Afdeling strafrecht Parketnummer: 21-001481-21 Uitspraak d.d.: 13 maart 2024 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht (zitting houdende in de beveiligde rechtbank ‘De Bunker’ in Amsterdam ), van 29 maart 2021 met parketnummer 16-705490-18 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1974, wonende te [adres] . 1Het hoger beroep De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld. 2Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 6 mei 2022, 22 januari 2024, 23 januari 2024, 25 januari 2024, 26 januari 2024 en 13 maart 2024 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaten-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft verder kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsvrouw, mr. I.J.M. de Wit, naar voren is gebracht. 3Het vonnis waarvan beroep De rechtbank heeft verdachte ter zake van:
- de deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 10, vierde en vijfde lid, van de Opiumwet en de deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven,
- het medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie III, meermalen gepleegd, en het medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd, en
- de medeplichtigheid aan opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd, en de medeplichtigheid aan opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd. veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht jaren met aftrek van het voorarrest. Daarnaast heeft de rechtbank een contant geldbedrag ter hoogte van € 100.000,- verbeurdverklaard en vier vuurwapens en een patroon onttrokken aan het verkeer. 4Ontvankelijkheid van het hoger beroep Het hoger beroep van verdachte is onbeperkt ingesteld en richt zich aldus mede tegen de in eerste aanleg door de rechtbank ten aanzien van feit 3 gegeven beslissing tot partiële vrijspraak van betrokkenheid van verdachte bij de in de zaaksdossiers [plaats 1] , [plaats 2] en [plaats 3] omschreven transporten. Het hof is met de advocaten-generaal en de verdediging van oordeel dat voornoemde partiële vrijspraken als beschermde vrijspraken moeten worden beschouwd. Gelet op het bepaalde in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte geen hoger beroep open tegen een vrijspraak. Het hof zal de verdachte daarom niet-ontvankelijk verklaren in zijn hoger beroep voor zover dat tegen de beschermde vrijspraken is gericht.
- Beoordeling van het hoger beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een deels andere bewezenverklaring en een andere strafoplegging komt en daarom opnieuw recht doen. 6De tenlastelegging Aan verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg – tenlastegelegd dat:
- hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2013 tot en met 8 oktober 2018 te [plaats 4] en/of [plaats 5] in [plaats 6] en/of [plaats 7] en/of elders in Nederland en/of in [land 1] , heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, te weten [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 4] en/of [medeverdachte 5] en/of [medeverdachte 6] en/of een of meer anderen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van één of meer misdrijven als bedoeld in artikel 10 derde, vierde, vijfde lid, 10a eerste lid, 11 derde, vijfde lid en/of 11a Opiumwet; (artikel 11a(oud)/11b Opiumwet en artikel 140 lid 3 Wetboek van Strafrecht) en/of hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2013 tot en met 8 oktober 2018 te [plaats 4] en/of [plaats 5] in [plaats 6] en/of [plaats 7] en/of elders in Nederland en/of in [land 1] , heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, te weten [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 4] en/of [medeverdachte 5] en/of [medeverdachte 6] en/of een of meer anderen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van één of meer misdrijven, te weten (onder meer): - het opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade een ander van het leven te beroven (zoals bedoeld in de artikelen 287 en 289 Wetboek van Strafrecht) en/of de voorbereiding daarvan (zoals bedoeld in artikel 46 Wetboek van Strafrecht) door het opzettelijk voorwerpen en/of stoffen en/of informatiedragers en/of ruimten en/of vervoermiddelen, bestemd tot het begaan van dat/die misdrijf/misdrijven, verwerven en/of vervaardigen en/of voorhanden te hebben en/of - het voorhanden hebben van één of meer wapens en/of van munitie van de categorieën II en/of III (zoals bedoeld in artikel 26 Wet Wapens en Munitie) en/of - het witwassen van vermogensbestanddelen afkomstig van de handel in drugs (zoals bedoeld in artikel 420bis Wetboek van Strafrecht) en/of - diefstal (als bedoeld in artikel 310 en 311 Wetboek van Strafrecht en/of - opzetheling (als bedoeld in artikel 416 Wetboek van Strafrecht);
- Primair hij op of omstreeks 8 oktober 2018 te [plaats 7] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, één of meerdere
(4)wapen(s) (pistolen) van categorie III (met verwijderde en/of ontbrekende wapennummers) te weten: - één of meerdere
(2)vuurwapen(
- s)[merk 1] 9mm en/of - een vuurwapen [merk 2] , 9mm en/of - een vuurwapen [merk 3] , 9 mm en/of één of meerdere stuk(
- s)munitie
(743)van categorie II en/of III voorhanden heeft gehad; 2. Subsidiair [medeverdachte 4] en/of [medeverdachte 1] en/of een of meer anderen op 8 oktober 2018 te [plaats 7] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen één of meerdere
(4)wapen(s) (pistolen) van categorie III (met verwijderde en/of ontbrekende wapennummers) te weten: - één of meerdere
(2)vuurwapen(
- s)[merk 1] 9mm en/of - een vuurwapen [merk 2] , 9mm en/of - een vuurwapen [merk 3] , 9 mm en/of één of meerdere stuk(
- s)munitie
(743)van categorie II en/of III voorhanden heeft/hebben gehad tot en/of bij het plegen van welk misdrijf verdachte op 8 oktober 2018 te [plaats 7] , in elk geval in Nederland, opzettelijk gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest, door een loods (aan de [adres 1] te [plaats 7] ) ter beschikking te stellen; 3. Primair hij op één of meer tijdstip( pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2013 tot en met 8 oktober 2018 in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (meermalen) opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland – te weten naar [land 1] – heeft gebracht en/of heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, althans opzettelijk aanwezig heeft gehad, (telkens) één of meerdere grote hoeveelhe(i)d(
- en)van een materiaal bevattende cocaïne en/of heroïne, zijnde cocaïne en/of heroïne, zijnde (een) middel(
- en)vermeld op de bij die wet behorende lijst 1, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet; 3. subsidiair [medeverdachte 4] en/of [medeverdachte 1] en/of een of meer anderen op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2013 tot en met 8 oktober 2018 in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (meermalen) opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland – te weten naar [land 1] heeft/hebben gebracht en/of heeft/hebben verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, althans opzettelijk aanwezig heeft/hebben gehad, (telkens) één of meerdere grote hoeveelhe(i)d(
- en)van een materiaal bevattende cocaïne en/of heroïne, zijnde cocaïne en/of heroïne zijnde (een) middel(
- en)vermeld op de bij die wet behorende lijst 1, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet tot en/of bij het plegen van welk(
- e)misdrijf/misdrijven verdachte op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2013 tot en met 8 oktober 2018 te [plaats 7] , in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal (telkens) opzettelijk gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest, door - een loods (aan de [adres 1] te [plaats 7] ) ter beschikking te stellen en/of - twee vacumeermachines ter beschikking te stellen en/of - aanwijzingen en/of inlichtingen te geven (aan [medeverdachte 6] en/of anderen) ten behoeve van bovengenoemde transporten van verdovende middelen. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging. 7Overwegingen met betrekking tot het bewijs 7.1 Standpunt van het openbaar ministerie De advocaten-generaal hebben zich, op gronden zoals vermeld in het requisitoir, op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 1, 2 primair en 3 subsidiair tenlastegelegde. 7.2 Standpunt van de verdediging De verdediging heeft zich, op gronden zoals vermeld in de pleitnota, op het standpunt gesteld dat verdachte van het onder 1 en 3 tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken, omdat het dossier onvoldoende wettig en overtuigend bewijs bevat dat verdachte op enige wijze bij de drugstransporten betrokken is geweest en tot de criminele organisatie behoorde. Daartoe heeft de raadsvrouw een aantal bewijsverweren gevoerd. Deze worden – ten behoeve van de leesbaarheid van dit arrest en voor zover van belang voor de beoordeling – besproken in paragraaf 7.3. Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde heeft de verdediging geen verweer gevoerd. 7.3 Oordeel van het hof Het hof is van oordeel dat de rechtbank grotendeels op juiste wijze tot haar bewijsbeslissing is gekomen en zal de motivering daartoe dan ook grotendeels overnemen en verbeteren of aanvullen waar nodig. Net als in het vonnis van de rechtbank zijn de bewijsmiddelen opgenomen in een bij dit arrest gevoegde bijlage. De bewijsmiddelen dienen op deze plaats als ingelast te worden beschouwd. De bewijsmiddelen worden steeds gebruikt voor het bewijs van het feit of de feiten, waarop zij blijkens hun inhoud uitdrukkelijk betrekking hebben. 7.3.1 De voor het bewijs gebruikte PGP-mailberichten Het hof heeft voor het bewijs van de ten laste gelegde feiten gebruik gemaakt van emailberichten die zijn verstuurd met zogeheten PrettyGoodPrivacy-telefoons (hierna: PGP), telefoons waarmee versleutelde berichten kunnen worden verstuurd. Voordat het hof nader ingaat op de aan verdachte ten laste gelegde feiten, gaat het hof – ten behoeve van de leesbaarheid van dit arrest – in op de PGP-mailadressen die aan verdachte en medeverdachten worden toegeschreven en het versluierde taalgebruik dat door de gebruikers van die PGP-mailadressen wordt gehanteerd. De PGP e-mailadressen van verdachte en medeverdachten Het procesdossier bevat veel PGP-mailberichten die volgens het openbaar ministerie door en aan verdachte en zijn medeverdachten zijn verstuurd. Het hof heeft in de bewijsbijlage een aantal overwegingen gewijd aan de mailadressen die aan verdachte en zijn medeverdachten worden toegeschreven. Die overwegingen moeten als hier ingelast worden beschouwd (hoofdstuk 1 van de bewijsbijlage). In die overwegingen concludeert het hof kortgezegd, dat: verdachte gebruik heeft gemaakt van PGP-mailadres [e-mailadres 1] ; [medeverdachte 4] gebruik heeft gemaakt van de PGP-mailadressen [e-mailadres 2] , [e-mailadres 3] en [e-mailadres 4] ; [medeverdachte 1] gebruik heeft gemaakt van de PGP-mailadressen [e-mailadres 5] , [e-mailadres 6] , [e-mailadres 7] , [e-mailadres 8] en [e-mailadres 9] ; [medeverdachte 2] gebruik heeft gemaakt van PGP-mailadres [e-mailadres 10] . Het versluierde taalgebruik in de voor het bewijs gebruikte PGP-berichten Uit de voor het bewijs gebruikte PGP-berichten leidt het hof af dat vaak door middel van versluierde taal werd gecommuniceerd. Voor de deelnemers aan de gesprekken is duidelijk waarover wordt gesproken, maar op basis van de letterlijke tekst van de gesprekken is dat voor een buitenstaander niet per se het geval. Om de betekenis en strekking van de in de bewijsmiddelen weergegeven woorden en gesprekken te duiden, heeft het hof de bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd. Het hof heeft daarbij onder meer rekening gehouden met de continuïteit waarmee bepaalde woorden of uitdrukkingen voorkomen, de context waarin deze worden gebruikt, gebeurtenissen waarvan is vastgesteld dat deze hebben plaatsgevonden en met de in het onderzoek aangetroffen en/of in beslag genomen goederen. Ten behoeve van de leesbaarheid van de in de bewijsbijlage opgenomen PGP-berichten en de hiernavolgende overwegingen, stelt het hof ten aanzien van een aantal veelgebruikte woorden het volgende vast. Verdovende middelen In de bewijsbijlage zijn PGP-berichten opgenomen van verdachte, [medeverdachte 4] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en anderen die zijn verzonden in de periode van 24 augustus 2015 tot en met 31 mei 2016. Uit die PGP-berichten blijkt dat in deze periode veelvuldig werd gesproken over het transporteren van goederen naar [land 1] . De goederen die naar [land 1] moesten worden getransporteerd werden doorgaans aangeduid met woorden als ‘vieze’, ‘dure’, ‘wit’ en ‘bruin’ en een enkele maal met ‘ [merk 