GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Leeuwarden, afdeling civiel zaaknummer gerechtshof 200.331.515/01 zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, locatie Almere, 10428203 beschikking van 19 februari 2024 in de zaak van [appellant] , die woont in [woonplaats1] , die hoger beroep heeft ingesteld, en bij de kantonrechter optrad als verweerder, hierna: [appellant], advocaat: mr. M.C.J. Swart te Eindhoven, tegen [geïntimeerde] Advocaten B.V., die is gevestigd in Naarden, die ook hoger beroep heeft ingesteld, en bij de kantonrechter optrad als verzoekster, hierna: [geïntimeerde], advocaat: mr. M.A.M. van den Brand te Amsterdam. 1Het verloop van de procedure in hoger beroep 1.1 [appellant] heeft op 24 augustus 2023 hoger beroep ingesteld tegen de beschikkingen van 24 mei 2023 en 30 juni 2023 van de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Almere. 1.2 Het verloop van de procedure is als volgt: - het beroepschrift (zonder producties), binnengekomen op de griffie op 24 augustus 2023, - het verweerschrift in principaal hoger beroep tevens beroepschrift in incidenteel hoger beroep, met producties 37-47, - de op 14 december 2023 van de zijde van [appellant] ontvangen producties 106-147, - het verweerschrift in incidenteel hoger beroep (zonder producties), - de op 20 december 2023 gehouden mondelinge behandeling, waarvan een verslag (proces-verbaal) is gemaakt. 1.3 Na afloop van de mondelinge behandeling heeft het hof een datum voor de beschikking bepaald. 1.4 Tijdens de mondelinge behandeling heeft het hof meegedeeld dat in deze beschikking zal worden beslist over het al dan niet toelaten van de aanvullende producties 106-147 die [appellant] voorafgaand aan de mondelinge behandeling aan [geïntimeerde] en het hof heeft toegezonden. Het hof stelt vast dat de producties weliswaar niet binnen de daarvoor gestelde termijn in het geding zijn gebracht, maar dat [geïntimeerde] daarvan wel kennis heeft genomen en daarop ter zitting uitgebreid is ingegaan. Het hof zal de producties daarom - voor zover daarop een beroep is gedaan - meenemen in zijn beoordeling van dit hoger beroep. 2De kern van de zaak 2.1 [appellant] was als [functie] in loondienst bij [geïntimeerde] . De kantonrechter heeft de arbeidsovereenkomst ontbonden wegens een verstoorde arbeidsverhouding en het einde daarvan bepaald op 1 augustus 2023, met toekenning van een transitievergoeding (€ 9.720,- bruto). De door [appellant] verzochte billijke vergoeding (van € 201.171,72 bruto) is afgewezen, net als het verzoek om vaststelling van werkgeversaansprakelijkheid. Verder heeft de kantonrechter toegewezen: € 13.974,24 bruto aan achterstallig loon, vermeerderd met 25% wettelijke verhoging en wettelijke rente, € 6.471,52 bruto aan verlofuren en € 22.004,14 bruto aan bonus, vermeerderd met 25% wettelijke verhoging en wettelijke rente. De proceskosten zijn gecompenseerd. 2.2 De bedoeling van het hoger beroep van [appellant] is dat het hof oordeelt dat [geïntimeerde] alsnog een billijke vergoeding verschuldigd is en dat [geïntimeerde] als werkgever aansprakelijk is op grond van de artikelen 7:658 en 7:611 BW voor door [appellant] geleden en nog te lijden schade, op te maken bij staat. Daarnaast maakt [appellant] aanspraak op een hogere transitievergoeding en een hogere betaling van achterstallig loon en bonus. Ook wenst [appellant] een bruto-netto specificatie te ontvangen. Een en ander met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties. 2.3 [geïntimeerde] heeft ook hoger beroep ingesteld, ertoe strekkend dat een lager bedrag aan transitievergoeding wordt vastgesteld en dat [appellant] wordt veroordeeld tot (terug)betaling van onverschuldigd betaald loon en betaalde bonus. [geïntimeerde] verzoekt verder de wettelijke verhoging over verschuldigde bedragen te matigen tot nihil. Een en ander met veroordeling van [appellant] in de kosten van beide instanties. 