Afdeling strafrecht Parketnummer: 21-001088-17 Uitspraak d.d.: 30 januari 2023 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland van 16 februari 2017 met het parketnummer 16-028610-16 in de strafzaak tegen de verdachte [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1964, wonende te [adres] , [woonplaats] . Het hoger beroep De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het gerechtshof van 16 januari 2023 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. Het gerechtshof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, inhoudende dat het gerechtshof: het vonnis van de politierechter zal vernietigen; de verdachte ter zake van het aan hem tenlastegelegde feit zal veroordelen tot een taakstraf voor de duur van 50 uren, subsidiair 25 dagen hechtenis; de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] niet-ontvankelijk zal verklaren. Het gerechtshof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman, mr. A.D. Kupelian, naar voren is gebracht. Het vonnis waartegen het hoger beroep is gericht Bij het hierboven genoemde vonnis, waartegen het hoger beroep is gericht, heeft de politierechter: de verdachte ter zake van het aan hem tenlastegelegde feit veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 50 uren, subsidiair 25 dagen hechtenis; de benadeelde partij [benadeelde] niet-ontvankelijk verklaard in de vordering tot schadevergoeding. Het gerechtshof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere bewijsbeslissing komt en daarom opnieuw rechtdoen. De tenlastelegging Aan de verdachte is tenlastegelegd dat: hij op of omstreeks 25 augustus 2015 te [pleegplaats] [benadeelde] heeft mishandeld door voornoemde [benadeelde] (met een sleutel(bos) in zijn, verdachte's, handen) op/tegen het gezicht en/of het hoofd en/of het lichaam te stompen/slaan. Vrijspraak Standpunt van de advocaat-generaal De advocaat-generaal concludeert tot een bewezenverklaring van mishandeling en verwerping van het beroep op noodweer(exces). De verdachte heeft bekend dat hij achter de auto van [benadeelde] aan is gelopen en dat hij dicht tegenover [benadeelde] is gaan staan. Op basis van de verklaringen en de camerabeelden moet de verdachte als agressor worden aangemerkt. De verdachte is de persoon die de confrontatie opzoekt met [benadeelde] en als eerste geweld gebruikt. De dashcam-camerabeelden van het incident starten vanaf het moment dat [benadeelde] de verdachte een duw geeft om ruimte te maken en hij op de grond valt. De situatie waarin de verdachte dan terechtkomt, heeft hij zelf teweeggebracht door opnieuw de confrontatie met [benadeelde] aan te gaan. Standpunt van de verdediging De verdediging stelt primair dat het tenlastegelegde niet bewezen kan worden en subsidiair dat de verdachte een beroep toekomt op noodweer(exces). Volgens de verdediging zijn de verklaringen van [benadeelde] en [partner benadeelde] inconsistent, tegenstrijdig en onbetrouwbaar, waardoor deze niet voor het bewijs kunnen worden gebruikt. De verdachte had geen opzet op het toebrengen van de hoofdwond. Het kan niet worden bewezen dat de verdachte [benadeelde] heeft mishandeld.Het letsel dat is ontstaan bij [benadeelde] is het gevolg van noodweer(exces). De verdachte is met [benadeelde] in contact gekomen om hem aan te spreken op zijn verkeersgedrag. Daarbij hoefde hij niet te verwachten dat hij zou worden aangevallen of geduwd. [benadeelde] is als eerste in actie gekomen door de verdachte naar de grond te duwen. De verdachte heeft zich mogen verdedigen tegen deze ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding van zijn lijf. Beoordeling gerechtshof De feiten en omstandigheden Het gerechtshof gaat uit van de volgende, aan wettige bewijsmiddelen ontleende, feiten en omstandigheden. Op basis van de inhoud van het proces-verbaal van de politie, waaronder verschillende verklaringen, een proces-verbaal van beschrijving van camerabeelden, en het verhandelde ter terechtzitting stelt het gerechtshof het volgende vast. De verdachte wandelde in de avond van 25 augustus 2015 met zijn hond in zijn woonplaats [woonplaats] . Ter hoogte van de kruising met de [straatnaam] kruiste een van voren komende auto zijn pad, naar links sturend in de richting van de [straatnaam] , zonder richting aan te geven. De auto reed vervolgens verder de [straatnaam] in. Zowel verdachte als de bestuurder van de auto hebben op dat moment geagiteerde gebaren naar elkaar gemaakt. Ongeveer 110 meter verderop in de [straatnaam] sprak de verdachte de bestuurder aan. De bestuurder, [benadeelde] , was toen uitgestapt, stond naast zijn auto aan de bestuurderskant op de stoep. Op de grond stond een grote sporttas. Tussen de verdachte en [benadeelde] werd op boze wijze over het verkeersgedrag van [benadeelde] gecommuniceerd. De verdachte kwam dichtbij [benadeelde] staan en vroeg waar hij mee bezig was, waarop [benadeelde] in het Engels antwoordde. De verdachte zei vervolgens in het Engels dat [benadeelde] zijn knipperlicht moest gebruiken. [benadeelde] antwoordde met ‘Fuck off’ en ook “Go home”. Als reactie daarop herhaalde de verdachte dat [benadeelde] zijn knipperlicht moest gebruiken. [benadeelde] heeft de verdachte daarop met twee handen tegen de borstkast een krachtige duw gegeven. De verdachte viel als gevolg van die duw op de grond. Nadat de verdachte overeind kwam, zijn hij en [benadeelde] wederom tegen over elkaar komen te staan en heeft het gevecht tussenbeide zich vervolgd. Op beschikbare dashcambeelden waarvan het gerechtshof - anders dan de advocaat-generaal - niet kan vaststellen dat de beelden zijn geregistreerd direct aansluitend op het opkrabbelen van de verdachte, is zichtbaar dat er vervolgens over en weer geweld is gebruikt. Niet is vast te stellen wie onmiddellijk na het opstaan van de verdachte in die situatie geweld gebruikt. Zichtbaar op die camerabeelden is wel dat de verdachte op een zeker moment [benadeelde] een slaande beweging met, in zijn hand, zijn sleutel richting het gezicht van [benadeelde] gaf. Vervolgens gaf [benadeelde] als reactie een klap terug. Het gevecht gaat verder, zichtbaar is dat [benadeelde] de verdachte sloeg en schopte. De verdachte werd daarna wederom naar de grond gewerkt door [benadeelde] . Daaropvolgend zette [benadeelde] zijn armen om het bovenlichaam van de verdachte waardoor laatstgenoemde in een houdgreep kwam te liggen. [benadeelde] lag toen een periode schuin bovenop [verdachte] . [partner benadeelde] kwam vervolgens aangelopen met een schop. [partner benadeelde] raakte vervolgens met de schep de achterkant van het bovenbeen van de op de grond liggende verdachte. Voorts ging [partner benadeelde] op de knie van verdachte staan en drukte deze tegen de grond. [benadeelde] stond daarna op en gaf een trap tegen de rug van de verdachte. Op dat moment lag de verdachte weerloos op de grond. De verdachte probeerde op te staan, maar werd door [benadeelde] weer naar de grond geduwd. Nadat [benadeelde] een schop gaf tegen het gezicht van de verdachte, stak de verdachte zijn handen omhoog om uiteindelijk op te staan en weg te gaan. [benadeelde] en [partner benadeelde] bleven ter plaatse met elkaar praten. Beoordeling van de feiten Het gerechtshof heeft de bovenstaande feiten beoordeeld aan de hand van hetgeen de Hoge Raad in zijn zogenoemde noodweerarrest heeft overwogen, voor zover relevant in deze zaak: "Art. 41 Sr luidt:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.