10] ’, ‘charlie’, ‘goede vrouwen’, ‘aa’ en ‘eagle’. Dat met deze woorden harddrugs werden bedoeld, kan naar het oordeel van het hof onder meer worden afgeleid uit de context waarin de woorden werden gebruikt. Zo werd in gesprekken over het transporteren van (de met voormelde woorden aangeduide) goederen veelvuldig gesproken over aantallen en inkoop- en verkoopprijzen. Daarnaast werd gesproken over junks die ‘vieze’ en/of ‘dure’ hebben getest, over het uitkoken van de handel, over ‘vieze’ die alleen kan worden gespoten, over het opsnuiven van ‘die kkzooi’ en over de kwaliteit, glans en geur van ‘vieze’ en/of ‘dure’. Dat met de hiervoor genoemde woorden specifiek heroïne en cocaïne werden bedoeld, blijkt naar het oordeel van het hof uit het volgende. Het zijn feiten van algemene bekendheid dat cocaïne wit van kleur is en heroïne bruin, en dat cocaïne doorgaans wordt gesnoven en heroïne geïnjecteerd (‘gespoten’). In straattaal wordt voor cocaïne doorgaans het woord ‘wit’ gebruikt en voor heroïne het woord ‘bruin’. Het staat naar het oordeel van het hof dan ook vast dat in de voor het bewijs gebruikte PGP-berichten de woorden ‘wit’ en ‘bruin’ werden gebruikt als werd gesproken over cocaïne en heroïne. Dat met ‘dure’, ‘charlie’ en ‘ [merk 10] ’ ook cocaïne werd bedoeld en met ‘vieze’ heroïne, blijkt naar het oordeel van het hof uit - onder meer - de voor het bewijs gebezigde gesprekken tussen medeverdachte [medeverdachte 4] en [medeverdachte 7] van augustus en september 2015. Uit die gesprekken en de aantallen die daarin worden genoemd kan namelijk worden afgeleid dat de woorden ‘dure’, ‘charlie’ en ‘ [merk 10] ’ als synoniemen van het woord wit werden gebruikt en dat het woord ‘vieze’ een ander woord was voor ‘bruin’. Daar komt nog bij dat niet alleen op grond van de (context en inhoud van) de PGP-berichten zelf, maar ook op grond van andere bewijsmiddelen kan worden geconcludeerd dat werd gesproken over de drugssoorten cocaïne en heroïne. Zo blijkt uit hierna nog te bespreken bewijsmiddelen dat verdachte en een aantal medeverdachten betrokken waren bij het transporteren van drugs naar [land 1] . Het hof gaat verderop in het arrest nader in op die betrokkenheid. In dit kader is van belang dat bij de onderschepping van een transport enkel grote hoeveelheden heroïne en cocaïne zijn aangetroffen. Gelet op al het voorgaande staat naar het oordeel van het hof vast dat in de voor het bewijs gebruikte PGP-berichten met de woorden ‘vieze’, ‘dure’, ‘wit’, ‘bruin’, ‘ [merk 10] ’, ‘charlie’ en ook ‘goede vrouwen’, ‘aa’ en ‘eagle’, cocaïne en/of heroïne werden bedoeld. Geld Het woord ‘pap’ komt in veel PGP-gesprekken voor. ‘Pap’ (afkorting van ‘paper’) is straattaal voor geld. Dat verdachte en anderen met het woord ‘pap’ ook daadwerkelijk geld bedoelden, kan naar het oordeel van het hof worden afgeleid uit de inhoud en context van de PGP-berichten, bezien in het licht van de overige, hierna nog te bespreken bewijsmiddelen in dit dossier. Medeverdachte [medeverdachte 4] sprak bijvoorbeeld met regelmaat over het wisselen van ‘pap’ bij een wisselaar. In één van die gesprekken vroeg hij of hij de ‘pap’ – zodra het was gestort – moest afgeven bij de wisselaar van zijn gesprekspartner. In een ander gesprek schreef hij dat ze elke paar ‘mil’ wisselen. Verder schreef [medeverdachte 2] in een PGP-bericht aan [medeverdachte 4] dat hij het waarschijnlijk wel zou redden met het geld dat hij nog over had. [medeverdachte 4] schreef daarop dat het wel goed zou komen, omdat verdachte de volgende dag waarschijnlijk weer ‘pap’ kon aanpakken. Vuurwapens Het woord ‘yzer’ komt in enkele voor het bewijs gebruikte PGP-berichten voor. In straattaal wordt voor de woorden vuurwapen en/of pistool doorgaans het woord ‘yzer’ gebruikt. Dat met het woord yzer in de voor het bewijs opgenomen PGP-berichten ook daadwerkelijk een vuurwapen wordt bedoeld, blijkt naar het oordeel van het hof onder meer uit de omstandigheid dat onder de medeverdachten die het woord ‘yzer’ in hun PGP-berichten gebruikten, een aanzienlijk aantal wapens en munitie is aangetroffen. Conclusie Gelet op het voorgaande zal het hof bij het bespreken van PGP-berichten in de hierna volgende overwegingen de woorden cocaïne, heroïne, geld en (vuur)wapen gebruiken in plaats van de hiervoor besproken verdekte termen. 7.3.2 De feiten en omstandigheden Ten behoeve van de leesbaarheid van deze paragraaf merkt het hof alvast het volgende op. Het procesdossier [naam 1] bevat onder meer de zaaksdossiers [plaats 1] (onderzoek [naam 2] ), [plaats 2] (onderzoek [naam 3] ), [plaats 8] (onderzoek [naam 4] ) en [plaats 3] . Dit betreffen onderzoeken van de Nederlandse en [taal 1] politie naar aanleiding van in [land 1] onderschepte drugstransporten. Uit de hiernavolgende overwegingen zal blijken dat het hof bewezen acht dat verdachte betrokken was bij de in het zaaksdossier [plaats 8] omschreven transporten. Zoals reeds hierboven aangeven beschouwt het hof de partiële vrijspraken van de in de zaaksdossiers [plaats 1] , [plaats 2] en [plaats 3] omschreven transporten als beschermde vrijspraken. Ten behoeve van het bewijs van een aantal in de onder de feiten 1 en 3 opgenomen bestanddelen maakt het hof echter wel gebruik van (schakel)bewijsmiddelen die voortvloeien uit de zaaksdossiers [plaats 1] , [plaats 2] en [plaats 3] . Het hof gaat in deze paragraaf daarom eerst in op de feiten en omstandigheden die voortvloeien uit alle hiervoor genoemde zaaksdossiers. Het hof zal vervolgens ingaan op de feiten en omstandigheden ten aanzien van de in het onderzoek [naam 1] aangetroffen wapens en munitie. Het hof bespreekt in paragraaf 7.3.3 welke conclusies zij op grond van die feiten en omstandigheden trekt over – onder meer – de rol van verdachte ten aanzien van de feiten 1, 2 en 3. 7.3.2.1 De drugstransporten De feiten met betrekking tot onderzoek [naam 2] , zaaksdossier [plaats 1] Op grond van de bewijsmiddelen, opgenomen in de bewijsbijlage onder paragraaf 2.1, kan naar het oordeel van het hof het volgende worden vastgesteld. Onderschepping Onderzoek [naam 2] is een drugsonderzoek van de politie te [plaats 1] , een plaats in het graafschap [plaats 9] in [land 1] ( [land 1] ). Op 5 maart 2015 werd door de politie in [plaats 1] gezien dat [medeverdachte 8] een koffer overhandigde aan een persoon genaamd [persoon 1] . In deze koffer zaten – zo bleek later – tien blokken met verdovende middelen. In de auto van [medeverdachte 8] werden drie exact dezelfde koffers aangetroffen waarin ook een aantal pakjes met verdovende middelen zat. Uit in [land 1] verricht laboratoriumonderzoek bleek dat het in totaal ging om ongeveer dertig kilo heroïne en twaalf kilo cocaïne. [medeverdachte 8] bleek te verblijven in hotel [hotel] in [plaats 1] . Hij verbleef daar samen met [medeverdachte 9] . [medeverdachte 8] en [medeverdachte 9] zijn in [land 1] uiteindelijk veroordeeld tot jarenlange gevangenisstraffen voor de handel in verdovende middelen. [medeverdachte 9] en [medeverdachte 8] bleken al zo’n half jaar regelmatig in hotel [hotel] te hebben overnacht. Uit reisgegevens blijkt dat [medeverdachte 9] en [medeverdachte 8] in de periode van 29 april 2014 tot en met 4 maart 2015 nagenoeg iedere maand één- tot tweemaal voor één of enkele dagen naar [land 1] zijn gereisd, zowel samen als alleen. Op 29 april, 8 mei en 19 mei 2014 vloog [medeverdachte 9] niet samen met [medeverdachte 8] , maar met medeverdachte [medeverdachte 1] van [plaats 10] naar [plaats 11] . Uit bonnen die in de woning van [medeverdachte 1] zijn aangetroffen kan worden afgeleid dat hij kort daarvoor, namelijk op 12 en 13 maart 2014, heeft overnacht in het hiervoor al genoemde hotel [hotel] in [plaats 1] . Bedrijven en loodsen In de hotelkamer van [medeverdachte 8] en [medeverdachte 9] werd een transportbrief aangetroffen van het bedrijf [bedrijf 1] met daarop het adres van een loods in [plaats 12] (ook in het graafschap [plaats 9] ). Dit bedrijf stond op naam van een persoon genaamd [medeverdachte 13] . Hij huurde ook de loods in [plaats 12] . In die loods zijn op 6 maart 2015 – onder meer – ontvangstbewijzen voor zwarte koffers, een vorkheftruck, krimpfolie en een groot aantal dozen van [website 1] aangetroffen. In en naast die dozen lagen jumpstarters/acculaders. Een aantal in de loods aangetroffen jumpstarters/acculaders was hol van binnen. De accu’s waren uit deze jumpstarters/acculaders verwijderd en vervangen door een met lood beklede verpakking. In deze accu’s paste ongeveer een kilo van de verdovende middelen, precies de grootte van een pak. Tijdens de doorzoeking van de loods in [plaats 12] kwam een chauffeur met een Nederlandse vrachtwagen aan bij de loods, die daar pallets met auto-onderdelen kwam ophalen. Hij had een vrachtbrief bij zich waaruit bleek dat de pallets moesten worden vervoerd naar een bedrijf met een loods aan de [adres 2] in [plaats 13] (hierna: de loods in [plaats 13] ). Deze loods bleek te zijn gehuurd door [medeverdachte 13] , de persoon die ook de loods in [plaats 12] huurde. In de loods in [plaats 13] werden (ook) een vorkheftruck, dozen met krimpfolie en ( [naam 5] dozen met) acculaders aangetroffen. Een aantal acculaders was uitgehold en met lood bekleed, op exact dezelfde manier als de jumpstarters/acculaders in de loods in [plaats 12] . De eigenaar en verhuurder van de loods in [plaats 13] zag wekelijks personen die bij de loods bezig waren pallets met dozen met acculaders te laden en lossen en hij herkende [medeverdachte 1] als een van de personen die hier wel eens bij was. Transportbrief in woning [medeverdachte 1] Eind juni 2014 is de woning van [medeverdachte 1] in het kader van een ander strafrechtelijk onderzoek doorzocht. In de woning werd een transportbrief aangetroffen die overeenkwam met de transportbrief die de chauffeur bij zich had toen hij op 6 maart 2015 aankwam bij de loods in [plaats 12] . De transportbrief in de woning van [medeverdachte 1] had namelijk betrekking op 31 pallets met auto-onderdelen die op 6 juni 2014 namens het hiervoor al genoemde bedrijf [bedrijf 1] vanaf de loods in [plaats 12] moesten worden getransporteerd naar de loods in [plaats 13] . Naast de transportbrief werden in de woning van [medeverdachte 1] een ( [taal 1] ) aankoop- en transportbon van een vorkheftruck van 4 maart 2014 aangetroffen. Deze vorkheftruck moest worden afgeleverd bij de loods van [bedrijf 1] in [plaats 12] . Transporten De dagen 6 juni 2014 en 5 maart 2015 blijken niet de enige te zijn waarop transporten van auto-onderdelen plaatsvonden tussen de loods in [plaats 13] en de loods van het bedrijf [bedrijf 1] in [plaats 12] . Uit de bewijsmiddelen blijkt dat het eerste transport tussen beide loodsen plaatsvond op 12 maart 2014, de dag waarop [medeverdachte 1] overnachtte in hotel [hotel] . Het ging om een lading auto-onderdelen van [naam 5] , die in opdracht van een Nederlands bedrijf op naam van [medeverdachte 13] naar het [taal 1] bedrijf op naam van diezelfde [medeverdachte 13] ( [bedrijf 1] ) werd getransporteerd. Na dat eerste transport vonden tot en met 5 maart 2015 minimaal 17 transporten (nagenoeg één tot tweemaal per maand) plaats van telkens zo’n 28 tot 34 pallets met auto-onderdelen (vaak omschreven als [naam 5] , [naam 6] , of car parts). Binnen 2 tot 5 dagen na aankomst van zo’n transport in [plaats 12] ging weer eenzelfde transport retour naar de loods in [plaats 13] . Volgens de eigenaar en verhuurder van de loods in [plaats 13] leek het erop dat iedere keer niet soortgelijke, maar exact dezelfde pallets met acculaders werden gebracht en gehaald: ‘(...) dan kwam bijvoorbeeld een week later weer een doos met eenzelfde scheur erin terug’, aldus de eigenaar. De feiten met betrekking tot onderzoek [naam 3] , zaaksdossier [plaats 2] Het hof stelt op grond van de bewijsmiddelen, opgenomen in de bewijsbijlage onder paragraaf 2.2, het volgende vast. Onderschepping Op 12 november 2015 werd in [land 1] een drugstransport onderschept dat afkomstig was van de [land 2] . De onderschepping werd nog even geheimgehouden en het transport werd onder controle van de politie op 23 november 2015 afgeleverd bij een loods. De container die werd getransporteerd bleek gevuld met dozen waarin jumpstarters/acculaders van het merk [naam 5] zaten. Vijftig jumpstarters/acculaders waren uitgehold (de accu’s waren verwijderd) en de holle ruimtes waren bekleed met lood, op dezelfde wijze als de jumpstarters/acculaders in het hiervoor besproken onderzoek met de naam [naam 2] . In de holle ruimtes van deze vijftig jumpstarters/acculaders zaten vacuüm verpakte blokken cocaïne. In totaal bleek in de jumpstarters/acculaders 47 kilo cocaïne te zijn verstopt. De dozen waarin de jumpstarters/acculaders met cocaïne zaten, waren gemarkeerd met een zwarte stip. Contacten van medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 4] De [taal 1] [medeverdachte 10] werd op 23 november 2015 vanuit de hiervoor genoemde loods door de politie gevolgd naar de boerderij waar [medeverdachte 11] op dat moment verbleef. [medeverdachte 11] , [medeverdachte 10] en [medeverdachte 12] zijn na de aflevering van het transport op 23 november 2015 aangehouden en uiteindelijk veroordeeld tot jarenlange gevangenisstraffen voor de import en handel in verdovende middelen. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat medeverdachte [medeverdachte 1] vanaf augustus 2015 tot en met november 2015 iedere maand in [plaats 2] is geweest. In november, slechts drie dagen voor aankomst van het hierboven genoemde transport, had hij een ontmoeting met [medeverdachte 11] en [medeverdachte 10] in [plaats 14] . Een maand eerder, op 13 oktober 2015, bevond [medeverdachte 1] zich ook al in [plaats 14] , zo blijkt uit een PGP-bericht van [medeverdachte 1] aan [medeverdachte 4] . Uit de onderlinge samenhang tussen voorgaande feiten enerzijds en de inhoud, data en afzenders van de in de bewijsmiddelen opgenomen PGP-berichten anderzijds, blijkt dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 4] in oktober en november 2015 met elkaar én met [medeverdachte 11] en [medeverdachte 12] spraken over het drugstransport dat op 12 november 2015 is onderschept. Zo sprak [medeverdachte 4] op 13 oktober 2015 – de dag waarop [medeverdachte 1] in [plaats 14] was – met [medeverdachte 12] over ‘ [land 2] ’, het [land 1] en de prijzen van harddrugs. Met een ander contact sprak [medeverdachte 4] over ‘ [land 2] ’ en over het vacumeren en wegleggen van iets (‘ze’) in ‘media’, omdat het voor ‘ [plaats 2] ’ was. Op 10 november 2015 werden [medeverdachte 1] en [medeverdachte 4] er door [medeverdachte 11] van op de hoogte gebracht dat de douane ‘de container’ door middel van röntgenapparatuur zou controleren. Die controle zou volgens [medeverdachte 4] geen problemen opleveren, omdat de lading scanbestendig was. [medeverdachte 1] verwachtte dat de douane ook een steekproef zou doen, omdat het zo lang duurde. Op 12 november 2015 schreef een contact aan [medeverdachte 4] dat er niks aan de hand was als de douane tijdens een steekproef ‘een lege’ zou pakken. [medeverdachte 11] stelde voor om als alles goed was gegaan ‘ [medeverdachte 10] ’ te sturen [het hof begrijpt: [medeverdachte 10] naar de loods te sturen]: ‘dan weten we of [medeverdachte 10] de gevangenis in gaat, hahaha’, aldus [medeverdachte 11] . Op 23 november 2015, de dag waarop [medeverdachte 10] en [medeverdachte 11] zijn aangehouden, zei [medeverdachte 4] nog tegen [medeverdachte 11] dat [medeverdachte 10] wat nepwerk moest gaan uitvoeren in de loods. Later die dag werd [medeverdachte 4] er door [medeverdachte 11] van op de hoogte gebracht dat [medeverdachte 10] vanuit de loods naar de boerderij, waar [medeverdachte 11] zich bevond, was gereden en dat de politie [medeverdachte 10] was gevolgd. De politie zat overal. [medeverdachte 11] vroeg of [medeverdachte 4] en/of [medeverdachte 1] de telefoons van [medeverdachte 10] en [medeverdachte 12] direct wilden schoonvegen. De feiten met betrekking tot onderzoek [naam 4] , zaaksdossier [plaats 8] Op grond van de bewijsmiddelen, opgenomen in de bewijsbijlage onder paragraaf 2.3, kan naar het oordeel van het hof het volgende worden vastgesteld. Onderschepping Het onderzoek met de naam [naam 4] is een onderzoek van de politie te [plaats 8] ( [land 1] ). Op 12 oktober 2016 werd door de grenspolitie in [land 1] een transport gecontroleerd dat uit Nederland was gekomen. Het ging om een oplegger met 28 pallets met accu’s. Op die accu’s zaten etiketten van ‘ [merk 4] ’. Een aantal accu’s bleek aan de binnenkant met lood bekleed. In de accu’s zaten pakketten met verdovende middelen die vacuüm waren verpakt en gemarkeerd (met strepen of stickers in verschillende kleuren). In totaal werd er 55 kilo heroïne en 60 kilo cocaïne aangetroffen. Bedrijven, loodsen en transporten en de betrokkenheid van medeverdachte [medeverdachte 6] De onderschepte lading was naar [land 1] getransporteerd vanaf een loods in [plaats 15] , Nederland. Afzender van de lading was het bedrijf [bedrijf 2] Dit bedrijf stond op naam van medeverdachte [medeverdachte 6] , die het bedrijf 31 december 2015 voor slechts € 1,- had overgenomen. Uit belastingaangiften bleek dat voor de jaren 2015 tot en met 2017 geen inkomsten zijn opgegeven. [medeverdachte 6] huurde (namens [bedrijf 2] ) ook de loods in [plaats 15] en had – na de onderschepping van het transport op 12 oktober 2016 – contact met de douane. Na die onderschepping is voor de loods geen huur meer betaald en kreeg de eigenaar van de loods [medeverdachte 6] niet meer te pakken. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat in opdracht van [bedrijf 2] in de periode van 20 april 2016 tot en met 12 oktober 2016 dertienmaal accu’s en auto-onderdelen vanaf de loods in [plaats 15] naar de loodsen van drie bedrijven in [land 1] zijn getransporteerd. Na aankomst van een lading bij één van die loodsen werd doorgaans binnen twee tot vijf dagen eenzelfde lading weer getransporteerd naar de loods in [plaats 15] . Eén van de hiervoor genoemde [taal 1] bedrijven was [bedrijf 3] , opgericht in januari 2016. Directeur van het bedrijf was de hiervoor al genoemde [medeverdachte 6] . Uit informatie van de [taal 1] belastingdienst blijkt dat ook dit bedrijf nooit belasting heeft afgedragen. [medeverdachte 6] huurde namens [bedrijf 3] ook een loods in [plaats 16] . In deze loods werden onder meer een vorkheftruck, zwart en doorzichtig folie, verpakkingsdozen van accustarters, pakbonnen van transporten, een rol bubbelfolie en bonnen van (sport)tassen aangetroffen. De geadresseerde van het op 12 oktober 2016 onderschepte transport was echter niet het bedrijf [bedrijf 3] , maar het bedrijf [bedrijf 4] , met een loods in [plaats 8] , [land 1] . De verhuurder van de loods verklaarde dat om de paar weken bij de loods een vrachtwagen aankwam met accu’s op pallets die waren verpakt in cellofaan. Deze accu’s werden diezelfde dag weer op een andere vrachtwagen geladen en weggereden. Het bedrijf [bedrijf 4] stond op naam van een man uit [land 3] , genaamd [persoon 2] , en de loods in [plaats 8] werd door diezelfde man gehuurd. Het derde [taal 1] bedrijf dat accu’s en auto-onderdelen van [bedrijf 2] ontving was [bedrijf 5] . Dit bedrijf stond op naam van een andere man uit [land 3] , genaamd [medeverdachte 14] , die namens het bedrijf ook een loods huurde. [medeverdachte 14] verklaarde dat hij was betaald voor het op naam zetten van het bedrijf en het huren van de loods. Betrokkenheid van medeverdachten [medeverdachte 4] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] Het eerste transport dat (blijkens de bewijsmiddelen) in opdracht van [bedrijf 2] is uitgevoerd vertrok op 20 april 2016 vanuit [plaats 15] en kwam op 25 april 2016 aan bij de loods in [plaats 16] . Uit de voor het bewijs gebezigde PGP-berichten blijkt dat medeverdachte [medeverdachte 4] in berichten voorafgaand aan dat eerste transport met anderen sprak over het regelen van alle papieren, het betalen van katvangers, het wijzigen/op naam zetten van ‘iets’ bij de Kamer van Koophandel en het betalen van huur voor ‘het pand’. Uit de inhoud van andere berichten van en aan [medeverdachte 4] leidt het hof af dat (namens [medeverdachte 4] ) in die periode contact werd opgenomen met klanten om te vragen of zij – tegen betaling – pakketten met cocaïne en/of heroïne (‘dure en/of vieze’) mee wilden laten transporteren naar [land 1] . Een deel van de lading was gevuld met ‘eigen’ pakketten van [medeverdachte 4] , maar er was doorgaans ook nog ruimte voor pakketten van anderen. Die pakketten konden een dag voor vertrek, op 19 april 2016, gevacumeerd en gemarkeerd worden aangeleverd. Op 18 april 2016 vroeg [persoon 3] aan [medeverdachte 4] of hij en [medeverdachte 1] (‘ [medeverdachte 1] ’ genoemd) de planning voor de volgende dag konden gaan maken. [medeverdachte 4] vond dat goed. [persoon 3] vroeg vervolgens aan [medeverdachte 4] hoe de heroïne moest worden gevacumeerd. [medeverdachte 4] antwoordde daarop dat [persoon 3] dat aan [medeverdachte 1] (‘ [medeverdachte 1] ’) moest vragen. Kort na dat gesprek nam [medeverdachte 1] contact op met [persoon 3] om hem mee te delen hoe de heroïne moest worden verpakt. [medeverdachte 1] vertelde ook dat hij de drugs de volgende ochtend zou aanpakken. Voorafgaand aan de transporten van [bedrijf 2] in mei 2016 werden door [medeverdachte 4] en [medeverdachte 1] soortgelijke berichten gestuurd. [medeverdachte 4] sprak met zijn klanten over de hoeveelheden die nog mee konden op de transporten, over de prijzen daarvan en over de (in- en verkoop)prijzen van cocaïne en heroïne. Ook vertelde hij dat hij met een topsysteem werkte, omdat de te transporteren lading scanbestendig (‘scanproef’) zou zijn. Vragen over het vacumeren van de drugs en het aanpakken daarvan liet hij beantwoorden door [medeverdachte 1] . [medeverdachte 1] maakte vervolgens afspraken met klanten over het aanpakken of afgeven van de drugs of het geld. Uit andere PGP-berichten blijkt dat medeverdachte [medeverdachte 2] vanaf het voorjaar van 2016 in opdracht van [medeverdachte 4] allerlei werkzaamheden verrichtte met betrekking tot de transporten van Nederland naar [land 1] . Die werkzaamheden bestonden onder meer uit het – in [land 1] – in ontvangst nemen van een vorkheftruck, het regelen van een [taal 1] auto waarin een ‘stash’ (opbergruimte) kon worden gemaakt, het laden en lossen van transporten en het aanpakken van (contant) geld. Dat [medeverdachte 2] hielp bij het laden en lossen van naar [land 1] getransporteerde accu’s blijkt onder meer uit een bericht van [medeverdachte 4] van 21 mei 2016 waarin hij [medeverdachte 2] opdroeg om rustiger te werk te gaan met de accu’s, omdat er een paar kapot waren. [medeverdachte 2] werd voor zijn werkzaamheden betaald door [medeverdachte 4] . Dat [medeverdachte 4] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] met elkaar en anderen in de voor het bewijs gebezigde PGP-berichten ook daadwerkelijk spraken over de transporten die in opdracht van [bedrijf 2] werden uitgevoerd, kan naar het oordeel van het hof niet alleen worden afgeleid uit de data en inhoud van die berichten, maar ook uit het volgende. Enige tijd na de onderschepping van het transport op 12 oktober 2016 werd in de loods in [plaats 16] een flesje in beslag genomen waarop DNA is aangetroffen dat een match heeft opgeleverd met het DNA-profiel van [medeverdachte 2] . Verder kreeg [medeverdachte 2] op 21 april 2016, vlak voor aankomst van het eerste transport in [plaats 16] , (via een PGP-bericht) opdracht van [medeverdachte 4] om zich tegenover het bedrijf [bedrijf 6] voor te doen als [persoon 4] van [bedrijf 3] , terwijl uit de reactie op dat bericht volgt dat [medeverdachte 2] bevestigt deze naam te zullen gaan gebruiken. [bedrijf 6] is het vervoersbedrijf dat het eerste transport voor [bedrijf 2] heeft uitgevoerd en uit een e-mailbericht van [bedrijf 2] aan [bedrijf 6] blijkt dat over het lossen van de lading op 25 april 2016 in [plaats 16] contact kon worden opgenomen met [persoon 4] van [bedrijf 3] [medeverdachte 2] werd op 29 juni 2016 in verband met een ander feit aangehouden in [land 1] . In zijn auto lagen allerlei documenten en goederen die betrekking hadden op de transporten van [bedrijf 2] , het bedrijf [bedrijf 3] en de loods in [plaats 16] . Uit reisgegevens blijkt ook dat [medeverdachte 2] meestal in [land 1] was op en rondom de data van transporten vanuit [plaats 15] naar [plaats 16] en vice versa. Onderzoek naar de verpakking van de verdovende middelen De op 12 oktober 2016 in [land 1] onderschepte heroïne en cocaïne waren vacuüm verpakt. Een aantal verpakkingen is in beslag genomen voor forensisch onderzoek. Op 8 oktober 2018 werden de woningen en loodsen van alle verdachten in onderzoek [naam 1] doorzocht. In de loods van verdachte werden een vacumeermachine en een groot aantal plastic zakken aangetroffen. Op één van die zakken zat een rond stickertje, gelijksoortig aan de stickertjes die op de plastic zakken zaten waarin de in oktober 2016 onderschepte verdovende middelen waren verpakt (gevacumeerd). Er is een vergelijkend onderzoek gedaan naar de in oktober 2016 in beslag genomen plastic zakken (vacuümzakken) en de in 2018 aangetroffen vacumeermachine. De resultaten van dit vergelijkend onderzoek zijn extreem veel (meer dan een miljoen keer) waarschijnlijker