3Het oordeel van het hof De beslissing in het kort 3.1 Het hof zal net als de kantonrechter oordelen dat [geïntimeerde] geen billijke vergoeding aan [appellant] verschuldigd is en dat [geïntimeerde] niet aansprakelijk is op grond van de artikelen 7:658 en artikel 7:611 BW. Wat betreft nevenverzoeken komt het hof tot lagere bedragen dan de kantonrechter heeft toegewezen. [appellant] moet te veel ontvangen loon terugbetalen. Tot een andere beslissing over de proceskosten in eerste aanleg leidt dit niet. Deze beslissingen worden hierna uitgelegd. Daarbij zal het hof eerst de feiten vermelden. Daarna zullen de beroepsgronden van partijen onderwerpsgewijs worden besproken. Eerst de vaststaande feiten 3.2 [appellant] is van 1 februari 2012 tot 1 februari 2015 in dienst geweest van Advocatenkantoor [geïntimeerde] B.V., waaraan [naam1] (hierna: [naam1] ) was verbonden. Deze onderneming is in december 2014 failliet verklaard en de arbeidsovereenkomst met [appellant] is door de curator opgezegd. [appellant] was op grond van deze arbeidsovereenkomst laatstelijk werkzaam als advocaat-stagiair. 3.3 In de loop van 2019 is [appellant] opnieuw in contact gekomen met [naam1] , die als advocaat zijn praktijk had voortgezet met [geïntimeerde] . Op 1 september 2019 is [appellant] bij [geïntimeerde] voor onbepaalde tijd in dienst getreden, waarbij hij zijn werkzaamheden als advocaat-stagiair heeft voortgezet. Nadat [appellant] op 1 juli 2021 zijn stageverklaring heeft gekregen, is de arbeidsovereenkomst omgezet in een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd voor de functie van [functie] . 3.4 Partijen zijn deze arbeidsovereenkomst aangegaan voor aanvankelijk 32 uur per week. In de arbeidsovereenkomst is verder opgenomen: “2.1. De stagiaire zal een aanvangssalaris van € 4.230,00 bruto per maand, exclusief vakantiegeld ontvangen. Het salaris zal worden geïndexeerd en verhoogd conform de richtlijn arbeidsvoorwaarden stagiaires. (…) 3.1. Door het afgeven van de Stageverklaring (…) wordt deze arbeidsovereenkomst automatisch omgezet in een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd voor de functie van [functie] . 3.2. Het bruto maandsalaris wordt alsdan met 10% verhoogd naar € 4.653, met ingang van de maand nadat de Stageverklaring is afgegeven, maar alleen onder de voorwaarde dat de door stagiaire gefactureerde en ontvangen omzet ex BTW in de 12 maanden daaraan voorafgaand € 100.000 of meer bedraagt. 4. Bonusregeling 4.1. Bij het behalen van een omzet van € 80.000, ontvangt stagiaire een bonus van 30% van de excl. BTW gefactureerde ontvangen/betaalde omzet met als meetdatum 1 april van het opvolgende kalenderjaar. Bij beëindiging van het dienstverband wordt de bonus pro rata over de gewerkte maanden uitgekeerd. Over 2019 geldt de regeling pro rata. 4.2. De regeling wordt jaarlijks herzien en niet automatisch in het nieuwe boekjaar voortgezet.” 3.5 Met ingang van 1 oktober 2020 heeft [appellant] de arbeidsomvang uitgebreid naar 40 uur per week. 3.6 Vanaf najaar/eind 2021 hebben partijen nader gesproken en gecorrespondeerd over (aanpassing van) de arbeidsvoorwaarden (salarisverhoging, bonusregeling), zonder dat daarover overeenstemming is bereikt. 3.7 [appellant] heeft zich op 11 april 2022 ziek gemeld. Na een time-out van 14 dagen adviseerde de bedrijfsarts om 2 tot 3 uur per dag te werken, 2 tot 3 dagen per week. In de probleemanalyse van 19 mei 2022 heeft de bedrijfsarts onder ‘Advies stappenplan re-integratie-activiteiten’ vermeld: “Er is sprake van beperkingen in persoonlijk en sociaal functioneren. Daarnaast is er sprake van energetische beperkingen. De oorzaak van de beperkingen is werkgerelateerd. Het advies is dat werknemer en werkgever samen in gesprek gaan met een onafhankelijke gesprekspartner. Dit dient zo snel mogelijk doen. Werknemer werkt in aangepast voor voor ongeveer 3 uur per dag. Dit kan worden voortgezet, zolang er rekening gehouden wordt met de beperkingen.”