GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Leeuwarden, afdeling civiel zaaknummer gerechtshof 200.326.957/01 zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 10234569 arrest van 13 februari 2024 in de zaak van [appellant] , die woont in [woonplaats1] , die hoger beroep heeft ingesteld, en bij de kantonrechter optrad als eiser in conventie, verweerder in reconventie, hierna: [appellant], advocaat: mr. R. Zwiers die kantoor houdt in Almere, tegen Stichting De Alliantie, die is gevestigd in Hilversum, en bij de kantonrechter optrad als gedaagde in conventie, eiseres in reconventie, hierna: De Alliantie, advocaat: mr. N.V.C. Haneveld, die kantoor houdt in Amsterdam. 1Het verloop van de procedure in hoger beroep [appellant] heeft hoger beroep ingesteld tegen het mondelinge vonnis dat de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Almere, op 8 februari 2023 tussen partijen heeft uitgesproken. Het procesverloop in hoger beroep blijkt uit de dagvaarding in hoger beroep, de anticipatiedagvaarding, de memorie van grieven en de memorie van antwoord. 2De kern van de zaak 2.1 Het gaat in deze zaak om de vraag of [appellant] de huurovereenkomst van zijn overleden vader met De Alliantie kan voortzetten. Dat geschil heeft de volgende feitelijke achtergrond. 2.2 De ouders van [appellant] huurden vanaf 1 februari 2003 van De Alliantie een 4-kamer eengezinswoning aan het [adres1] in [woonplaats1] . [appellant] – die is geboren op 21 augustus 1987 – stond op dat adres ingeschreven tot 22 november 2007. Hij verhuisde toen naar [adres2] in [plaats1] , waar hij studeerde en met zijn toenmalige vriendin samenwoonde. 2.3 Op 21 september 2012 liet hij zich weer op het ouderlijk adres inschrijven, daar stond hij ingeschreven totdat hij op 24 juni 2014 naar Aruba en vervolgens, op 22 april 2016, naar Curaçao verhuisde. 2.4 Op 1 augustus 2016 is hij teruggekeerd naar Nederland en liet hij zich weer op het ouderlijk adres inschrijven. Bij zijn moeder werd daarna in 2018 alvleesklierkanker geconstateerd. 2.5 Op 14 december 2020 is [appellant] opnieuw op Curaçao gaan wonen, waar hij vergeefs aan de parlementsverkiezingen heeft meegedaan. 2.6 Op 14 augustus 2021 overleed de moeder van [appellant] . Op 8 oktober 2021 liet hij zich weer op het ouderlijk adres inschrijven. Op 24 april 2022 overleed ook zijn vader. 2.7 [appellant] heeft bij de kantonrechter gevorderd dat deze bepaalt dat hij de huurovereenkomst van de woning ook na het overlijden van zijn vader als huurder voortzet. De kantonrechter heeft deze vordering afgewezen en heeft de tegenvordering van De Alliantie tot ontruiming van de woning (de reconventie) toegewezen. Die beslissing kan nog niet worden uitgevoerd, omdat deze niet uitvoerbaar bij voorraad (onmiddellijk uitvoerbaar) is verklaard. De reden daarvan is dat [appellant] op grond van artikel 7:268 BW het recht heeft de woning te gebruiken totdat onherroepelijk op zijn vordering tot het voortzetten van de huur is beslist. 2.8 De strekking van de grieven is dat de vordering van [appellant] alsnog wordt toegewezen, en dat die van De Alliantie wordt afgewezen. 3Het oordeel van het hof Inleiding 3.1 Het hof zal oordelen dat het bestreden vonnis in stand blijft. Dat wordt hierna uitgelegd. De bezwaren (grieven) zullen daarbij thematisch worden behandeld. Uitgangspunten 3.2 Nadat [appellant] aan De Alliantie had laten weten dat hij de huur wilde voortzetten, is hem de mogelijkheid geboden tot 24 oktober 2022 in de woning te verblijven, en heeft hij - kennelijk als erfgenaam - op verzoek van De Alliantie de huur met ingang van die datum ‘ín verband met overlijden’ schriftelijk opgezegd. De geldigheid van die opzegging heeft hij ter discussie gesteld, maar hoeft niet te worden beoordeeld omdat De Alliantie [appellant] de gelegenheid heeft gegeven een onderbouwd verzoek te doen tot voortzetting van de huurovereenkomst. Was sprake van een duurzame gemeenschappelijke huishouding? 3.3 De vordering van [appellant] is alleen toewijsbaar als [appellant] hoofdverblijf heeft in het gehuurde en sprake is geweest van een duurzame gemeenschappelijke huishouding met de overledene in de zin van art. 7:268 lid 2 BW. Met de kantonrechter is het hof van oordeel dat met zijn inschrijving en de verklaringen van buren en familieleden voldoende is vast komen te staan dat [appellant] in het gehuurde zijn hoofdverblijf had. Bij de beantwoording van de vraag of er sprake was van een duurzame gemeenschappelijke huishouding, dienen alle omstandigheden van het geval in onderling verband te worden gewaardeerd. Daarbij kan mede van belang zijn of de overleden huurder en degene die aanspraak maakt op voortzetting van de huur gezamenlijk hebben voorzien in de kosten van de huisvesting of de kosten van levensonderhoud, alsmede of die andere persoon de verzorging van de huurder duurzaam op zich heeft genomen. Gezamenlijk hebben voorzien in de kosten van de huisvesting of de kosten van levensonderhoud is echter geen voorwaarde voor het bestaan hebben van een duurzame gemeenschappelijke huishouding. 3.4 Uitgaande van deze algemene regel sluit het hof zich aan bij de beoordeling en de conclusie van de kantonrechter: van gemeenschappelijke uitgaven, afspraken over de kosten van de huisvesting en/of het levensonderhoud, de verdeling van huishoudelijke taken en gezamenlijke sociale contacten en activiteiten is onvoldoende gebleken, en ook verder is aan de vordering onvoldoende onderbouwing gegeven. 3.5 Het enige dat [appellant] in dit hoger beroep feitelijk heeft aangevoerd, is (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.