GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Leeuwarden afdeling civiel recht, handel zaaknummer gerechtshof 200.305.488/01 (zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 508821) arrest van 24 januari 2023 in de zaak van [appellante] , in haar hoedanigheid van gevolmachtigde van de erfgenamen [kind1] , [kind2] , [kind3] en [kind4] , wonende te [woonplaats1] , appellante, bij de rechtbank: eiseres, hierna: [appellante] , advocaat: mr. E.H. Bakker, die kantoor houdt te Utrecht, tegen [geïntimeerde] , wonende te [woonplaats2] , geïntimeerde, bij de rechtbank: gedaagde, hierna: [geïntimeerde], advocaat: mr. R. Kuizenga, die kantoor houdt te Almere. 1De verdere procedure bij het hof 1.1 Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit het tussenarrest van dit hof van 28 juni 2022, waarin een mondelinge behandeling van de zaak is bevolen. Daarna is door [appellante] nog een akte genomen. Van de op 20 december 2022 gehouden mondelinge behandeling is een verslag (proces-verbaal) gemaakt dat zich bij de stukken bevindt. 1.2 Vervolgens is het hof gevraagd arrest te wijzen. Het hof heeft de datum van arrest bepaald op heden. 2De feiten van de zaak 2.1 [appellante] is gehuwd geweest met [naam1] (hierna: [naam1] ). Uit dit huwelijk zijn [kind2] , [kind3] en [kind4] geboren. [naam1] had nog een vierde zoon uit een eerder huwelijk: [kind1] . 2.2 Het huwelijk tussen [appellante] en [naam1] is [in] 2014 ontbonden. 2.3 Vanaf 2011/2012 had [naam1] een affectieve relatie met [geïntimeerde] . In oktober 2012 is [geïntimeerde] , die in Spanje woonde, met haar twee zonen gaan samenwonen met [naam1] in [woonplaats2] . 2.4 Na een periode van onderzoeken is op 22 augustus 2019 bij [naam1] de diagnose Parkinson gesteld. 2.5 In een door [geïntimeerde] opgenomen gesprek op 29 augustus 2019 heeft [naam1] onder meer tegen [geïntimeerde] gezegd (in Nederlandse vertaling): “Alles wat ik heb is van jou [geïntimeerde] , je hoeft niet van nul af aan te beginnen, dat is niet waar.” en “Je bent altijd heel goed voor mij geweest, beter dan ik voor jou. Je verdient dat en meer. Je gaat niet weg met lege handen, want als er iets gebeurt, zorg ik ervoor dat jij je geld hebt, echt.” 2.6 Op 30 augustus 2019 om 09.58 uur heeft [naam1] een bedrag van € 82.536,- overgemaakt naar de bankrekening van [geïntimeerde] onder vermelding van “salaris oktober 2012”. Op diezelfde dag, omstreeks 10.20 uur, maakte hij een einde aan zijn leven. 2.7 [kind1] , [kind2] , [kind3] en [kind4] (hierna: de zonen) zijn de enige erfgenamen van [naam1] . 3De vorderingen van [appellante] en haar grieven 3.1 [appellante] heeft – zakelijk weergegeven - de rechtbank gevraagd om [geïntimeerde] te veroordelen tot betaling van het onder 2.6 genoemde bedrag en daarnaast enkele nevenvorderingen ingesteld. Ook heeft zij de rechtbank gevraagd [geïntimeerde] te veroordelen in de kosten van de procedure bij de rechtbank. 3.2 De rechtbank heeft bij vonnis van 1 september 2021 (hierna: het vonnis) de vorderingen van [appellante] afgewezen en haar in de proceskosten veroordeeld. 3.3 [appellante] heeft in hoger beroep negen bezwaren (grieven) tegen het vonnis geformuleerd. In de onder 1.1 genoemde akte zijn de grieven 7 en 8 ingetrokken. De resterende grieven moeten er, kort gezegd, toe leiden dat de vorderingen van [appellante] alsnog worden toegewezen. De grieven worden hierna zo veel mogelijk in onderlinge samenhang alsmede thematisch besproken. 