. 3.8 Na twee gesprekken is de coaching (van coach/mediator [naam2] ) gestopt en hebben partijen hun gesprekken over de arbeidsvoorwaarden en de aanpak van door [appellant] ervaren werkdruk samen voortgezet. Op 19 juli 2022 heeft [appellant] een laatste voorstel gedaan, waarover partijen hebben gesproken. In aansluiting daarop heeft [geïntimeerde] op 15 augustus 2022 onder meer het volgende bericht aan [appellant] : “Met deze mail kom ik terug op mijn toezegging om jouw voorstel te laten doorrekenen. Ook kom ik terug op jouw bonusclaim over 2021. Tot slot kom ik meer algemeen terug op de situatie zoals die nu is. (…) Ons standpunt is en blijft helder: over 2021 hebben wij geen bonus afgesproken. We gaan dat ook niet betalen of daarvoor compenseren. (…) De afgelopen weken zijn wij voor advies extern te rade gegaan. In het kort raadt iedereen ons af om salarisonderhandelingen te voeren met een werknemer die arbeidsongeschikt is. Wij gaan dat advies volgen. Dus geen gesprekken over een hoger salaris, of een auto, totdat je hersteld bent. (…) In plaats daarvan willen wij graag met jou een gesprek over jouw hersteltraject (…)”. 3.9 Op 18 augustus 2022 heeft de verzuimexpert contact gehad met [appellant] , waarover in het verzuimdossier onder meer is genoteerd: “Werknemer geeft aan dat er een toename is van beperkingen. Het advies is nu niet werken. Werknemer zal worden doorverwezen naar een behandelaar. Het advies is om mediation op te starten. Werknemer is akkoord met de inzet van [naam2] . De verzuimexpert toetst bij de werkgever of die ook akkoord is met de inzet van [naam2] . De bedrijfsarts neemt over 3 weken contact op met de werknemer.” 3.10 Op 19 augustus 2022 heeft [appellant] zich (met terugwerkende kracht per 15 augustus 2022) volledig ziek gemeld bij [naam3] van [geïntimeerde] . Daarbij heeft hij aangegeven dat hij zich bij behandelaar HSK heeft aangemeld, dat hij akkoord is met [naam2] als mediator en dat hij graag spoedig van haar verneemt. Verder heeft hij toegezegd in lopende zaken een lijst met acties te maken, heeft hij meegedeeld dat hij met [naam1] geen persoonlijk contact kan hebben zonder mediator en heeft hij verzocht om een reactie van [naam3] . 3.11 Per mail van 22 augustus 2022 hekelt [naam1] de toonzetting van [appellant] en zijn verwijt van niet reageren aan [naam3] en gaat hij met een aantal voorbeelden (nader) in op de communicatiestijl van [appellant] . Over de mediation schrijft [geïntimeerde] : “Je schrijft dat je ‘mee wil werken aan’ mediation. Wij hebben geen mediation voorgesteld, dit komt uit je eigen koker. Graag verneem ik daarom wat het thema van de mediation is, zodat we hiermee verder kunnen. Uiteraard is alles wat jouw reintegratie kan versnellen iets wat wij toejuichen. (…)” 3.12 Op 7 september 2022 is [appellant] gezien door de bedrijfsarts. In de terugkoppeling aan [naam3] is genoteerd: “Betrokkene is door mij verwezen. Hij heeft hier op 14-9 een intake en krijgt 18-9 de uitslag. (…) Ik verwacht dat na 18-9 de mediation kan starten. (…) Het is in de tussentijd niet aan te raden om zonder mediation contact te hebben over de ontstane situatie. Op dit moment zijn er geen mogelijkheden voor re-integratie.” 3.13 [appellant] ontvangt per 1 oktober 2022 van het UWV een Ziektewet-uitkering van op dat moment € 3.482,87 bruto per maand. 3.14 In november 2022 is de mediation aangevangen. In die periode is tussen [appellant] en [naam3] ook gecorrespondeerd over onder meer de salarisbetaling van 70% per oktober 2022. De mediation is op 5 december 2022 zonder resultaat beëindigd. Diezelfde dag heeft [appellant] gesproken met de bedrijfsarts. In de terugkoppeling is genoteerd: “(…) Er is sprake van een ziekmakend arbeidsconflict en blijf adviseren om mediation in te zetten. Re-integratie bij de eigen werkgever draagt nu op geen enkele manier bij aan genezing.” 