wanneer de vacuümzakken zijn dichtgemaakt met de in de loods van verdachte in beslag genomen vacumeermachine, dan wanneer de vacuümzakken zijn dichtgemaakt met een willekeurige andere vacumeermachine. Het hof heeft deze onderzoeksresultaten beoordeeld in het licht van de overige bewijsmiddelen in dit dossier, waaronder de contacten tussen [medeverdachte 4] , [medeverdachte 1] en verdachte en de andere in de loods en woning van verdachte aangetroffen goederen (waarop het hof verderop in het arrest nader zal ingaan). Op grond van de samenhang tussen die bewijsmiddelen en de onderzoekresultaten komt het hof tot de conclusie dat een aantal van de in [land 1] onderschepte pakketten met heroïne en/of cocaïne vacuüm waren verpakt met de vacumeermachine uit de loods van verdachte. De feiten met betrekking tot onderzoek (en zaaksdossier) [plaats 3] Onderzoek [plaats 3] is een onderzoek van de Nederlandse politie dat is gestart omdat op grond van PGP-berichten van medeverdachte [medeverdachte 1] het vermoeden was ontstaan dat in 2016 drugstransporten hadden plaatsgevonden tussen [plaats 3] en [land 1] . Op grond van de bewijsmiddelen, opgenomen in de bewijsbijlage onder paragraaf 2.4, kan naar het oordeel van het hof het volgende worden vastgesteld. Bedrijf en loods in [plaats 3] In PGP-berichten van 5 april 2016 van [medeverdachte 4] en [medeverdachte 1] aan de eerder in dit arrest al genoemde [persoon 3] werd gesproken over een transport naar ‘de overkant’, over ‘ [land 1] tijd’, over pallets én over ‘dure’ die pas in het systeem pastte nadat er wat vacuümzakken waren afgehaald. [medeverdachte 1] schreef dat ‘het’ moest naar het adres: [adres 3] in [plaats 3] . Uit onderzoek bleek dat het pand op dit adres vanaf 1 augustus 2015 tot en met juli 2017 werd gehuurd door het bedrijf [bedrijf 7] , dat vanaf 24 maart 2016 [bedrijf 7] heette. Een persoon genaamd [medeverdachte 13] was vanaf 22 maart 2016 bestuurder van dit bedrijf. Deze [medeverdachte 13] kwam ook al voor in onderzoek [naam 2] , namelijk als huurder van de loodsen in [plaats 12] en [plaats 13] en als bestuurder van het bedrijf [bedrijf 1] Uit afschriften van de bankrekening van het bedrijf [bedrijf 7] bleek dat tussen 2015 en 2017 ruim € 93.000,- (contant) op de rekening was gestort, maar dat geen andere inkomsten waren binnengekomen. Verder bleek dat het bedrijf in 2015 een bedrag van bijna € 60.000,- euro had overgemaakt naar een [taal 2] bedrijf dat accu’s verkocht. Ook heeft het bedrijf in – onder meer – april 2016 een groot aantal stickers besteld. Deze stickers bleken exact overeen te komen met de stickers op de accu’s die op 12 oktober 2016 in het hiervoor besproken onderzoek [naam 4] zijn onderschept. De stickers waren door het bedrijf [bedrijf 7] besteld met het e-mailadres van [bedrijf 2] , dat blijkens het onderzoek [naam 4] op naam stond van medeverdachte [medeverdachte 6] en afzender was van de op 12 oktober 2016 onderschepte lading. Transporten naar [plaats 17] Uit de bankafschriften van [bedrijf 7] bleek ook dat het bedrijf geld had overgemaakt aan de transportbedrijven [bedrijf 8] en [bedrijf 9] . Uit gegevens van die transportbedrijven bleek dat in de periode van 4 september 2015 tot en met 30 oktober 2015 in totaal vijf transporten waren uitgevoerd in opdracht van [bedrijf 7] Het ging om transporten van accu’s die moesten worden vervoerd vanuit het pand van [bedrijf 7] in [plaats 3] naar het bedrijf [bedrijf 10] in [plaats 17] [het hof begrijpt: een stad in het graafschap [plaats 2] , [land 1] ]. Het bedrijf [bedrijf 10] was op 16 oktober 2015 ingeschreven in het bedrijvenregister in [land 1] . De directeur van het bedrijf bleek [medeverdachte 10] , veroordeelde in het hiervoor besproken onderzoek [naam 3] en een contact van medeverdachten [medeverdachte 4] en [medeverdachte 1] . Transport naar [plaats 18] Op 11 april 2016 schreef [medeverdachte 1] in een PGP-bericht aan een onbekende dat ‘het transport’ onderweg was. Verder mailde hij deze onbekende het adres van het pand van [bedrijf 7] in [plaats 3] en het adres van een loods in [plaats 18] [het hof begrijpt: een wijk in [plaats 11] , [land 1] ]. Op 12 april 2016 schreef [medeverdachte 1] in een PGP-bericht aan [persoon 3] dat de jongens in de loods moeten wachten en dat ‘onze’ trailer rood is en dat op de zijkant ‘ [bedrijf 11] ’ staat. [medeverdachte 1] vroeg vervolgens aan [persoon 3] of de lading al was aangekomen en of ze de [medeverdachte 14] – een goede werker – wel konden vertrouwen. Naar aanleiding van voormelde berichten is nader onderzoek verricht. Uit dat onderzoek bleek dat een vervoersbedrijf met de naam [bedrijf 11] een transport had uitgevoerd in opdracht van het bedrijf [bedrijf 7] . Het ging om het transporteren van een lading ‘truck filters’ vanuit de loods in [plaats 3] naar de hiervoor genoemde loods in [plaats 18] . Het transport was op 11 april 2016 vertrokken vanuit [plaats 3] en op 13 april 2016 aangekomen bij de loods in [plaats 18] . De geadresseerde van het transport was het bedrijf [bedrijf 5] . Dit bedrijf kwam in onderzoek [naam 4] ook voor als de geadresseerde van een transport dat in opdracht van [bedrijf 2] was uitgevoerd. Dit transport moest worden vervoerd naar een loods in [plaats 19] . Het bedrijf [bedrijf 5] . stond op naam van de [medeverdachte 14] . [medeverdachte 14] verklaarde dat was betaald voor het op naam zetten van het bedrijf. Hij verklaarde dat hij ook nog een pand had gehuurd in [plaats 18] . Betrokkenheid van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 4] Uit de onderlinge samenhang tussen de hiervoor besproken bewijsmiddelen en de inhoud en data van de in paragraaf 2.4 van de bewijsbijlage opgenomen PGP-berichten van [medeverdachte 4] en [medeverdachte 1] kan naar het oordeel van het hof worden afgeleid dat zij met elkaar en met anderen spraken over het transport van 11 april 2016 dat is uitgevoerd door het bedrijf [bedrijf 11] . [medeverdachte 4] en [medeverdachte 1] spraken met elkaar en met anderen over de adressen van de loodsen in [plaats 3] en [plaats 18] , over het inbouwen van de lading, over het insealen van de lading met zwarte en witte folie, over klanten, over prijzen, over het wisselen van geld en over het laten terugkomen van de vrachtwagen met geld (pap). Het hof concludeert op grond van de berichten dat [medeverdachte 4] het transport regelde en de mensen aanstuurde en betaalde die ten aanzien van dat transport werkzaamheden verrichtten in Nederland en [land 1] . Verder benaderde [medeverdachte 4] klanten om hen mee te delen dat er weer een transport van hem zou vertrekken en hen te vragen of ze ‘spullen’ wilden meegeven. [medeverdachte 4] verwees veel contacten naar [medeverdachte 1] voor informatie over alle praktische zaken rondom het laden en lossen van het transport. [medeverdachte 1] had met name contact met anderen over het aanpakken van ‘spullen’, de vertrek- en aankomstdata van het transport, het laden en lossen en de manier waarop de ‘spullen’ geseald moesten worden. Uit zijn berichten kan worden afgeleid dat hij - onder meer - hielp met het inbouwen van de lading en het aanpakken van ‘spullen’ voor in de lading. Verder onderhield hij contact met ‘het transport’ over het tijdstip waarop het zou aankomen en gaf hij anderen – in opdracht van [medeverdachte 4] – uitleg over de verschillende werkzaamheden. [medeverdachte 1] werd voor zijn werkzaamheden betaald door [medeverdachte 4] . 7.3.2.2 De wapens en munitie Op 8 oktober 2018 is de loods achter (en behorend bij) de woning van verdachte doorzocht. In die loods zijn niet alleen de eerder al genoemde vacumeermachine en vacuümzakken aangetroffen, maar ook een aantal wapens en een aanzienlijke hoeveelheid munitie. Deze wapens en munitie lagen in een kast op een verdiepingsvloer van de loods. De wapens waren vacuüm verpakt. In de woning van verdachte lag een contant geldbedrag van € 100.000,-. Dit geldbedrag was ook vacuüm verpakt en is aangetroffen in een koffer op de zolder van de woning. Op 8 oktober 2018 is een loods in [plaats 5] en [plaats 6] doorzocht. Deze loods werd gehuurd door medeverdachte [medeverdachte 4] . De loods werd ook gebruikt door [medeverdachte 1] . In die loods zijn – onder meer – twee vacumeermachines aangetroffen. Naar het oordeel van het hof kan uit de onderlinge samenhang tussen de bewijsmiddelen worden geconcludeerd dat [medeverdachte 4] en [medeverdachte 1] ook beschikten over een garagebox aan de [adres 4] in [plaats 20] . In deze garagebox, die ook op 8 oktober 2018 is doorzocht, is een aanzienlijk aantal wapens, munitie en handgranaten aangetroffen. Medeverdachten [medeverdachte 4] en [medeverdachte 1] hadden deze wapens, munitie en handgranaten naar het oordeel van het hof voorhanden. Een groot deel daarvan was vacuüm verpakt. Er is een vergelijkend onderzoek gedaan naar de in dit onderzoek aangetroffen vacumeermachines en de vacuümzakken waarmee een groot deel van de wapens en munitie in de garagebox in [plaats 20] en de loods in [plaats 7] alsmede het geldbedrag in de woning van verdachte waren verpakt. De resultaten van dit vergelijkend onderzoek zijn extreem veel (meer dan een miljoen keer) waarschijnlijker wanneer voormelde vacuümzakken zijn dichtgemaakt met de vacumeermachines die zijn aangetroffen in de loods in [plaats 5] en [plaats 6] , dan wanneer de vacuümzakken zijn dichtgemaakt met een willekeurige andere vacumeermachine. Het hof heeft deze onderzoeksresultaten beoordeeld in het licht van de overige bewijsmiddelen in dit dossier, waaronder de PGP-berichten over wapens van [medeverdachte 4] , [medeverdachte 1] en verdachte aan elkaar of aan anderen. Op grond van de samenhang tussen die bewijsmiddelen en de onderzoekresultaten komt het hof tot de conclusie dat het geldbedrag in de woning van verdachte en een groot deel van de in dit onderzoek aangetroffen wapens, munitie en handgranaten waren verpakt met de vacumeermachines uit de loods van [medeverdachte 4] in [plaats 5] en [plaats 6] . 7.3.3 Conclusies van het hof ten aanzien van de feiten 1, 2 en 3 7.3.3.1 Feit 2: de wapens en munitie in de loods in [plaats 7] Aan verdachte is onder feit 2 primair tenlastegelegd dat hij vier vuurwapens en een aanzienlijke hoeveelheid munitie, samen met één of meer anderen, voorhanden heeft gehad in de loods achter zijn woning in [plaats 7] . Zoals reeds overwogen zijn op 8 oktober 2018 in de loods achter de woning van verdachte vier vuurwapens en een grote hoeveelheid munitie en op de zolder van de woning van verdachte een contant geldbedrag van € 100.000,- aangetroffen. Verdachte heeft over de wapens en het geld verklaard dat hij de goederen op verzoek van een vriend bewaarde. Verdachte wist aldus van de aanwezigheid van de wapens en munitie in zijn loods en kon daarover ook beschikken. Uit de in paragraaf 3.4 van de bewijsbijlage opgenomen bewijsmiddelen leidt het hof voorts af dat verdachte zowel de wapens als het geld voor medeverdachte [medeverdachte 4] bewaarde. Allereerst heeft medeverdachte [medeverdachte 4] als getuige ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij verdachte had gevraagd het geld voor hem te bewaren. Daarnaast waren zowel meerdere van de aangetroffen wapens als het contante geldbedrag vacuüm verpakt met één van de vacumeermachines die is aangetroffen in de door medeverdachte [medeverdachte 4] gehuurde loods in [plaats 5] en [plaats 6] . Tot slot blijkt uit de in de bewijsbijlage opgenomen PGP-berichten dat verdachte met medeverdachte [medeverdachte 4] over vuurwapens sprak (‘het pistooltje wat hier laatst lag’). Gelet op het voorgaande acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de in zijn loods aangetroffen wapens en munitie samen met medeverdachte [medeverdachte 4] voorhanden heeft gehad. 7.3.3.2 Feit 3: de drugstransporten Ging het telkens om transporten van heroïne en/of cocaïne? Uit de eerder in dit arrest (in paragraaf 7.3.2.1) omschreven feiten en omstandigheden blijkt dat in de onderhavige zaak grote hoeveelheden cocaïne en heroïne zijn aangetroffen in ladingen die vanuit de loodsen in [plaats 13] en [plaats 15] naar de loodsen in [plaats 12] en [plaats 8] werden getransporteerd. In de vanuit de [land 2] naar [land 1] getransporteerde lading is eveneens een grote hoeveelheid cocaïne aangetroffen. De ladingen die vanuit de loodsen in [plaats 15] en [plaats 3] naar de loodsen in [plaats 16] , [plaats 19] (zaaksdossier [plaats 8] ), [plaats 17] en [plaats 18] (zaaksdossier [plaats 3] ) werden getransporteerd, zijn niet onderschept. Het hof Amsterdam heeft in één van de zogeheten ‘ [naam 7] ’ arresten als uitgangspunt genomen dat de opzettelijke in- of uitvoer van verdovende middelen in beginsel pas voor bewezenverklaring in aanmerking komt als tijdens het opsporingsonderzoek ook feitelijk een hoeveelheid verdovende middelen is aangetroffen. Voor gevallen waarin géén verdovende middelen zijn aangetroffen heeft het hof het volgende toetsingskader (voor het gebruik van schakelbewijs) geformuleerd: ‘(...) het hof (