4Het oordeel van het hof Eiswijziging 4.1 [appellante] heeft in haar memorie van grieven haar eis gewijzigd, maar is op die eiswijziging in de onder 1.1 genoemde akte gedeeltelijk teruggekomen. Zij heeft haar grieven 7 en 8 ingetrokken en haar eis in genoemde akte verminderd. Nu de overblijvende vorderingen al in de memorie van grieven waren opgenomen, daartegen door [geïntimeerde] geen bezwaar is gemaakt en het hof een en ander ook niet ambtshalve in strijd met de goede procesorde oordeelt zal het hof uitgaan van de eis, zoals in de latere akte ge(her)formuleerd. De feitenvaststelling door de rechtbank 4.2 Met haar eerste grief keert [appellante] zich, naar het hof begrijpt, tegen de manier waarop de rechtbank de feiten heeft vastgesteld. Zij heeft bij de behandeling van die grief in zoverre echter geen belang, nu het hof zelfstandig de feiten heeft vastgesteld. De geluidsopname 4.3 In haar eerste grief stelt [appellante] , naar het hof begrijpt, ook dat de in eerste aanleg in het geding gebrachte transcriptie van (delen van) het onder 2.5 genoemde, opgenomen gesprek tussen [geïntimeerde] en [naam1] niet bij de beoordeling door het hof behoort te worden betrokken. Deze stelling wordt door het hof verworpen. Als [appellante] twijfels had gehad in verband met de totstandkoming en inhoud van de opname en/of de transcriptie daarvan had het op haar weg gelegen [geïntimeerde] om een kopie van de opname te vragen, deze zelf af te luisteren en zo nodig in het geding te brengen. Op vragen van het hof heeft mr. Bakker echter aangegeven dat daartoe zijdens [appellante] geen pogingen zijn ondernomen. Gelet daarop maar ook gelet op het feit dat [appellante] zich op andere momenten in deze procedure weer wel op de inhoud van de overgelegde transcriptie heeft beroepen, ziet het hof geen reden die bij de beoordeling van de zaak buiten beschouwing te laten. Geen onverschuldigde betaling of ongerechtvaardigde verrijking 4.4 In haar memorie van grieven stelt [appellante] verder onder meer dat de betaling die onder 2.6 hiervoor werd genoemd zonder rechtsgrond is geweest en dus onverschuldigd was. Het hof stelt voorop dat stelplicht en, bij betwisting, bewijslast ten aanzien van deze onverschuldigdheid op grond van art. 150 Rv bij [appellante] berust. De stelling van [appellante] is gemotiveerd betwist door [geïntimeerde] . Die betoogt namelijk dat sprake is geweest van een gift van [naam1] ter voldoening aan een morele verplichting (als bedoeld in art. 4:69 lid 1 sub a BW) en dat de betaling aan [geïntimeerde] dus wel degelijk een rechtsgrond had. Dit betoog snijdt hout. Uit de stukken, waaronder het uittreksel uit het medisch dossier van [naam1] en de overgelegde transcriptie van (delen van) de geluidsopname in combinatie met de betalingsomschrijving ‘salaris oktober 2012’ laat zich afleiden dat [naam1] kort voor het doen van de betaling depressief was, dacht aan zelfdoding en, voor het geval dat aan de orde zou zijn, wilde dat [geïntimeerde] verzorgd achterbleef. Zowel de hoogte van het bedrag als de overige omstandigheden waaronder dit werd overgemaakt, vormen duidelijke aanwijzingen dat de betaling door [naam1] is verricht met het oogmerk om [geïntimeerde] na zijn dood financieel verzorgd achter te laten. Ook het hof acht in dat kader niet aannemelijk dat de betalingsomschrijving “salaris oktober 2012” erop duidt dat het hier ging om een verlate en/of abusievelijk gedane salarisbetaling, maar veeleer dat dit een voor [geïntimeerde] bedoelde verwijzing inhield naar de aanvang van hun samenleven in Nederland in
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.