het hof een forse onvoorwaardelijke vrijheidsstraf passend. Alles afwegende zal het hof verdachte veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaar met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht. Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is. Terbeschikkingstelling Het hof acht met de rechtbank de oplegging van de tbs-maatregel op grond van artikel 37a en 38 van het Wetboek van Strafrecht geboden, nu bij de verdachte tijdens het begaan van de feiten een ziekelijke stoornis en een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens bestond, er sprake is van een door de verdachte begaan feit dat een misdrijf is waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld en de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen het opleggen van die maatregel eist. In hoger beroep heeft de discussie zich toegespitst op de vraag of, naast de oplegging van een langdurige gevangenisstraf, de tbs-maatregel met dwangverpleging dan wel de tbs-maatregel met voorwaarden gelast dient te worden. Het hof overweegt daarover het volgende. Uit de rapporten van Dinjens en Van Giessen blijkt dat zorgvuldig is overwogen om de mogelijkheden om het recidiverisico te beperken door middel van een tbs-maatregel met voorwaarden. Zij hebben onder meer opgemerkt dat binnen het kader van de tbs-maatregel met voorwaarden een afname van de risicofactoren, het inslijpen van gedragspatronen en het vergroten van inzicht voldoende wordt gewaarborgd. Voorts is de verwachting dat verdachte in staat is om zich te kunnen houden aan de in het kader van de terbeschikkingstelling te stellen voorwaarden. De reclassering heeft in zijn maatregelrapport van 25 oktober 2022 positief geadviseerd over een tbs-maatregel met voorwaarden en heeft in dat rapport de mogelijk op te leggen voorwaarden geformuleerd. Daarbij is wel de kanttekening gemaakt dat verdachte nog steeds veel verantwoordelijkheid buiten zichzelf legt en dat deze houding mogelijk zorgt voor stagnatie in zijn delict-preventieve behandeling. In dat geval moet alsnog aan omzetting naar een tbs met dwangverpleging worden gedacht. Naast een tbs-maatregel met voorwaarden adviseert de reclassering om aan verdachte een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel op te leggen. Het hof is van oordeel dat er gelet op de hiervoor weergegeven rapportages oplegging van een tbs-maatregel met voorwaarden het meest passend is. Het gevaar dat verdachte voor de maatschappij kan vormen, zal voldoende kunnen worden ingeperkt door hem in eerste instantie in een (langdurige) klinische setting voor zijn persoonlijkheidsstoornis te behandelen. Daarin is voorzien in de door de reclassering opgestelde voorwaarden. De reclassering is bereid zich in het kader van een tbs-maatregel met voorwaarden in te spannen, indien de in het maatregelrapport vermelde voorwaarden aan verdachte worden opgelegd. De reclassering zal daar toezicht op uitoefenen. Het hof zal de door de reclassering gestelde voorwaarden aan de terbeschikkingstelling verbinden, met dien verstande dat het de gestelde voorwaarde van het ‘meewerken aan een time-out’ zal herformuleren in overeenstemming met de recente jurisprudentie van de Hoge Raad. Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat aan de wettelijke vereisten voor de oplegging van deze maatregel is voldaan overeenkomstig artikel 37a, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. Het hof acht het dan ook noodzakelijk om de tbs-maatregel met voorwaarden op te leggen ten aanzien van het onder 1, 2, 3, 4 en 5 bewezenverklaarde. Dadelijke uitvoerbaarheid tbs-maatregel met voorwaarden Gelet op de noodzaak van behandeling en het recidivegevaar, zal het hof bevelen dat de tbs-maatregel met voorwaarden dadelijk uitvoerbaar is overeenkomstig artikel 38 van het Wetboek van Strafrecht. Gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel Het hof is voorts van oordeel dat het noodzakelijk is om de verdachte een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht op te leggen. Hiermee wordt de mogelijkheid gecreëerd om de verdachte ook na de tbs-maatregel met voorwaarden, indien dat dan nodig zou blijken, onder toezicht te stellen, opdat het risico op recidive wordt geminimaliseerd. Aan de wettelijke vereisten voor de oplegging van een maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking als bedoeld in artikel 38z, eerste lid Wetboek van Strafrecht is voldaan. Aan de verdachte wordt immers de tbs-maatregel met voorwaarden opgelegd. Daarnaast is de oplegging van de maatregel van artikel 38z in het belang van de bescherming van de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen. De beoordeling van de noodzaak tot tenuitvoerlegging van die maatregel en het eventuele bepalen van specifieke voorwaarden zal in de laatste fase van de executie van de maatregel van terbeschikkingstelling met voorwaarden plaatsvinden. Een risicotaxatie van het dan aanwezige recidivegevaar dient in het kader van die beoordeling plaats te vinden. Voorwaardelijk verzoek Nu het hof de tbs-maatregel met voorwaarden zal gelasten, kan hetgeen door de raadsman is aangevoerd omtrent het nader horen van de deskundigen onbesproken blijven. Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 10.355,
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.