3.15 Een nieuwe mediation heeft niet plaatsgevonden. Evenmin is re-integratie bij een andere werkgever c.q. een tweede spoor traject in gang gezet. 3.16 In een brief van 22 december 2022 heeft bedrijfsarts en klinisch arbeidsgeneeskundige [naam4] van het Instituut voor Klinische Arbeidsgeneeskundige (IKA) de diagnose somatisch-symptoomstoornis of burn-out vastgesteld en geconcludeerd dat sprake is van een beroepsziekte waarbij het aangewezen is dat de arbeidsovereenkomst zo snel mogelijk wordt beëindigd. 3.17 Op 2 januari 2023 heeft de verzuimexpert contact gehad met [appellant] , op basis waarvan het advies van 5 december 2022 is gehandhaafd. 3.18 Op 1 februari 2023 hebben psychologen van HSK na 10 behandelsessies een interimevaluatie opgesteld, waarin is vermeld dat sprake is van een verslechtering en dat aan de diagnose depressieve stoornis (recidiverend, ernstig) is toegevoegd. Het behandeltraject wordt verlengd en de prognose wordt als onzeker ingeschat, gelet op het door [appellant] omschreven arbeidsconflict en het uitblijven van verbetering. 3.19 Partijen zijn niet tot overeenstemming gekomen over beëindiging van de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden. De bezwaren tegen de uitspraken van de kantonrechter 3.20 Omdat het hof hiervoor de feiten opnieuw heeft vastgesteld en daarbij rekening heeft gehouden met wat in hoger beroep is aangevoerd, kunnen de bezwaren van [appellant] tegen de feitenvaststelling door de kantonrechter verder onbesproken blijven. Daarbij geldt dat de rechter uit de tussen partijen vaststaande feiten een selectie mag maken van wat voor de beoordeling van het geschil relevant is. Voor zover [appellant] meent dat door hem gestelde feiten en omstandigheden in de beoordeling van de kantonrechter onvoldoende zijn meegewogen, komt dat hierna en voor zover van belang aan de orde. 3.21 [appellant] heeft 26 beroepsgronden tegen de beslissingen van de kantonrechter en de daaraan ten grondslag gelegde motiveringen opgeworpen. [geïntimeerde] heeft 8 beroepsgronden aangevoerd. Het hof herleidt al deze gronden tot een aantal onderwerpen die het hof hierna in cursief weergeeft en als volgt beoordeelt. Billijke vergoeding - inleiding 3.22 De door partijen voor onbepaalde tijd aangegane arbeidsovereenkomst is met ingang van 1 augustus 2023 door de kantonrechter (uiteindelijk op verzoek van [geïntimeerde] ) ontbonden wegens een verstoorde arbeidsverhouding. Deze ontbinding staat in hoger beroep niet ter discussie. [appellant] maakt in dat verband wel aanspraak op een billijke vergoeding, naar het hof begrijpt die van artikel 7:671b lid 9 sub b BW. 3.23 Uit die bepaling volgt dat de rechter, indien de ontbinding van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever, aan de werknemer een billijke vergoeding kan toekennen. In dit geval heeft de kantonrechter de ontbinding uitgesproken op de g-grond (verstoorde arbeidsverhouding). Een ontbinding op de g-grond in een situatie waarin de werkgever een verwijt kan worden gemaakt van de verstoorde arbeidsverhouding, zal niet steeds leiden tot toekenning van een billijke vergoeding. Daarvoor is vereist dat de beëindiging van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten. Bovendien is toekenning van een billijke vergoeding alleen mogelijk als er causaal verband bestaat tussen die gedragingen en de ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Deze vereisten beperken de mogelijkheid voor de rechter om over te gaan tot toekenning van een billijke vergoeding tot uitzonderlijke situaties. 