- is)van oordeel dat ook in die gevallen in beginsel een bewezenverklaring mogelijk is, mits op grond van het samenstel van feiten en omstandigheden geen andere conclusie mogelijk is dan dat sprake is geweest van handelingen met betrekking tot cocaïne. Deze conclusie kan worden getrokken indien blijkt van een patroon van handelingen en gebeurtenissen dat in aanzienlijke mate overeenkomt met het patroon, beschreven in een zaaksdossier waarin wél een hoeveelheid cocaïne is aangetroffen en inbeslaggenomen en dat tot een bewezenverklaring van een de verdachte ten laste gelegd feit heeft geleid. Daarbij is onder meer de combinatie van de betrokken personen. het gebezigde taalgebruik in de afgeluisterde en opgenomen telefoongesprekken en de modus operandi van betekenis’. Het hof is van oordeel dat, gelet op (a.) de inhoud en het gebezigde taalgebruik in de voor het bewijs gebruikte PGP-berichten, (b.) de combinatie van de bij de verschillende transportlijnen betrokken personen en bedrijven én (c.) de modus operandi die ten aanzien van alle transportlijnen werd gehanteerd, het niet anders kan dan dat ook in de niet onderschepte ladingen cocaïne en heroïne waren verstopt. De PGP-berichten (a.) Het hof wijst allereerst op de reeds besproken en in de bewijsbijlage (hoofdstuk 2) opgenomen PGP-berichten, waarin de bij de verschillende transportlijnen betrokken personen in overeenkomstige versluierde taal spraken over het transporteren van cocaïne en heroïne naar [land 1] . De bij de verschillende transportlijnen betrokken personen en bedrijven (b.) Het hof [plaats 9] daarnaast betekenis toe aan de combinatie van personen en bedrijven die aan alle of aan een aantal van de in deze paragraaf besproken transportlijnen kunnen worden gerelateerd. Het hof wijst bijvoorbeeld op de betrokkenheid van: medeverdachte [medeverdachte 4] bij de zaaksdossiers [plaats 1] ( [naam 2] ), [plaats 2] ( [naam 3] ), [plaats 8] ( [naam 4] ) en [plaats 3] ; medeverdachte [medeverdachte 1] bij de zaaksdossiers [plaats 1] ( [naam 2] ), [plaats 2] ( [naam 3] ), [plaats 8] ( [naam 4] ) en [plaats 3] ; - [medeverdachte 10] bij de zaaksdossiers [plaats 1] ( [naam 2] ), [plaats 2] ( [naam 3] ) en [plaats 3] ; [medeverdachte 9] bij de zaaksdossiers [plaats 1] ( [naam 2] ) en [plaats 2] ( [naam 3] ); [medeverdachte 13] bij de zaaksdossiers [plaats 1] ( [naam 2] ) en [plaats 3] ; [medeverdachte 14] bij de zaaksdossiers [plaats 8] ( [naam 4] ) en [plaats 3] ; het bedrijf [bedrijf 1] bij de zaaksdossiers [plaats 1] ( [naam 2] ) en [plaats 2] ( [naam 3] ); - het bedrijf [bedrijf 5] . bij de zaaksdossiers [plaats 8] ( [naam 4] )en [plaats 3] ; - het bedrijf [bedrijf 2] bij de zaaksdossiers [plaats 8] ( [naam 4] )en [plaats 3] . De modus operandi (c.) Het hof neemt tot slot in aanmerking dat ten aanzien van alle in deze paragraaf besproken transportlijnen een overeenkomstige modus operandi (manier van werken) werd gehanteerd. Zo waren het altijd auto-onderdelen die via de verschillende transportlijnen naar [land 1] werden vervoerd. In bijna alle gevallen ging het om een transport van accu’s of acculaders/jumpstarters. De pakketten cocaïne en heroïne die in 2015 en 2016 zijn onderschept, waren verstopt in uitgeholde accu’s en/of acculaders/jumpstarters die van binnen waren bekleed met lood. De pakketten drugs waren vacuüm verpakt en gemarkeerd met stickers. De meeste transporten vonden plaats tussen loodsen in Nederland en [land 1] . In alle loodsen die zijn doorzocht werden vorkheftrucks, (al dan niet uitgeholde en met lood beklede) accu’s of jumpstarters/acculaders, verpakkingsdozen van accu’s of van jumpstarters/ acculaders, verpakkingsfolie en bonnen van koffers of tassen aangetroffen. Uit de voor het bewijs gebezigde transportbrieven blijkt dat een paar dagen na aankomst van een lading met auto-onderdelen bij een loods in [land 1] , een overeenkomstige lading met auto-onderdelen vanuit diezelfde loods weer terug naar Nederland werd getransporteerd. De eigenaar van de loods in [plaats 13] verklaarde daarover dat hij had gezien dat een bepaalde doos met een scheur erin naar [land 1] werd getransporteerd en dat diezelfde doos met scheur een week later weer in de loods in [plaats 13] stond. Het hof concludeert op grond van al het voorgaande dat (letterlijk) dezelfde accu’s of jumpstarters/acculaders – nadat de pakketten met verdovende middelen er in [land 1] waren uitgehaald – weer terug naar Nederland werden getransporteerd, zodat ze konden worden hergebruikt voor het volgende transport. Het hof heeft in het dossier in geen enkel geval een andere, logische en legale verklaring kunnen vinden voor het heen en weer transporteren van auto-onderdelen. Uit niets is bijvoorbeeld gebleken dat de accu’s of acculaders/jumpstarters in [land 1] werden verkocht. Uit de bewijsmiddelen is wél gebleken dat de verzendende en ontvangende bedrijven in veel gevallen kort voor de start van een reeks transporten waren opgericht of op naam waren gezet en geen inkomsten genereerden, maar wel met contant (gestort) geld voor transporten of daaraan gerelateerde zaken betaalden. Ook werden transporten uitgevoerd tussen bedrijven die op naam stonden van één en dezelfde persoon. [medeverdachte 4] sprak voor de start van een nieuwe transportlijn in PGP-berichten bovendien over het betalen van katvangers en het op naam zetten van bedrijven bij de Kamer van Koophandel. Conclusie Het hof is op grond van het samenstel van de in deze paragraaf besproken feiten en omstandigheden van oordeel dat geen andere conclusie mogelijk is dan dat in nagenoeg alle ladingen (mogelijke proeftransporten daargelaten) die vanuit de loodsen in [plaats 13] , [plaats 15] en [plaats 3] naar de loodsen in [land 1] werden getransporteerd, cocaïne en heroïne waren verstopt. Het hof kan niet vaststellen om welke hoeveelheden harddrugs het precies ging. Gelet op de hoeveelheid onderschepte drugs, het aantal transporten dat is uitgevoerd, de hiervoor genoemde modus operandi, de aantallen die in de PGP-berichten werden genoemd (‘transporten van 100 en 40’) en de periode waarin de transporten hebben plaatsgevonden, stelt het hof vast dat het in totaal om minstens 2.500 kilo moet zijn gegaan. De rol van verdachte bij de drugstransporten Onder feit 3 is primair tenlastegelegd dat verdachte, samen met anderen, grote hoeveelheden cocaïne en heroïne buiten het grondgebied van Nederland (naar [land 1] ) heeft gebracht en/of heeft verstrekt, afgeleverd, vervoerd en verkocht. Subsidiair is tenlastegelegd dat hij daaraan medeplichtig was. Standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft betoogd dat verdachte zowel van het onder feit 3 primair als het onder feit 3 subsidiair tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken, omdat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte op enige wijze bij de drugstransporten betrokken is geweest. Daartoe heeft de raadsvrouw onder meer naar voren gebracht dat niet kan worden vastgesteld dat de op 8 oktober 2018 in de loods van verdachte in [plaats 7] aangetroffen vacumeermachines ten tijde van de drugstransporten van [plaats 15] naar [plaats 8] , [plaats 16] en [plaats 19] al in de loods van verdachte stonden, laat staan dat de machines daar destijds zijn gebruikt om drugs te vacumeren. Juridisch kader In de maanden april tot en met oktober 2016 vonden dertien drugstransporten plaats vanuit de loods in [plaats 15] naar de loodsen in [plaats 8] , [plaats 19] en [plaats 16] . Om tot een bewezenverklaring van het onder feit 3 primair of 3 subsidiair tenlastegelegde te komen, dient de vraag te worden beantwoord of verdachte bij deze drugstransporten betrokken is geweest en zo ja, of die betrokkenheid zodanig is geweest dat verdachte daarvan in het kader van medeplegen of medeplichtigheid een verwijt kan worden gemaakt. Van medeplegen is sprake indien verdachte ten aanzien van het ten laste gelegde feit nauw en bewust met een ander of anderen heeft samengewerkt én dat de bijdrage van verdachte aan het ten laste gelegde van voldoende gewicht was. Van medeplichtigheid is sprake indien verdachte het onder feit 3 ten laste gelegde misdrijf heeft bevorderd en/of vergemakkelijkt door behulpzaam te zijn bij het plegen daarvan of door opzettelijk gelegenheid, middelen of inlichtingen te verschaffen tot het plegen van het misdrijf. Daarbij is vereist dat niet alleen wordt bewezen dat verdachtes opzet was gericht op het bevorderen en/of vergemakkelijken van een door een ander begaan misdrijf, maar ook dat verdachtes opzet, al dan niet in voorwaardelijke vorm, op dit misdrijf was gericht. Beoordeling van het ten laste gelegde Het hof stelt voorop dat uit de in paragraaf .3.2.1 omschreven feiten en omstandigheden, in onderling verband bezien, kan worden afgeleid dat medeverdachten [medeverdachte 4] en [medeverdachte 1] als medeplegers van alle in de verschillende zaaksdossiers omschreven drugstransporten kunnen worden aangemerkt. Het hof leidt uit die feiten en omstandigheden daarnaast af dat alle (in opdracht van [medeverdachte 4] ) te transporteren heroïne en cocaïne vacuüm werden verpakt en met stickers werden gemarkeerd. In de loods van verdachte in [plaats 7] zijn in november 2018 twee vacumeermachines in beslag genomen. Het hof komt – anders dan de raadsvrouw – tot de conclusie dat deze vacumeermachines ten tijde van de drugstransporten die worden omschreven in het zaaksdossier [plaats 8] , te weten in de periode april tot en met oktober 2016, al in de loods van verdachte stonden. Daartoe overweegt het hof als volgt. Verdachte heeft op 9 november 2020 ter terechtzitting van de rechtbank verklaard dat de vacumeermachine er al drie jaren stond Het hof begrijpt die verklaring van verdachte, tegen de achtergrond van de door de rechter gestelde vraag, zo dat de vacumeermachines op het moment van de inbeslagname in november 2018 er al drie jaren stonden. De vacumeermachines hebben ná 8 oktober 2018 immers niet meer in de loods van verdachte gestaan. Tijdens het politieverhoor op 16 januari 2024 heeft verdachte een vergelijkbare verklaring afgelegd als zijn verklaring op 9 november 2020. Verdachte verklaarde op 16 januari 2024 dat de machines een poos in zijn loods hebben gestaan en dat hij de in zijn loods en woning aangetroffen wapens en geld pas jaren later – op 3 oktober 2018 – voor een vriend in bewaring had genomen. Het hof acht de door verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] op 22 januari 2024 ter terechtzitting afgelegde verklaringen dat de vacumeermachines waarschijnlijk ergens in 2018 in de loods van verdachte zijn gezet dan ook onaannemelijk. Daarbij weegt het hof mee dat deze verklaringen pas in een laat stadium, te weten eerst ter terechtzitting in hoger beroep, zijn afgelegd. Bovendien verklaarde verdachte – nadat hij ter terechtzitting van 22 januari 2024 had verklaard dat de vacumeermachines ergens in 2018 waren gebracht – wederom dat de vacumeermachines veel langer in de loods stonden dan de wapens en het geld. Gelet op het voorgaande gaat het hof uit van de eerste door verdachte afgelegde verklaring met betrekking tot het stallen van de vacumeermachines en komt tot de conclusie dat deze al sinds november 2015 in de loods van verdachte stonden. Het hof ziet zich vervolgens gesteld voor de vraag of de vacumeermachines in de loods van verdachte zijn gebruikt voor het vacumeren van drugs. Het hof beantwoordt die vraag bevestigend en overweegt daartoe als volgt. Uit hiervoor al genoemd onderzoek blijkt dat een deel van de op 12 oktober 2016 in [land 1] onderschepte cocaïne en heroïne vacuüm was verpakt met één van de in de loods van verdachte aangetroffen vacumeermachines. Zoals reeds overwogen gaat het hof ervan uit dat de vacumeermachines al sinds november 2015 in de loods van verdachte stonden. De op 12 oktober 2016 onderschepte harddrugs moeten dan ook zijn geseald in de loods van verdachte. Bovendien werden in de loods van verdachte 1.191 vacuümzakken in beslag genomen. Op één van die zakken zat een rond stickertje, dat gelijksoortig is aan de stickertjes die op een deel van de op 12 oktober 2016 onderschepte pakketjes cocaïne en heroïne waren geplakt. Dit schreeuwt om een plausibele, min of meer verifieerbare verklaring van verdachte. Nu verdachte die verklaring niet heeft gegeven, kan het niet anders zijn dan dat de in de loods van verdachte