GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem afdeling civiel recht zaaknummer gerechtshof 200.318.243 (zaaknummer rechtbank Gelderland 397996) beschikking van 31 januari 2023 inzake [verzoekster] , wonende te [woonplaats1] ,verzoekster in hoger beroep, verder te noemen: de moeder, advocaat: mr. F. Pool te Rotterdam, en de gecertificeerde instelling Stichting Jeugdbescherming Gelderland, gevestigd te Arnhem, verweerster in hoger beroep, verder te noemen: de GI, en [verweerder] , wonende te [woonplaats1] , verweerder in hoger beroep, verder te noemen: de vader, advocaat: mr. E. Maalsen te Nijmegen. 1Het geding in eerste aanleg Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de tussenbeschikkingen van 2 februari en 3 augustus 2022 en de eindbeschikking van 26 augustus 2022 van de rechtbank Gelderland, locatie Arnhem, uitgesproken onder voormeld zaaknummer. Laatstgenoemde beschikking wordt verder ook genoemd: de bestreden beschikking. 2Het geding in hoger beroep 2.1 Het verloop van de procedure blijkt uit: - het beroepschrift met producties, ingekomen op 28 oktober 2022; - een journaalbericht van mr. Pool van 11 november 2022 met één productie; - het verweerschrift van de vader met producties; - het verweerschrift van de GI met producties. 2.2 De mondelinge behandeling heeft op 1 december 2022 plaatsgevonden. Hierbij waren aanwezig: - de moeder, met mr. M.S. Krol als waarnemer van mr. Pool; - de advocaat van de vader. De vader was, zoals door hem aangekondigd, niet aanwezig, omdat hij in verband met zijn werk is uitgezonden naar Curaçao. Er was geen vertegenwoordiger van de GI, omdat de jeugdbeschermer recent uit dienst is gegaan en geen vervanging beschikbaar was. De raad voor de kinderbescherming is - met bericht vooraf - niet verschenen. 3De feiten 3.1 De moeder en de vader zijn de ouders van [de minderjarige] , geboren [in] 2013 (verder ook te noemen: [de minderjarige] ). De ouders oefenen samen het gezag uit over [de minderjarige] . [de minderjarige] heeft haar hoofdverblijfplaats bij de moeder. 3.2 Bij beschikking van 5 februari 2020 heeft de kinderrechter in de rechtbank Gelderland, locatie Arnhem, [de minderjarige] voor het eerst onder toezicht gesteld voor de termijn van een jaar. De ondertoezichtstelling is steeds verlengd. 3.3 Bij de bestreden beschikking heeft de kinderrechter in de rechtbank Gelderland, locatie Arnhem, de termijn verlengd van 5 september 2022 tot 5 februari 2023. 4De omvang van het geschil 4.1 De moeder is met één grief in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. De moeder verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, het verzoek van de GI om [de minderjarige] voor de duur van zes maanden onder toezicht te stellen af te wijzen. 4.2 De vader voert verweer en vraagt het hof de bestreden beschikking te bekrachtigen. 4.3 De GI voert ook verweer en vraagt het hof de bestreden beschikking te bekrachtigen. 5De motivering van de beslissing 5.1 Op grond van artikel 1:260, eerste lid, in verband met artikel 1:255, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter de ondertoezichtstelling van een minderjarige verlengen met ten hoogste een jaar indien een minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en: a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, BW, in staat zijn te dragen. 5.2 De moeder voert aan dat niet is voldaan aan de wettelijke vereisten. Er is geen ernstige ontwikkelingsbedreiging bij [de minderjarige] . [de minderjarige] laat thuis en op school geen problematisch gedrag zien. [de minderjarige] heeft na de echtscheiding van de ouders wel een moeilijke periode doorgemaakt. De moeder wil hiervoor speltherapie inzetten voor [de minderjarige] , maar door de ondertoezichtstelling kan zij dat niet zelf regelen. De moeder vindt het contact tussen de vader en [de minderjarige] belangrijk en staat dat niet in de weg. De moeder en de vader staan op de wachtlijst voor [naam1] bij [naam2] . De moeder is bereid dit traject in te gaan. Hiervoor is de ondertoezichtstelling niet nodig. 5.3 De vader is het eens met de verlenging van de ondertoezichtstelling. De doelen van de ondertoezichtstelling zijn niet gehaald. De zorgregeling tussen hem en [de minderjarige] is niet uitgebreid. [de minderjarige] zit nog in een loyaliteitsconflict. De vader heeft niet het vertrouwen dat de zorgregeling blijft doorlopen en de hulpverlening van de grond komt als de ondertoezichtstelling niet wordt verlengd. Zonder hulp van de GI krijgt de vader niets voor elkaar. 5.4 De GI voert aan dat sprake is van ernstige ontwikkelingsbedreigingen. [de minderjarige] zit in een loyaliteitsconflict, waardoor zij niet naar de vader toe wil en de uitbreiding van de zorgregeling stagneert. Er zijn zorgen over de intrinsieke toestemming die [de minderjarige] van de moeder krijgt om loyaal te zijn aan de vader en van hem te houden. [de minderjarige] laat bij de moeder en bij de vader thuis verschillend gedrag zien: de GI ziet dat er ontspannen contact is tussen [de minderjarige] en de vader, maar aan de moeder vertelt [de minderjarige] dat zij niet bij de vader wil blijven. [de minderjarige] lijkt beide ouders tevreden te willen stellen. De communicatie tussen de ouders is verstoord: tijdens gezamenlijke gesprekken vervallen de ouders in discussies en verwijten. Deze ontwikkelingsbedreigingen kunnen niet vanuit een vrijwillig kader worden weggenomen. De therapie voor [de minderjarige] , die tijdelijk was gestaakt, is niet voortgezet. De GI betwijfelt of de moeder zonder gedwongen kader de(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.