3.24 De stelplicht en bewijslast wat betreft feiten en omstandigheden die [appellant] ten grondslag heeft gelegd aan zijn stelling dat sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van [geïntimeerde] , als gevolg waarvan hij aanspraak zou hebben op een billijke vergoeding, rust op [appellant] . Volgens [appellant] heeft [geïntimeerde] zich voorafgaand en tijdens zijn ziekte schuldig gemaakt aan ernstig verwijtbaar handelen dan wel nalaten en heeft dat geleid tot de verstoorde arbeidsverhouding en instandhouding daarvan. [appellant] onderbouwt deze stelling met een aantal argumenten. [geïntimeerde] heeft het standpunt en de argumenten van [appellant] gemotiveerd bestreden. Bekendheid of kenbaarheid met psychische kwetsbaarheid 3.25 Bij de beoordeling van de vraag of de ontbinding die de kantonrechter per 1 augustus 2023 heeft uitgesproken het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van [geïntimeerde] gaat het hof er vanuit dat [geïntimeerde] op de hoogte was van de door [appellant] ervaren werkdruk, maar dat [geïntimeerde] zich niet, althans onvoldoende realiseerde wat de ernst was van de door [appellant] als gevolg daarvan ervaren psychische problemen. 3.26 De stelling van [appellant] dat [geïntimeerde] op de hoogte was of had behoren te zijn van zijn psychische kwetsbaarheid, volgt het hof niet. Dat [appellant] eerder in 2014 wegens een werkgerelateerde burn-out is uitgevallen voor zijn werkzaamheden bij een aan [geïntimeerde] gelieerde onderneming, is door [geïntimeerde] betwist en door [appellant] niet van een toereikende onderbouwing voorzien. De omstandigheid dat [geïntimeerde] in een e-mailbericht van 1 oktober 2014 benoemt dat [appellant] burn-out klachten heeft en dat [geïntimeerde] (in het verweerschrift in eerste aanleg) zelf verwijst naar loonbeslag van het UWV betreffende een WIA-uitkering, is onvoldoende om aan te nemen de uitval van [appellant] destijds werkgerelateerd was, laat staan dat [appellant] bij het aangaan van het hernieuwd dienstverband bij [geïntimeerde] in 2019 een specifiek risico liep ten aanzien van zijn mentale belastbaarheid in relatie tot de door hem als advocaat uit te voeren werkzaamheden én dat dat voor [geïntimeerde] kenbaar was of had moeten zijn. 3.27 Het staat wel vast dat [appellant] [geïntimeerde] in de loop van het hernieuwde dienstverband meermaals heeft gewezen op door hem ervaren hoge werkdruk, maar uit de door [appellant] overgelegde stukken blijkt niet dat sprake was van een zodanige urgentie dat onmiddellijk gevreesd moest worden voor een onwerkbare situatie en/of een niet te vermijden of dreigende uitval wegens psychische klachten van [appellant] . Dit strookt met de eigen verklaring van [appellant] ter zitting in hoger beroep, dat hij door de werkdruk in een vechtmodus kwam met daarbij behorende adrenaline, waardoor niet direct te zien is dat je overwerkt bent en merkbare klachten worden uitgesteld. De meldingen van [appellant] over door hem ervaren werkdruk leverden voor [geïntimeerde] onvoldoende duidelijke signalen op dat [appellant] - al dan niet als gevolg daarvan - te maken had met psychische klachten of dat hij daarop een (verhoogd) risico liep. Werkdruk en arbeidsvoorwaarden 3.28 [appellant] stelt dat het door hem in eerste aanleg weergegeven feitencomplex in tegenstelling tot wat de kantonrechter heeft geoordeeld, wel degelijk de conclusie rechtvaardigt dat [geïntimeerde] ter zake van de werkdruk een ernstig verwijt te maken valt. Door het vertrek van 2 advocaat-medewerkers arbeidsrecht per september 2021 moest [appellant] in feite het werk van 3 advocaat-medewerkers verrichten en overschreed hij de contractueel overeengekomen 8 uren die hij aan de Helpdesk moest besteden. Daarbij kwam dat de secretariële ondersteuning onvoldoende was. [geïntimeerde] heeft niet gezorgd voor de noodzakelijke vervanging en ontlasting. Ook eiste [geïntimeerde] dat [appellant] nog meer omzet realiseerde en extra taken uitvoerde zoals de begeleiding van juridisch secretaresse en paralegal [naam5] . Volgens [appellant] heeft [geïntimeerde] hem in de periode vanaf september 2021 tot het moment van zijn volledige uitval moedwillig overbelast en daarmee de relatie tussen partijen (steeds meer) verstoord. 