aangetroffen vacumeermachines in 2016 zijn gebruikt voor het vacumeren van harddrugs ten behoeve van de in het dossier [plaats 8] omschreven transporten. Het hof schuift de verklaringen van verdachte en medeverdachten [medeverdachte 4] en [medeverdachte 1] dat in de loods van verdachte nooit drugs zijn geseald dan ook als onaannemelijk terzijde. Gelet op het voorgaande komt het hof tot de conclusie dat verdachte – door zijn loods aan [medeverdachte 4] en [medeverdachte 1] ter beschikking te stellen voor het stallen van vacumeermachines die werden gebruikt voor het vacumeren van drugs – een bijdrage heeft geleverd aan de drugstransporten vanuit [plaats 15] naar [plaats 8] , [plaats 16] en [plaats 19] . Die bijdrage is echter niet van zodanig gewicht geweest dat hem in het kader van medeplegen een verwijt kan worden gemaakt. Het hof zal verdachte daarom van het onder 3 primair tenlastegelegde vrijspreken. Het hof acht wél bewezen dat verdachte de door (onder meer) medeverdachte [medeverdachte 4] en [medeverdachte 1] gepleegde drugstransporten vanuit [plaats 15] naar [plaats 8] , [plaats 16] en [plaats 19] heeft vergemakkelijkt, door hen daartoe de gelegenheid en middelen te verschaffen. Verdachte heeft zoals gezegd zijn loods aan hen ter beschikking gesteld ten behoeve van het stallen van vacumeermachines die werden gebruikt voor het vacumeren van harddrugs. Dat verdachte wist waarvoor de in zijn loods opgeslagen vacumeermachines dienden, blijkt naar het oordeel van het hof onder meer uit het in de bewijsbijlage opgenomen PGP-bericht van 12 november 2015 waarin verdachte aan [medeverdachte 4] vraagt: ‘Maat kunnen we hase leveren in [land 1] om te beginnen 5 kilo’. Uit dit bericht leidt het hof af dat verdachte op de hoogte was van de drugslijnen van [medeverdachte 4] naar [land 1] . Daarnaast acht het hof de verklaring van verdachte dat hij dacht dat [medeverdachte 4] zich bezighield met het transporteren van softdrugs gelet op de inhoud van dit PGP-bericht onaannemelijk. Verdachte vroeg [medeverdachte 4] immers niet om méér ‘hase’ [het hof begrijpt: wiet] te leveren, maar óf ze ‘hase’ konden leveren, ‘om te beginnen vijf kilo’. Daarnaast vroeg verdachte in de ‘we’-vorm, in de zin van gezamenlijk, aan [medeverdachte 4] of ook 'hase’ kan worden geleverd in [land 1] . Dat verdachte ervan op de hoogte was dat [medeverdachte 4] zich bezighield met het transporteren van harddrugs volgt naar het oordeel van het hof bovendien uit het in de bewijsbijlage opgenomen PGP-bericht van 23 januari 2016 waarin [medeverdachte 4] tegen verdachte zegt: ‘Nou ik moet eve wat afronde met een klant met vieze (…)’. Zoals reeds overwogen in paragraaf 7.3.1 wordt met ‘vieze’ heroïne bedoeld. Het hof acht het volstrekt onaannemelijk dat [medeverdachte 4] , mede bezig met harddrugstransporten, deze term gebruikt naar een willekeurig persoon, in dit geval verdachte, die niet op de hoogte is van de betekenis van genoemde term voor heroïne en de aard van de daarmee samenhangende transporten naar onder meer [land 1] . Het hof komt dan ook tot de conclusie dat verdachte ten tijde van het stallen van de vacumeermachines in zijn loods wist dat [medeverdachte 4] zich ook bezighield met het transporteren van harddrugs. Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat verdachtes opzet niet alleen was gericht op het vergemakkelijken van de door [medeverdachte 4] , [medeverdachte 1] en anderen begane drugstransporten, maar ook dat verdachtes opzet op deze transporten was gericht. Het hof acht daarom bewezen dat verdachte medeplichtig is geweest aan het onder 3 tenlastegelegde. Conclusie Het hof acht op grond van al het voorgaande wettig en overtuigend bewezen dat (onder meer) medeverdachten [medeverdachte 4] en [medeverdachte 1] grote hoeveelheden cocaïne en/of heroïne buiten het grondgebied van Nederland naar [land 1] hebben gebracht en hebben vervoerd en dat verdachte in de periode van 1 november 2015 tot en met 13 oktober 2016 medeplichtig is geweest aan/tot de drugstransporten zoals omschreven in zaaksdossier [plaats 8] . Gelet op wat hiervoor is overwogen over de hoeveelheden harddrugs die vanuit Nederland naar [land 1] werden vervoerd, en dan met name de aantallen die in de PGP-berichten werden genoemd (‘transporten van 100 en 40’) moet het ten aanzien van de transporten van [plaats 15] naar [plaats 8] , [plaats 16] en [plaats 19] om minstens 955 kilo cocaïne en/of heroïne zijn gegaan. Partiële vrijspraak Het hof is van oordeel dat niet kan worden bewezen dat verdachte zich in de periodes van 1 januari 2013 tot en met 31 oktober 2015 en 14 oktober 2016 tot en met 8 oktober 2018 elders of op andere wijze schuldig heeft gemaakt aan het onder feit 3 subsidiair tenlastegelegde. Het hof zal verdachte daarom vrijspreken van die gedeeltes van de ten laste gelegde periode. 7.3.3.3 Feit 1: de criminele organisatie Onder feit 1 (deel
- a)is ten laste gelegd dat verdachte heeft deelgenomen aan een criminele organisatie die als oogmerk had het plegen van misdrijven als bedoeld in de Opiumwet. Daarnaast (deel
- b)is ten laste gelegd dat verdachte heeft deelgenomen aan een criminele organisatie met als oogmerk het plegen van misdrijven als (het voorbereiden van) moord, het voorhanden hebben van wapens en munitie, witwassen van geld uit de drugshandel, diefstal en opzetheling. Juridisch kader Deelname aan een criminele organisatie is strafbaar gesteld in artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) en in artikel 11b van de Opiumwet. Een organisatie in de zin van voormelde artikelen is een samenwerkingsverband tussen twee of meer personen met een zekere duurzaamheid en structuur. Niet vereist is dat verdachte heeft samengewerkt of bekend was met alle deelnemers aan de organisatie. Het oogmerk van deze organisatie moet gericht zijn op het plegen van misdrijven. Voor een bewezenverklaring is voldoende dat het plegen van misdrijven door de organisatie wordt beoogd. Dat betekent dat nog geen aanvang hoeft te zijn gemaakt met het daadwerkelijke plegen daarvan. Om van deelneming te kunnen spreken is vereist dat verdachte tot het samenwerkingsverband behoorde en dat hij een aandeel had in – of ondersteuning gaf aan – gedragingen die strekten tot of rechtstreeks verband hielden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie. In het bestanddeel deelneming aan een organisatie ligt tevens het opzet van verdachte besloten. Verdachte moet dus opzettelijk hebben deelgenomen aan een organisatie die het plegen van misdrijven tot oogmerk had. Dat betekent dat hij in zijn algemeenheid moet hebben geweten dat de organisatie het plegen van misdrijven beoogde. Niet vereist is dat het opzet van verdachte zelf was gericht op het plegen van misdrijven of dat hij heeft deelgenomen aan (reeds binnen de organisatie gepleegde) misdrijven. Voor een bewezenverklaring is evenmin vereist dat verdachte heeft geweten van alle soorten misdrijven waarop het oogmerk van de organisatie was gericht. Naar het oordeel van het hof kan op grond van de bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang bezien, worden vastgesteld dat verdachte, [medeverdachte 4] . [medeverdachte 1] , [medeverdachte 6] en [medeverdachte 2] deel uitmaakten van een samenwerkingsverband met een zekere duurzaamheid en structuur. Uit de duur en inhoud van de contacten van medeverdachten [medeverdachte 4] en [medeverdachte 1] met elkaar en met anderen over de organisatie en werkzaamheden met betrekking tot de drugstransporten naar [land 1] , leidt het hof af dat sprake was van een duurzaam samenwerkingsverband. Dat dit samenwerkingsverband naast duurzaamheid ook een zekere structuur kende, blijkt onder meer uit de georganiseerde manier waarop transportlijnen werden opgezet en uit de onderlinge rolverdeling. Zo werden voor de start van een transportlijn bedrijven op naam van (in sommige gevallen) katvangers gezet en werden loodsen gehuurd. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat [medeverdachte 4] het binnen het samenwerkingsverband voor het zeggen had. [medeverdachte 4] had een leidinggevende rol, [medeverdachte 1] had een coördinerende en uitvoerende rol met betrekking tot de drugstransporten en [medeverdachte 2] , [medeverdachte 6] en verdachte hadden uitvoerende en/of faciliterende rollen binnen de organisatie. Het oogmerk van de organisatie Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat het oogmerk van de organisatie was gericht op zowel het plegen van misdrijven als bedoeld in de Opiumwet als op het plegen van andere misdrijven, waaronder het voorhanden hebben van wapens en munitie, moord, opzetheling en het witwassen van het met de drugshandel verdiende geld. Daartoe overweegt het hof als volgt. Het plegen van misdrijven als bedoeld in de Opiumwet en de wet Wapens en Munitie Uit de bewijsmiddelen en voorgaande overwegingen blijkt dat het onder 3 subsidiair bewezen verklaarde feit is gepleegd in georganiseerd verband. Dat het oogmerk van de organisatie was gericht op het plegen van delicten als bedoeld in artikel 10, vierde en vijfde lid, van de Opiumwet, kan naar het oordeel van het hof dan ook worden afgeleid uit wat reeds in paragraaf 7.3.2.1 is overwogen. Uit het in die paragraaf overwogene blijkt ook dat de drugstransporten van de organisatie plaatsvonden in de periode van 1 januari 2014 (zaaksdossier [plaats 1] ) tot en met 12 oktober 2016 (zaaksdossier [plaats 8] ). Hoewel het procesdossier onvoldoende bewijs bevat voor concrete drugstransporten na 12 oktober 2016, kan naar het oordeel van het hof zonder meer worden geconcludeerd dat het oogmerk van de organisatie ook na die datum nog was gericht op het plegen van misdrijven als bedoeld in de Opiumwet. Zo is op 8 oktober 2018 in de [auto 1] waarvan [medeverdachte 4] en [medeverdachte 1] gebruik maakten een soortgelijke jumpstarter aangetroffen als de jumpstarters waarin de verdovende middelen in 2015 in [land 1] waren verstopt (zaaksdossier [plaats 2] ). Diezelfde dag werden in de (gestolen) [auto 2] waarvan [medeverdachte 4] gebruik maakte, kartonnen dozen aangetroffen die vergelijkbaar waren met de dozen waarin de jumpstarters in 2015 in [land 1] werden vervoerd. Het hof wijst daarnaast op het volgende. Uit verschillende in de bewijsbijlage opgenomen PGP-berichten uit 2015 en 2016 blijkt dat [medeverdachte 4] met [medeverdachte 1] , verdachte en anderen niet alleen sprak over het transporteren van drugs, maar ook over wapens. Eén van die wapens, een machinegeweer, is in november 2018 aangetroffen in een garagebox aan de [adres 5] in [plaats 20] . [medeverdachte 4] had dit wapen naar het oordeel van het hof voorhanden. [medeverdachte 4] had, samen met in ieder geval [medeverdachte 1] , ook een aanzienlijk aantal vuurwapens, handgranaten en munitie voorhanden in een garagebox aan de [adres 4] in [plaats 20] en met [medeverdachte 1] en verdachte vuurwapens en munitie in de loods van verdachte in [plaats 7] . Het is een feit van algemene bekendheid dat de grootschalige, internationale handel in harddrugs doorgaans gepaard gaat met geweld en liquidaties, uitgevoerd met wapens zoals aangetroffen in de genoemde garageboxen en loods. Daar komt nog bij dat een groot deel van de wapenvoorraad van de organisatie, net als de door de organisatie getransporteerde drugs, vacuüm was verpakt. Naar het oordeel van het hof kan de wapenvoorraad van de organisatie dan ook in direct verband worden gebracht met de georganiseerde handel in drugs. Het hof concludeert op grond van al het voorgaande dat het oogmerk van de organisatie in de periode van 1 januari 2014 tot en met 8 oktober 2018 was gericht op het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 10, vierde en vijfde lid van de Opiumwet. Het hof is daarnaast van oordeel dat het oogmerk van de organisatie in diezelfde periode – in het kader van de internationale handel in drugs – ook was gericht op het voorhanden hebben van wapens en munitie. Het voorbereiden en/of plegen van moord en/of doodslag Uit PGP-berichten van [medeverdachte 4] leidt het hof af dat hij met [medeverdachte 1] en anderen sprak over het doden van concurrenten en/of mensen die hun (betalings)verplichtingen niet nakwamen. Zo stuurde hij in de periode van oktober 2015 tot en met mei 2016, de periode waarin de organisatie zich bezighield met de grootschalige, internationale handel in drugs – onder meer – de volgende berichten aan anderen: ‘Ja ze hebbe hem allemaal late zitte en nog probere te neuke die kk zwager zoiezo die kk pet ook wie daarvandaan komt maar let op wat ik ga doen ik moet eve me kop erbij houde en me zaakjes op droge zette dan gaat er oorlog plaats vinde bij ons ik leg ze allemaal plat in een maand tijd ga alles in kaart brenge en dan achter elkaar boem boem afgelopen met ze! (...)