GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem afdeling civiel recht zaaknummer gerechtshof 200.314.177 (zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 534185) beschikking van 20 juli 2023 in de zaak van [verzoekster] , wonende te [woonplaats1] , verzoekster in het principaal hoger beroep, verweerster in het incidenteel hoger beroep, verder te noemen: de vrouw, advocaat: voorheen mr. S. Yücel te Amersfoort, die zich na de tussenbeschikking heeft onttrokken, en [verweerder] , wonende te [woonplaats2] , verweerder in het principaal hoger beroep, verzoeker in het incidenteel hoger beroep, verder te noemen: de man, advocaat: mr. G.J. de Hosson te Hilversum. 1De verdere beoordeling van de grieven in principaal en incidenteel beroep De tussenbeschikking van het hof 1.1 Bij tussenbeschikking van 6 april 2023 heeft het hof tegen de achtergrond van artikel 21 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) en onder verwijzing naar artikel 284 lid 1 juncto 150 Rv de vrouw in de gelegenheid gesteld zich uiterlijk 4 mei 2023 schriftelijk nader uit te laten over de feiten en omstandigheden waaruit blijkt dat zij de door haar in productie 19 opgenomen sollicitaties daadwerkelijk heeft verricht op de aldaar vermelde data, en afwijzingen heeft ontvangen op de aldaar vermelde data en van de aldaar genoemde personen en in dat kader specifiek in te gaan op hetgeen cursief is vermeld in rechtsoverweging 5.6 en ook reeds aan te geven of, en zo ja hoe zij (schriftelijk) bewijs wenst te leveren van een en ander. Draagkracht van de vrouw 1.2 Achtergrond van deze beslissing was de volgende. Kern van het debat in deze zaak is de vraag of aan de zijde van de vrouw na 1 februari 2022 sprake is van inkomensverlies dat voor herstel vatbaar is, dan wel verwijtbaar is. De vrouw werkte tot 1 februari 2022 32 uur per week. Op die baan, het door de vrouw genoemde aantal uren en het daarbij behorende inkomen is haar aandeel in de kosten van de kinderen in de beschikking van 21 oktober 2021 bepaald. Vanaf 1 februari 2022 werkte de vrouw op grond van een vooraf aangekondigde urenvermindering in eerste instantie 20 uur per week. Per 1 juli 2022 werkt(e) de vrouw 16 uur per week. 1.3 De rechtbank heeft voor de periode van 1 februari 2022 tot 1 juli 2022 rekening gehouden met het (werkelijke) inkomen van de vrouw op basis van 20 uur per week. Voor de periode daarna heeft de rechtbank geoordeeld dat van de vrouw kon worden verwacht dat zij weer 32 uur per week gaat werken, aangezien zij een inspanningsverplichting heeft om aan haar onderhoudsverplichting voor de kinderen te voldoen. Het standpunt van de vrouw in (principaal) hoger beroep komt er op neer dat na 1 juli 2022 gerekend moet worden met een (werkelijk) inkomen op basis van 16 uur in plaats van met een fictief inkomen op basis van 32 uur. Het standpunt van de man in (incidenteel) hoger beroep is dat ook over de periode 1 februari 2022 tot 1 juli 2022 gerekend moet worden met een inkomen op basis van 32 uur. 1.4 De vrouw heeft gesteld dat zij aan haar inspanningsverplichting als door de rechtbank bedoeld heeft voldaan. Volgens de vrouw kan zij echter haar verdiencapaciteit niet geldend maken, althans is het inkomensverlies niet voor herstel vatbaar (gebleken) nu zij na december 2021 geen andere vergelijkbare baan voor 32 uur heeft kunnen vinden. Zij verwijst in dat verband naar de door haar bij bericht van 10 februari 2023 overlegde sollicitaties en de afwijzingen daarvan. De man heeft op de mondelinge behandeling – en kon dat gezien genoemde tiendagentermijn ook niet eerder doen – uitvoerig, concreet en gemotiveerd de echtheid van de overgelegde sollicitaties en afwijzingen van de vrouw betwist. Volgens hem zijn deze valselijk opgemaakt. Vervolgens heeft het hof genoemde tussenbeschikking gegeven. 1.5 Na de tussenbeschikking heeft de advocaat van de vrouw zich onttrokken. Het hof heeft de vrouw in de gelegenheid gesteld een andere advocaat toe zoeken en de (aanvankelijke) termijn van 4 mei 2023 verlengd. Het hof heeft verder niet meer vernomen van de vrouw. Gevolg van dit alles is dat de vrouw zich niet nader schriftelijk heeft uitgelaten als bedoeld in de tussenbeschikking. 1.6 De man beroept zich erop dat de vrouw met het overleggen van valselijk opgemaakte sollicitaties de waarheidsplicht heeft geschonden en in strijd met artikel 21 Rv heeft gehandeld. De man verzoekt het hof gebruik te maken van diens bevoegdheid daaruit de gevolgtrekking te maken die het hof geraden acht. Het hof vat dit laatste aldus op dat de man zich op het standpunt stelt dat, indien de sollicitaties vals blijken, het hof er evenals de rechtbank vanuit moet gaan dat sprake is van voor herstel vatbaar en verwijtbaar inkomensverlies en het beroep reeds daarom faalt. Het hof volgt de man in zijn standpunt. Voor het hof is niet genoegzaam vast komen te staan dat sprake is van (echte) sollicitaties en afwijzingen. 1.7 Het gevolg daarvan is dat het hof er vanuit gaat dat de vrouw ook over de periode ingaande 1 februari 2022 haar inkomensverlies had kunnen en moeten voorkomen. Het hof gaat dus in het kader van de kinderalimentatie uit van het inkomen van de vrouw op basis van 32 uur per week en een door de man te betalen bijdrage per 1 februari 2022 van € 163,- per maand. Het hof merkt op dat (de rechtbank eraan voorbij lijkt te zien dat) deze bijdrage identiek is aan de (per 1 januari 2023) geïndexeerde bijdrage als bepaald in de beschikking van 21 oktober
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.