3.29 Het hof volgt [appellant] niet in zijn betoog. De kantonrechter heeft vastgesteld dat [appellant] minder dan zijn collega’s werd ingezet op de Helpdesk, dat hij goede maar geen excessief hogere omzetten behaalde in vergelijking met zijn collega’s met een vergelijkbare workload en dat uit verklaringen van een aantal collega’s niet blijkt dat zij vergelijkbare problemen ervaren op de werkplek. [appellant] heeft tegen die vaststellingen geen beroepsgronden gericht. Daarmee is niet komen vast te staan dat [appellant] meer (over)werk verrichtte dan op grond van zijn functie en takenpakket mocht worden verwacht. Daarbij betrekt het hof dat psychosociale belasting karakteristiek is voor de functie van advocaat en dat bij een functie van dergelijke aard en niveau mag worden verwacht dat men een zekere mate van werkdruk aankan. Zoals hiervoor is vastgesteld, heeft [appellant] ook geen duidelijk signaal afgegeven dat de door hem ervaren werkdruk tot psychische klachten leidde. [appellant] verzocht in september 2021 en januari 2022 zelfs om extra werk, waarmee hij de indruk heeft gewekt eerder meer te willen dan minder. Dit wijst in ieder geval niet op een (door gezondheidsredenen ingegeven) wens om het rustiger aan te doen. In deze omstandigheden kan niet worden geoordeeld dat de door [geïntimeerde] aangevoerde maatregelen (waaronder minder inzet van [appellant] op de Helpdesk, de pogingen die zijn gedaan om medewerkers voor het gebied arbeidsrecht te vinden en de inzet van externe administratieve ondersteuning) en destijds gedane suggesties (zoals het volgen van tools en trainingen en ruimte om thuis te werken en eigen werktijden te bepalen) om aan de door [appellant] ervaren werkdruk tegemoet te komen ontoereikend waren. Duidelijk is dat [appellant] dit niet voldoende vond, maar dat [geïntimeerde] bewust een te hoge werkdruk op de schouders van [appellant] heeft gelegd en dat hij bewust tijdige en adequate vervanging en ontlasting heeft nagelaten, is niet gebleken. 3.30 [appellant] heeft nog aangevoerd dat zijn verzoeken om extra werk in september 2021 en januari 2022 verband hielden met de omzettarget en de eis van [geïntimeerde] om meer omzet te genereren. Met de kantonrechter oordeelt het hof dat daarvoor in de overgelegde stukken geen steun te vinden is. Uit de stukken leidt het hof af dat kwestie van de omzet verband houdt met de discussie die vanaf het najaar 2021/eind 2021 tussen partijen is ontstaan over de arbeidsvoorwaarden, welke discussie extra onder druk stond vanwege de persoonlijke financiële huishouding van [appellant] . [appellant] meent dat de kantonrechter bij zijn oordeel over de vraag of sprake is van verwijtbaar handelen ten onrechte niet heeft betrokken de handelwijze van [geïntimeerde] rondom die arbeidsvoorwaarden. Het hof neemt aan dat de tussen partijen ontstane en gevoerde discussie onzekerheid over zijn toekomstige inkomenssituatie en financiële stress bij [appellant] heeft veroorzaakt en dat dit een belangrijk aandeel heeft gehad in zijn ziekmelding in april 2022 en augustus 2022. Dat sprake was van meer dan een meningsverschil, waarin [geïntimeerde] overeengekomen arbeidsvoorwaarden bewust niet nakwam en/of in de nakoming daarvan of van andere toezeggingen verwijtbaar in gebreke is bleef, is voor het hof echter niet komen vast te staan. 