← Nederland

ECLI:NL:GHARL:2023:5388

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem, afdeling civiel zaaknummer gerechtshof 200.297.142 zaaknummer rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo: 249624 arrest van 27 juni 2023 in de zaak van

  1. Stichting ter bevordering van Internationale Handelskontakten “U.B.C.” (United Business Consultants, die is gevestigd in Geerdijk;
  2. [appellant2] ; en
  3. [appellante3] die beiden wonen in [woonplaats1] ; die alle drie hoger beroep hebben ingesteld en bij de rechtbank optraden als gedaagden in conventie en eisers in reconventie hierna: samen stichting c.s. en ieder afzonderlijk stichting, [appellant2] en [appellante3] , advocaat: mr. E. Nijhoff tegen [geïntimeerde] , die handelt in hoedanigheid van curator van Nowa Wies B.V., die woont in [woonplaats2] , die ook hoger beroep heeft ingesteld en bij de rechtbank optrad als eiser in conventie en gedaagde in reconventie hierna: de curator advocaat: mr. G. Beekman. 1Het verloop van de procedure in hoger beroep 1.
  4. Het procesverloop in hoger beroep blijkt uit het tussenarrest van 28 maart 2023 (hierna: het tussenarrest). Daarin heeft het hof stichting c.s. onder meer toegelaten tot het leveren van tegenbewijs. Op de rol van 25 april 2023 heeft stichting c.s. bericht daarvan af te zien en arrest gevraagd, waarop de curator niet meer heeft gereageerd. 2De verdere beoordeling 2.
  5. In het tussenarrest is het hof er voorshands van uitgegaan dat de door stichting c.s. bij Nowa Wies veroorzaakte schade als gevolg van pinopnames € 5.900 bedraagt. Het hof heeft stichting c.s. toegelaten tot het leveren van tegenbewijs. Stichting c.s. heeft afgezien van het leveren van tegenbewijs, zodat de schade voor het genoemde bedrag is komen vast te staan. Het hoger beroep van stichting c.s. op dit punt faalt. 2.
  6. In het tussenarrest heeft het hof voorts beslist dat de door stichting c.s. bij Nowa Wies veroorzaakte schade als gevolg van de instemming met de huurverlaging en de beëindiging van de huurovereenkomst € 180.000 bedraagt, zoals de rechtbank in eerste aanleg al oordeelde. 2.
  7. In het tussenarrest heeft het hof ten slotte geoordeeld dat de grief van de curator tegen de afwijzing van de vordering tot betaling van buitengerechtelijke kosten niet slaagt. 2.
  8. Het principaal hoger beroep van stichting c.s. en het incidenteel hoger beroep van de curator slagen beide niet. Omdat stichting c.s. in haar hoger beroep in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof stichting c.s. tot betaling van de proceskosten in het principaal hoger beroep veroordelen. Omdat de curator in het incidenteel hoger beroep in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof de curator tot betaling van de kosten van het incidenteel hoger beroep veroordelen. Vanwege het geringe financiële belang van het incidenteel beroep zal het hof uitgaan van tarief I van het liquidatietarief en dit halveren omdat het om een incidenteel beroep gaat. Onder de proceskosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak. 2.
  9. De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad). 3De beslissing in het principaal en incidenteel beroep Het hof: 3.
  10. bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Overijssel van 24 maart 2021; 3.
  11. veroordeelt stichting c.s. in het principaal beroep hoofdelijk tot betaling van de volgende proceskosten van de curator: € 5.610,- aan griffierecht; € 3.481,- aan salaris van de advocaat van de curator (1 procespunt x appeltarief V); 3.
  12. veroordeelt de curator in het incidenteel beroep tot betaling van de volgende proceskosten van stichting c.s.: € 418,- aan salaris van de advocaat van stichting c.s. (1 procespunt x de helft van appeltarief I); 3.
  13. verklaart de proceskostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad; 3.
  14. wijst af wat verder is gevorderd. Dit arrest is gewezen door mrs. S.M. Evers, I. Brand en G.P. Oosterhoff, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 27 juni
  15. HR 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:853.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.