GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem afdeling civiel recht zaaknummer gerechtshof 200.326.464 (zaaknummer rechtbank Gelderland 387584) beschikking van 7 maart 2024 inzake [verzoeker] , zonder bekende woon- of verblijfplaats,verzoeker in het principaal hoger beroep, verweerder in het incidenteel hoger beroep, verder te noemen: de man, advocaat: mr. H. Loonstein te Amsterdam, en [verweerster] , wonende te [woonplaats1] , verweerster in het principaal hoger beroep, verzoekster in het incidenteel hoger beroep, verder te noemen: de vrouw, advocaat: mr. A. Hofman te Barneveld. 1Het verloop van het geding in hoger beroep 1.1 Voor het verloop van het geding tot 12 december 2023 verwijst het hof naar zijn tussenbeschikking van die datum. 1.2 In die tussenbeschikking is de man in de gelegenheid gesteld om uiterlijk 3 weken na de datum van deze beschikking bij de griffie van het hof en aan de (advocaat van de) vrouw stukken over te leggen waaruit duidelijk blijkt hoeveel belasting er is verschuldigd ten aanzien van de verkoop van de camping in Zweden, alsmede stukken betreffende een zakelijke rekening en een btw-vordering. Op verzoek van mr. Loonstein is de termijn om voormelde stukken over te leggen met een week verlengd. 1.3 Op 21 december 2023 is bij het hof ingekomen een brief van mr. Loonstein met daarbij een in het Engels gestelde korte verklaring van [naam1] , authorized accounting consultant (hierna gemakshalve de accountant genoemd). 1.4 Op 11 januari 2024 is bij het hof wederom een brief van mr. Loonstein ingekomen. In die brief wordt gesteld dat uit de eerder overgelegde brief van de accountant van de man duidelijk blijkt dat de schulden zakelijk zijn en dat dus geen onderscheid kan worden gemaakt van persoonlijke schulden, omdat het een eenmanszaak is. De man is daarmee dus van mening dat dit deels voor rekening van de vrouw komt. Met betrekking tot de zakelijke rekening en de BTW-vordering wijst de man eveneens op de brief van de accountant. Deze gelden zijn volgens de man gebruikt om een deel van de schulden af te betalen. Dit is volgens de man dus ook ten goede gekomen van de vrouw. 2De motivering van de beslissing 2.1 Het hof blijft bij hetgeen is overwogen en beslist in de (tussen)beschikking van 12 december 2023, voor zover hierna niet anders wordt overwogen of beslist. 2.2 Naar het oordeel van het hof heeft de man met de overgelegde stukken niet aangetoond hoeveel belasting er specifiek is verschuldigd over de verkoop van de camping. Evenmin heeft de man daarmee aangetoond wat er met het saldo op de bedrijfsrekening en met de BTW-vordering is gebeurd. In de verklaring van de accountant staat enkel dat de man een onderneming runde in Zweden en dat hij dientengevolge geregistreerd is voor de Zweedse BTW en Zweedse ondernemingsbelastingen en dat de man in privé wordt belast over het behaalde resultaat. 2.3 Het hof zal daarom bepalen, zoals in de tussenbeschikking van 12 december 2023 al is overwogen, dat de vrouw de helft van de door de man betaalde inkomstenbelasting over het jaar 2019 aan hem dient te vergoeden alsmede de helft van 10/12e deel van de door hem betaalde inkomstenbelasting over
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.