3.31 Bij deze stand van zaken kan niet de conclusie worden getrokken dat [geïntimeerde] [appellant] vanaf september 2021 - door een te hoge werkdruk of door haar handelwijze rondom de arbeidsvoorwaarden - moedwillig heeft overbelast en daarmee van de verstoorde arbeidsrelatie een ernstig verwijt valt te maken. Bejegening 3.32 [appellant] wijst er verder op dat [geïntimeerde] hem negatief en grensoverschrijdend heeft bejegend, waarbij de verhouding met [appellant] (verder) op scherp is gezet c.q. is aangestuurd op een (verdere) verstoring van de arbeidsverhouding. Ook deze omstandigheid heeft de kantonrechter volgens [appellant] verzuimd te beoordelen bij de vraag of [geïntimeerde] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld. 3.33 [appellant] heeft een aantal voorbeelden genoemd van concrete incidenten waarbij hij zich negatief bejegend en zelfs gepest/geïntimideerd voelde, uiteenlopend van het belachelijk maken van (een overwerkte) [appellant] tegenover collega’s tot een plotselinge onterecht negatieve beoordeling. [appellant] wijst in dit verband ook nog op een gesprek dat hij op 7 april 2022 heeft gevoerd met [geïntimeerde] en waarbij [geïntimeerde] [appellant] op grensoverschrijdende wijze heeft bejegend met ongefundeerde klachten over zijn bereikbaarheid en dreiging met ontslag. 3.34 [geïntimeerde] heeft haar eigen visie op de door [appellant] genoemde incidenten. Volgens haar is van pesten of intimideren geen sprake geweest en zijn voor de wijze waarop het gesprek van 7 april 2022 was gevoerd excuses aangeboden die door [appellant] zijn geaccepteerd. Los van wat nu precies is voorgevallen en de context waarin een en ander moeten bezien, waarbij uit het e-mailbericht van 2 juni 2022 van [appellant] wel blijkt dat hij de gemaakte excuses accepteert waarna hij (in vet gedrukte tekst) schrijft dat wat hem betreft daarmee de kous af is over wat is gebeurd, zijn de door [appellant] gestelde gedragingen van [geïntimeerde] van onvoldoende gewicht om ernstig verwijtbaar handelen van [geïntimeerde] op te leveren. Ook is het vereiste oorzakelijk verband tussen de gestelde bejegening en de verstoorde arbeidsverhouding en het vervolgens voortduren daarvan wat uiteindelijk tot de opzegging van de arbeidsovereenkomst heeft geleid, onvoldoende komen vast te staan. Handelwijze tijdens ziekte/re-integratie 3.35 Volgens [appellant] heeft de kantonrechter verder nagelaten te betrekken het optreden van [geïntimeerde] in de periode van zijn ziekte/re-integratie. Door dit optreden heeft [geïntimeerde] herstel van [appellant] in de weg gestaan en aangestuurd op een (verdere) verstoring van de arbeidsverhouding. 3.36 Na de ziekmelding van [appellant] in april 2022 stelde de bedrijfsarts vast dat de oorzaak van de beperkingen werkgerelateerd is en zijn partijen geadviseerd samen in gesprek te gaan met een onafhankelijke gesprekspartner. Er hebben vervolgens ook gesprekken plaatsgevonden onder leiding van coach/mediator [naam2] . [appellant] verwijt [geïntimeerde] te hebben geweigerd om de werkdruk en de arbeidsvoorwaarden te bespreken onder leiding van de door de bedrijfsarts geadviseerde coach. Volgens [geïntimeerde] hebben partijen na een tweetal coachgesprekken in gezamenlijkheid besloten de gesprekken zonder coach voort te zetten. Het hof constateert dat partijen, mede ingegeven door hun perspectief op de ontstane meningsverschillen, een eigen lezing hebben van het verloop en de uitkomst van de gesprekken met [naam2] . Dat [geïntimeerde] in dit opzicht het advies van de bedrijfsarts niet heeft opgevolgd of zich in deze gesprekken onvoldoende heeft ingespannen om het conflict tussen partijen op te lossen, kan het hof uit de stukken niet opmaken. 3.37 Wat betreft de mediation stelt het hof vast dat [geïntimeerde] daaraan heeft meewerkt vanaf het advies daarover van de bedrijfsarts begin september 2022. De geplande aanvang in september 2022 werd in afwachting van het medisch traject afgezegd en van excessieve vertraging van de start van de mediation daarna is geen sprake geweest, laat staan dat [geïntimeerde] bewust mediation zou hebben afgehouden of vertraagd en/of dat [geïntimeerde] niet open stond voor een oplossing via mediation. Dat [geïntimeerde] geen gevolg heeft gegeven aan het later herhaalde advies van de bedrijfsarts tot mediation, acht het hof in dit geval - waarin al mediationgesprekken waren gevoerd die geen resultaat hadden opgeleverd - niet ernstig