‘ ‘(...) heb idee dat [persoon 15] gewoon vanaf begin liever niet wilt opnaam hebben! Maar luister dan heeft die mij aan lijntje gehouide en heeft die een probleem! (...) Maar ik garandeer je bro als die me laat stikke ik hem opknap! En je weet ik dreig niet bro ik doe het!’ ‘Ja dat weet ik al een tijdje en papa was ton direct erheen gegaan en had hem de kans gegeven of in een kogel regen te sterve of betale toen had ik met 2dagen me geld vriend.’ Verder voerde [medeverdachte 4] op 17 april 2016, de dag waarop [persoon 5] in [plaats 21] is geliquideerd, kort na die liquidatie de volgende gesprekken: Onbekende: ‘Alles goed tijger? Hoorde knalpartij in [plaats 21] . Geen bekenden toch?’ [medeverdachte 4] : ‘Weet al wie het is ouw haha niet van ons.’ [medeverdachte 16] : ‘Wat is er [plaats 21] gebeurt sir?’ [medeverdachte 4] : ‘Ja ik weet niet heli cirkelt hele tijd maar nog niks over gehoort 1tje gewond AT is er ook! Wij zijn het niet hahahah en u ook niet anders vraagt u niet hahah.’ Dat in voorgaande berichten daadwerkelijk en serieus werd gesproken over het vermoorden (liquideren) van mensen, blijkt naar het oordeel van het hof uit het volgende. Op grond van de bewijsmiddelen kan worden vastgesteld dat de organisatie waaraan [medeverdachte 4] leiding gaf gebruik maakte van garageboxen waarin (a.) gestolen (snelle) auto’s met gestolen kentekenplaten stonden die bij het plegen van strafbare feiten niet meteen te traceren waren, en (b.) een aanzienlijke voorraad vuurwapens, munitie en handgranaten is aangetroffen. Daarnaast kan uit PGP-berichten van [medeverdachte 4] worden afgeleid dat de organisatie gebruik maakte van trackers waarmee auto’s van anderen konden worden gevolgd. De combinatie van de PGP-berichten van [medeverdachte 4] , zijn rol in de organisatie en de in de garageboxen en loods aangetroffen voorraad wapens, munitie, handgranaten en auto ( [auto 3] ), brengt het hof tot het oordeel dat het niet anders kan dan dat de organisatie het oogmerk had om liquidaties te (kunnen) plegen. Het ten laste gelegde oogmerk op het voorbereiden van liquidaties komt het hof net als de rechtbank onlogisch voor. Voorbereiding (artikel 46 Sr) komt na artikel 45 Sr (poging) en is in het leven geroepen om niet gerealiseerde misdrijven, die om andere redenen dan een vrijwillige terugtred, nog niet tot een begin van een uitvoering zijn gekomen, toch strafbaar te kunnen stellen. Het is moeilijk voorstelbaar dat het oogmerk van een criminele organisatie is gericht op onvoltooide misdrijven. Opzetheling In de garagebox aan de [adres 4] in [plaats 20] is – zoals hiervoor al kort aangestipt – ook een gestolen auto ( [auto 3] ) aangetroffen. Naar het oordeel van het hof kan uit de bewijsmiddelen worden afgeleid dat medeverdachte [medeverdachte 1] deze auto – in het kader van zijn werkzaamheden voor de organisatie – heeft geheeld. Op die auto zaten gestolen kentekenplaten en op een kluis in de garagebox lagen nog meer gestolen kentekenplaten. Bij de loods in [plaats 5] en [plaats 6] is een gestolen auto ( [auto 2] ) aangetroffen waarvan [medeverdachte 4] gebruikmaakte en die naar het oordeel van het hof door [medeverdachte 4] is geheeld. Op die auto zaten kentekenplaten die jaren geleden zijn gestolen. De kentekenplaten op de gestolen auto in de garagebox in [plaats 20] bleken van diezelfde diefstal afkomstig. Verder zijn in de woning van [medeverdachte 1] ook gestolen kentekenplaten aangetroffen. Het hof concludeert op grond van het voorgaande, in onderling verband bezien met de misdrijven die door de organisatie werden beoogd en zijn gepleegd, dat het oogmerk van de organisatie ook was gericht op het (opzettelijk) helen van auto’s en kentekenplaten, zodat leden van de organisatie bij het plegen van strafbare feiten niet direct te traceren waren. Het witwassen van het met de handel in drugs verdiende geld Uit de in bijlage II opgenomen bewijsmiddelen blijkt dat de criminele organisatie geld (‘pap’) verdiende met de internationale handel in drugs. Zo werd in PGP-berichten veelvuldig gesproken over de prijzen van de in opdracht van [medeverdachte 4] georganiseerde transporten en de prijzen van de te transporteren (en in [land 1] te verkopen) harddrugs zelf. Dat met de handel aanzienlijke geldbedragen werden verdiend, kan onder meer worden afgeleid uit een gesprek van [medeverdachte 4] met een vast contact van hem en [medeverdachte 1] in april 2016. [medeverdachte 4] besprak met diegene wat ze overhielden na aftrek van de kosten van het drugstransport, waarop [medeverdachte 4] schreef: ‘Ik doe het nog voor de kids, voor mezelf ben ik al lang klaar’. Typerend zijn ook de in de bewijsbijlage opgenomen gesprekken tussen [medeverdachte 4] en [medeverdachte 7] in 2015 waarin onder meer het volgende werd gezegd: [medeverdachte 4] : ‘(...) als klant ok vind is het goed haha ik hoef het gelukkig niet op te snuive die kk zooi.’ [medeverdachte 7] : ‘Klopt klant is koning nee weg met die rotzooi is om centen te maken niet om junk te worden (...)’ [medeverdachte 7] : ‘Ik heb 3000 euro gezegd voor [bijnaam] (...) is 16000 met zn 2 en lekker verdient toch?’ [medeverdachte 4] : ‘(...) Kijk bro we verdiene (...) aan transport.’ Om in de onderhavige zaak tot een bewezenverklaring van voormeld oogmerk te komen, is ingevolge artikel 420bis, eerste lid, onder b, Sr niet alleen vereist dat het wit te wassen geld afkomstig was uit eigen misdrijf, maar ook dat de criminele organisatie beoogde dat geld te verwerven, gebruiken, voorhanden te hebben of om te zetten. Met het omzetten van het geld wordt het wisselen van geld met een andere geldswaarde of met handelsartikelen bedoeld. Van gebruikmaken in de zin van artikel 420bis, eerste lid, onder b Sr is sprake als het geld wordt aangewend ten behoeve van de witwasser zelf of van derden. Uit de bewijsmiddelen kan naar het oordeel van het hof worden afgeleid dat de criminele organisatie het met de handel in harddrugs verdiende geld heeft omgezet en gebruikt. Zo werden op de bankrekeningen van de bedrijven [bedrijf 2] en [bedrijf 7] – bedrijven die door de criminele organisatie werden gebruikt voor het uitvoeren van een aantal van de onder 1 bewezen verklaarde drugstransporten – aanzienlijke contante geldbedragen gestort. Daarnaast ontving medeverdachte [medeverdachte 2] tijdens zijn verblijf In [land 1] met regelmaat contante geldbedragen ten behoeve van zijn werkzaamheden voor de organisatie. Nu het hof in het dossier geen enkele logische en legale verklaring heeft kunnen vinden voor de herkomst van deze contante geldbedragen en hierover in het geheel geen verklaringen zijn afgelegd door verdachte en zijn medeverdachten, kan het naar het oordeel van het hof niet anders dan dat deze bedragen afkomstig zijn van de handel in drugs. De criminele organisatie heeft deze contante geldbedragen witgewassen door ze op de rekeningen van voormelde bedrijven te storten en vervolgens – ten behoeve van de organisatie zelf – te gebruiken voor het (giraal) betalen van (a.) de huur van de loodsen in Nederland en [land 1] , (b.) rekeningen van transportbedrijven en (c.) rekeningen van een stickerwinkel en een bedrijf in [land 4] dat handelt in accu’s en batterijen. Medeverdachte [medeverdachte 2] heeft de door hem ontvangen contante geldbedragen witgewassen door er bijvoorbeeld zijn verblijf in het [taal 1] hostel van te betalen. [medeverdachte 2] verbleef in dat hostel in het kader van zijn werkzaamheden voor de criminele Organisatie. Gelet op het voorgaande acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat het oogmerk van de criminele organisatie ook was gericht op het witwassen van het met de drugshandel verdiende geld (als bedoeld in artikel 420bis Sr). Over het in de woning van verdachte aangetroffen geldbedrag van €100.000,- overweegt het hof nog dat het niet anders kan zijn dan dat (mede gezien de hoogte van het bedrag) het in de woning van verdachte aangetroffen geldbedrag ook afkomstig is van de handel in drugs. Het enkele verstoppen van dit geldbedrag door verdachte op zijn zolder levert nog geen witwassen op in de zin van artikel 420bis Sr, maar voor een bewezenverklaring van het oogmerk van de criminele organisatie is voldoende dat het witwassen van dat geldbedrag door de organisatie werd beoogd. Dat dit laatste het geval is, acht het hof bewezen omdat de organisatie in het kader van de drugshandel de organisatie van de transporten (deels) financierde met contant geld dat – zoals mag worden aangenomen – afkomstig was uit de opbrengsten van eerdere transporten. Tussenconclusie over het oogmerk van de organisatie Gelet op al het voorgaande acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat het oogmerk van de organisatie in de periode van 1 januari 2014 tot 8 oktober 2018 was gericht op het plegen van misdrijven als bedoeld in de Opiumwet én op het plegen van moorden, het voorhanden hebben van wapens en munitie, opzetheling en witwassen. De rol van verdachte De raadsvrouw heeft betoogd dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan. Daartoe heeft zij aangevoerd dat uit het dossier niet kan worden afgeleid dat verdachte tot de organisatie behoorde en evenmin dat verdachte opzet had op het deelnemen aan een organisatie die als oogmerk had het plegen van misdrijven. Volgens de raadsvrouw heeft verdachte met het voor medeverdachte [medeverdachte 4] in bewaring nemen van het geld en de wapens immers niet een criminele organisatie van dienst willen zijn, maar enkel een vriend in nood willen helpen die zijn persoonlijke vuurwapencollectie en geld voor zijn gezin ergens moest stallen. Verdachte had weliswaar vriendschappelijke contacten met medeverdachten [medeverdachte 4] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 6] , maar had via zijn PGP-telefoon enkel contact met [medeverdachte 4] . Hij kan dan ook hooguit als sympathisant worden aangemerkt, aldus de raadsvrouw. Daarnaast heeft de raadsvrouw ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde naar voren gebracht dat niet uit het dossier volgt dat de in de loods en woning van verdachte aangetroffen vacumeermachines, vuurwapens en geld bedoeld waren ter verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie. Het dossier bevat dan ook geen wettig en overtuigend bewijs dat verdachte aan de verwezenlijking van dat oogmerk een bijdrage heeft geleverd, aldus de raadsvrouw. Subsidiair heeft de raadsvrouw bepleit dat de deelname van verdachte aan de criminele organisatie beperkt is geweest tot de periode 3 oktober 2018 tot en met 8 oktober 2018, aangezien verdachte in die periode de in zijn loods en woning aangetroffen goederen voorhanden heeft gehad. Het hof overweegt ten aanzien van de rol van verdachte als volgt. Uit de bewijsmiddelen en de overwegingen ten aanzien van zowel het onder 2 als het onder 3 subsidiair tenlastegelegde, blijkt naar het oordeel van het hof dat verdachte samen met [medeverdachte 4] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 6] en één of meer anderen opzettelijk heeft deelgenomen aan de criminele organisatie. Dat uit de bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat verdachte met alle hiervoor genoemde personen contact heeft gehad doet daar niet aan af, nu voor een bewezenverklaring niet is vereist dat verdachte met alle deelnemers aan de organisatie heeft samengewerkt. Zowel verdachte als zijn medeverdachten hebben een aandeel gehad in (
