← Nederland

ECLI:NL:GHARL:2023:6244

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN zittingsplaats Leeuwarden Zaaknummer : Wahv 200.321.830/01 CJIB-nummer : 239538354 Uitspraak d.d. : 21 juli 2023 Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Amsterdam van 8 december 2022, betreffende [de betrokkene] (hierna: de betrokkene), wonende te [woonplaats] . De gemachtigde van de betrokkene is mr. B. de Jong, kantoorhoudende te Gouda. De beslissing van de kantonrechter De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gedeeltelijk gegrond verklaard en de sanctie gematigd tot een bedrag van € 170,-. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is toegewezen tot een bedrag van € 1.164,

  1. Het verloop van de procedure De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding. De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt. De beoordeling
  2. Hetgeen in hoger beroep door de gemachtigde van de betrokkene wordt aangevoerd, beperkt zich tot de grond inhoudende dat de kantonrechter bij het vaststellen van een proceskostenvergoeding ten onrechte geen punt heeft toegekend voor het verschijnen ter zitting van de kantonrechter van 12 september
  3. De kantonrechter heeft overwogen: “Er wordt geen punt toegekend voor het bijwonen van de zitting van 12 september
  4. Dat geen inhoudelijke behandeling heeft plaatsgevonden ligt in de risicosfeer van de gemachtigde. Zijn client had geen zekerheid gesteld én door de gemachtigde is geen onderbouwd draagkrachtverweer gevoerd. De kantonrechter ziet dan ook geen aanleiding voor deze proceshandeling een punt toe te kennen.”
  5. Gelet op hetgeen het hof in het arrest van 28 april 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:3336, heeft overwogen, dient de kantonrechter in dit geval een proceskostenvergoeding toe te kennen. De gemachtigde is tweemaal ter zitting verschenen bij de kantonrechter. Het beroep is eerst behandeld ter zitting van 12 september
  6. Daarvan is een tussenbeslissing d.d. 12 september 2022 opgemaakt. Vervolgens is het beroep behandeld ter zitting van 8 december
  7. Nu in het onderhavige geval de gemachtigde is verschenen zowel ter zitting van 12 september 2022 als ter nadere zitting na tussenuitspraak van 8 december 2022, had de kantonrechter voor het verschijnen ter beide zittingen één punt per zitting moeten toekennen (zie nummers 13 en 14 van onderdeel A1 van de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht) (vgl. het arrest van het hof van 3 oktober 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:8439). Het hof zal derhalve de beslissing van de kantonrechter voor zover aan het hoger beroep onderworpen, namelijk voor zover daarbij is beslist op het verzoek om een proceskostenvergoeding, vernietigen en doen hetgeen de kantonrechter zou behoren te doen.
  8. Aan het indienen van het administratief beroepschrift, het indienen van het beroepschrift bij de kantonrechter alsmede het tweemaal verschijnen ter zitting van de kantonrechter dienen in totaal vier punten te worden toegekend. Het hof zal, met toepassing van artikel 2, derde lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht, voor het telefonisch horen in administratief beroep een half punt toekennen. De waarde per punt bedraagt voor het administratief beroep € 597,- en voor het beroep € 837,-. Gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast. Aldus bedraagt de vergoeding voor de in deze zaak in administratief beroep en in beroep gemaakte proceskosten € 1.703,25 (= (1,5 x € 597,- x 0,5) + (3 x € 837,- x 0,5)).
  9. Naar het oordeel van het hof bestaat in casu aanleiding voor het toekennen van een proceskostenvergoeding in hoger beroep. De gemachtigde van de betrokkene heeft het rechtsmiddel van hoger beroep moeten aanwenden om alsnog een proceskostenvergoeding vastgesteld te krijgen. Aan het indienen van het hoger beroepschrift dient één punt te worden toegekend. De waarde per punt bedraagt voor het hoger beroep € 837,-. Nu het onderhavige geschil in hoger beroep slechts betrekking heeft op de vraag of een proceskostenvergoeding moet worden toegekend, wordt voor de vaststelling van de vergoeding voor de in hoger beroep gemaakte proceskosten de wegingsfactor 0,25 (gewicht van de zaak = zeer licht) toegepast (vgl. het arrest van het hof van 1 april 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:1786). Aldus bedraagt de vergoeding voor de in hoger beroep gemaakte proceskosten € 209,25 (= 1 x € 837,- x 0,25).
  10. Het hof zal de advocaat-generaal, gelet op het voorgaande, veroordelen in de proceskosten tot een bedrag van in totaal € 1.912,50 (= € 1.703,25 + € 209,25). De beslissing Het gerechtshof: vernietigt de beslissing van de kantonrechter, voor zover daarbij is beslist op het verzoek om een proceskostenvergoeding; veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene tot een bedrag van € 1.912,
  11. Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Koldenhof-ten Kate als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.