verwijtbaar. Tot start van een tweede spoortraject - waar [appellant] net als herhaalde mediation uitdrukkelijk om verzocht - adviseerde de bedrijfsarts niet en de beslissing van [geïntimeerde] om het oordeel van de bedrijfsarts op dit punt af te wachten, is evenmin ernstig verwijtbaar. Voorstelbaar is dat (de voortduring van) het arbeidsconflict een ongemeen negatieve impact op de gezondheid van [appellant] had. Het e-mailbericht van 22 augustus 2022 van [naam1] aan [appellant] zal bepaald geen gunstige bijdrage aan het ziekteproces van [appellant] hebben geboden, maar levert ook geen ernstig verwijt op. Hetzelfde geldt voor de e-mailwisseling die in het najaar 2022 tussen [naam3] en [appellant] plaatsvond naar aanleiding van de salarisbetaling van 70%. Dat [geïntimeerde] met deze contacten of nadien in de fase van de onderhandelingen over de beëindiging van het dienstverband, het oplossen van het (ziekmakende) conflict welbewust heeft getraineerd of zich onvoldoende heeft ingespannen voor de oplossing daarvan, kan het hof niet vaststellen. Voor zover [appellant] meent dat [geïntimeerde] ten onrechte niet is ingegaan op door hem gewenste oplossingen of door hem redelijk geachte voorstellen, geldt dat [geïntimeerde] daarover een andere visie had en dat - zoals hiervoor is overwogen - een meningsverschil geen ernstig verwijt oplevert. 3.38 De salarisbetaling tijdens ziekte levert ook geen ernstig verwijt of nalaten van [geïntimeerde] op. Volgens [appellant] heeft [geïntimeerde] het conflict onnodig verder geëscaleerd door de salariskorting per oktober 2022 en volledige beëindiging van salarisbetaling per november 2022. De salariskorting per oktober 2022 hield echter verband met de 26 weken arbeidsongeschiktheid van [appellant] en de beëindiging per november 2022 met de UWV-uitkering die [appellant] vanaf dat moment ontving. De stopzetting van de uitkering in maart 2023 had te maken met het uitblijven van de retournering van een machtiging door [appellant] en is snel (na enkele dagen) rechtgezet. De suggestie van [appellant] dat [geïntimeerde] in dit opzicht met opzet een valse reden heeft aangevoerd waarop het UWV heeft gehandeld, is niet onderbouwd. 3.39 Ook als alle voorgaande verwijten in onderlinge samenhang worden gewogen, komt het hof niet verder dan dat [geïntimeerde] wellicht op onderdelen beter of anders had kunnen handelen, maar dat dat in de gegeven omstandigheden niet de hoge drempel voor het aannemen van ernstige verwijtbaarheid haalt. Billijke vergoeding – slotsom 3.40 Op grond van het bovenstaande komt het hof tot de slotsom dat [geïntimeerde] op de door [appellant] aangevoerde argumenten op zichzelf noch in combinatie daarvan ernstig verwijtbaar heeft gehandeld of nagelaten jegens [appellant] . Dat [geïntimeerde] zodanig heeft gehandeld of nagelaten dat zij haar werkgeversverplichtingen op ernstige wijze heeft geschonden, moedwillig heeft aangestuurd op een verstoorde arbeidsverhouding en/of de instandhouding daarvan, en daarmee een ontbinding van het dienstverband wegens een verstoorde arbeidsverhouding heeft nagestreefd, is niet komen vast te staan. Het verzoek van [appellant] om [geïntimeerde] te veroordelen tot een billijke vergoeding zal daarom (ook in hoger beroep) worden afgewezen. Schadevergoeding op grond van artikel 7:658 BW 3.41 [appellant] verzoekt om een verklaring voor recht dat [geïntimeerde] aansprakelijk is op grond van artikel 7:658 BW en een veroordeling van [geïntimeerde] tot betaling van een schadevergoeding voor door [appellant] geleden en nog te lijden schade op te maken bij staat. [appellant] verwijt [geïntimeerde] dat zij de op haar als werkgever rustende zorgverplichting heeft geschonden, als gevolg waarvan hij psychische klachten heeft opgelopen. 3.42 Voor werkgeversaansprakelijkheid op grond van artikel 7:658 lid 2 BW is vereist (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.