- of)gedragingen ondersteund die rechtstreeks verband hielden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie. Het aandeel van verdachte bestond onder meer uit het onder de feiten 2 en 3 subsidiair bewezenverklaarde: verdachte heeft – door zijn loods ter beschikking te stellen voor het stallen van vacumeermachines die werden gebruikt voor het vacumeren van harddrugs – een bijdrage geleverd aan de uitvoer van cocaïne en heroïne en verdachte heeft – door vuurwapens en munitie in zijn loods te stallen – een bijdrage geleverd aan het oogmerk van de organisatie om wapens en munitie voorhanden te hebben. Daarnaast heeft verdachte met het in zijn woning bewaren van het contante geldbedrag ter hoogte van € 100.000,- gedragingen ondersteund die rechtstreeks verband hielden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie. Zoals reeds hiervoor is overwogen kan het – mede gelet op de hoogte van het bedrag – niet anders zijn dan dat het in de woning van verdachte aangetroffen geldbedrag ook afkomstig is van de handel in drugs en dat de criminele organisatie het witwassen van dat geld had beoogd. Verdachte heeft dan ook gedragingen ondersteund die rechtstreeks verband hielden met het witwassen van het met de handel in drugs verdiende geld. Uit wat hierover in de vorige paragrafen is overwogen, blijkt zonder meer dat verdachte ervan op de hoogte was dat het plegen van misdrijven het oogmerk van de organisatie was. Dat verdachte niet bij alle misdrijven van de organisatie betrokken was en – wellicht – niet wist welke (soort) misdrijven allemaal onder het oogmerk van de organisatie vielen, maakt het voorgaande niet anders. Het gaat er immers niet om dat het opzet van verdachte zelf was gericht op het plegen van misdrijven of dat hij heeft deelgenomen aan (reeds binnen de organisatie gepleegde) misdrijven, maar of uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat hij opzettelijk heeft deelgenomen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven. Conclusie Op grond van al het voorgaande acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte in de periode van 1 november 2015 tot en met 8 oktober 2018 met [medeverdachte 4] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 6] en [medeverdachte 2] heeft deelgenomen aan een criminele organisatie met als oogmerk het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 10, vierde en vijfde lid, van de Opiumwet en aan een criminele organisatie die gericht was op het plegen van moorden, het voorhanden hebben van wapens en munitie, het plegen van opzetheling en het witwassen van geld dat afkomstig was uit de handel in drugs. Partiële vrijspraak Het hof is van oordeel dat niet kan worden bewezen dat verdachte heeft deelgenomen aan een organisatie die als oogmerk had het voorbereiden van moorden en het plegen van diefstallen. Het procesdossier bevat hiervoor onvoldoende wettig en overtuigend bewijs. Het hof acht om diezelfde reden niet bewezen dat de organisatie was gericht op het transporteren van softdrugs. Dat verdachte met de medeverdachten [medeverdachte 3] en [medeverdachte 5] heeft deelgenomen aan de organisatie kan evenmin uit de bewijsmiddelen worden afgeleid. Het hof zal verdachte daarom vrijspreken van deze onderdelen van het onder feit 1 ten laste gelegde. Dat geldt ook voor een deel van de onder feit 1 ten laste gelegde periode, nu het hof niet bewezen acht dat verdachte van 1 januari 2013 tot en met 31 oktober 2015 heeft deelgenomen aan een criminele organisatie. 8Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1, 2 primair en 3 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat: 1. hij in of omstreeks de periode van 1 november 2015 tot en met 8 oktober 2018 te [plaats 4] en/of [plaats 5] in [plaats 6] en/of [plaats 7] en/of elders in Nederland en/of in [land 1], heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, te weten [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 4] en/of [medeverdachte 5] en/of [medeverdachte 6] en/of een of meer anderen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van één of meer misdrijven als bedoeld in artikel 10 derde, vierde en vijfde lid, 10a eerste lid, 11 derde, vijfde lid en/of 11a van de Opiumwet; en/of hij in of omstreeks de periode van 1 november 2015 tot en met 8 oktober 2018 te [plaats 4] en/of [plaats 5] en [plaats 6] en/of [plaats 7] en/of elders in Nederland en/of in [land 1], heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, te weten [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 4] en/of [medeverdachte 5] en/of [medeverdachte 6] en/of een of meer anderen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van één of meer misdrijven, te weten (onder meer): het opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade een ander van het leven te beroven (zoals bedoeld in de artikelen 287 en 289 Wetboek van Strafrecht) en/of de voorbereiding daarvan (zoals bedoeld in artikel 46 Wetboek van Strafrecht) door het opzettelijk voorwerpen en/of stoffen en/of informatiedragers en/of ruimten en/of vervoermiddelen, bestemd tot het begaan van dat/die misdrijf/misdrijven, verwerven en/of vervaardigen en/of voorhanden te hebben en/of het voorhanden hebben van één of meer wapens en/of van munitie van de categorieën II en/of III (zoals bedoeld in artikel 26 Wet Wapens en Munitie) en/of het witwassen van vermogensbestanddelen afkomstig van de handel in drugs (zoals bedoeld in artikel 420bis Wetboek van Strafrecht) en/of diefstal (als bedoeld in artikel 310 en 311 Wetboek van Strafrecht) en/of opzetheling (als bedoeld in artikel 416 Wetboek van Strafrecht); 2.primair hij op of omstreeks 8 oktober 2018 te [plaats 7] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, één of meerdere
(4)wapen(s) (pistolen) van categorie III (al dan niet met verwijderde en/of ontbrekende wapennummers) te weten: één of meerdere
(2)vuurwapen(
- s)[merk 1] 9mm en/of een vuurwapen [merk 2] , 9mm en/of een vuurwapen [merk 3] , 9 mm en/of één of meerdere stuk(
- s)munitie
(743)van categorie II en/of III voorhanden heeft gehad; 3.subsidiair [medeverdachte 4] en/of [medeverdachte 1] en/of een of meer anderen op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2014 tot en met 13 oktober 2016 in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (meermalen) opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland – te weten naar [land 1] – heeft/hebben gebracht en/of heeft/hebben verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, althans opzettelijk aanwezig heeft/hebben gehad, (telkens) één of meerdere grote hoeveelhe(i)d(
- en)van een materiaal bevattende cocaïne en/of heroïne, zijnde cocaïne en/of heroïne zijnde (een) middel(
- en)vermeld op de bij die wet behorende lijst 1, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet tot en/of bij het plegen van welk(
- e)misdrijf/misdrijven verdachte op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 november 2015 tot en met 13 oktober 2016 te [plaats 7] , in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal (telkens) opzettelijk gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest, door - een loods (aan de [adres 1] te [plaats 7] ) ter beschikking te stellen en/of - twee vacumeermachines ter beschikking te stellen en/of - aanwijzingen en/of inlichtingen te geven (aan [medeverdachte 6] en/of anderen) ten behoeve van bovengenoemde transporten van verdovende middelen. Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken. 9Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Het onder 1 bewezenverklaarde levert op: deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 10, vierde en vijfde lid, van de Opiumwet en deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven; Het onder 2 primair bewezenverklaarde levert op: medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, meermalen gepleegd, en medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd; Het onder 3 subsidiair bewezenverklaarde levert op: medeplichtigheid aan/tot opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd, en medeplichtigheid aan/tot opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd. 10Strafbaarheid van de verdachte Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn. 11Oplegging van straf en/of maatregel Standpunt van de advocaten-generaal De advocaten-generaal hebben gevorderd verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren. Daarbij hebben zij rekening gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn en de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft verzocht verdachte een gevangenisstraf op te leggen waarvan de duur gelijk is aan het aantal dagen dat hij in voorarrest heeft gezeten, gecombineerd met een forse voorwaardelijke gevangenisstraf en een proeftijd van drie jaren. Daarnaast heeft de raadsvrouw naar voren gebracht dat de verdediging zich kan vinden in oplegging van een maximale taakstraf (240 uren). Hierbij heeft de raadsvrouw gewezen op de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waaronder de gezondheidssituatie van de vrouw van verdachte en het feit dat onderhavige strafzaak op zakelijk gebied grote gevolgen heeft gehad voor verdachte, en de overschrijding van de redelijke termijn. Oordeel van het hof Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en het hof heeft gelet op de persoon van de verdachte. Daarbij is in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan ernstige strafbare feiten. Hij heeft gedurende een langere periode deelgenomen aan een criminele organisatie die was gericht op – onder meer – de grootschalige, internationale handel in harddrugs. Verdachte is binnen die organisatie medeplichtig geweest aan de uitvoer van gezamenlijk (minstens) 955 kilo cocaïne en heroïne van Nederland naar [land 1] door zijn loods ter beschikking te stellen voor het vacumeren van harddrugs. Daarmee heeft verdachte de grootschalige, internationale handel in cocaïne en heroïne gefaciliteerd. De grootschalige, internationale handel in harddrugs leidt niet alleen tot een ontwrichting van het beleid dat in de betrokken landen wordt gevoerd om het drugsgebruik te reguleren, maar heeft bovenal een negatieve uitwerking op de reeds bestaande maatschappelijke problematiek die is verbonden aan de handel in en het gebruik van verdovende middelen. Drugsgebruik schaadt de volksgezondheid en wordt zowel direct als indirect in verband gebracht met vele vormen van criminaliteit en overlast. Verdachte is daar medeverantwoordelijk voor, maar heeft geen verantwoordelijkheid genomen voor zijn handelen. Achter de grootschalige, internationale handel in harddrugs gaat bovendien een wereld van georganiseerde criminaliteit schuil die steeds meer wordt gekenmerkt door ondermijning, intimidatie en geweld. Ook de criminele organisatie waaraan verdachte heeft deelgenomen had – onder meer – tot oogmerk het plegen van moord en het voorhanden hebben van wapens en munitie. Verdachte heeft een bijdrage geleverd aan de verwezenlijking van dit oogmerk door, samen met medeverdachte [medeverdachte 4] , vier wapens en een grote hoeveelheid munitie voorhanden te hebben. Het behoeft naar het oordeel van het hof geen betoog dat verdachte en de organisatie met het ongecontroleerde bezit van wapens en munitie onaanvaardbare risico’s voor de veiligheid van personen in het leven hebben geroepen. Verdachte kent die risico’s als wapenvergunninghouder maar al te goed en heeft er desondanks voor gekozen de wapens en munitie voor de organisatie in zijn loods te bewaren. Het hof rekent dit verdachte sterk aan. Bij het bepalen van de straf houdt het hof rekening met de rol die bij binnen de organisatie heeft vervuld. Verdachte had – anders dan zijn medeverdachten [medeverdachte 4] en [medeverdachte 1] – geen leidinggevende of coördinerende taken. Bij de bepaling van de strafmodaliteit heeft het hof tot uitgangspunt genomen de straffen die in soortgelijke zaken gewoonlijk worden opgelegd, zoals neergelegd in de door het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) vastgestelde oriëntatiepunten voor de straftoemeting. Hieruit volgt dat bij het uitvoeren van harddrugs in georganiseerd verband een langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf is geïndiceerd. Bij een hoeveelheid van meer dan twintig kilogram wordt in beginsel een gevangenisstraf opgelegd waarvan de duur zes jaren of meer bedraagt. Het hof ziet in dit specifieke geval echter aanleiding van dit uitgangspunt af te wijken. Daarbij overweegt het hof dat verdachte weliswaar een bijdrage heeft geleverd aan de drugstransporten, maar dat uit het dossier niet blijkt dat verdachte een bepalende stem heeft gehad in de organisatie. Het hof acht dan ook niet aannemelijk dat verdachte enige invloed had op het aantal kilo’s dat bij die transporten werd verscheept. Voorts heeft het hof gelet op het uittreksel uit de justitiële documentatie van 18 december 2023. Hieruit volgt dat verdachte niet eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld. Naar het oordeel van hof kan gelet op de ernst van het bewezenverklaarde niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die een onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich meebrengt. Het hof begrijpt dat, mede gelet op de gezondheidssituatie van zijn vrouw, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van lange duur verdachte zwaar zal vallen, maar ziet daarin – vanwege de ernst van de feiten – geen aanleiding om een deel daarvan voorwaardelijk op te leggen. Alles afwegende acht het hof een gevangenisstraf voor de duur van 62 maanden, met aftrek van het voorarrest, passend en geboden. Het hof is evenwel van oordeel dat de straf dient te worden gematigd vanwege het feit dat de behandeling van de zaak niet heeft plaatsgevonden binnen de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden. In eerste aanleg is de redelijke termijn met vijf maanden en 21 dagen overschreden, nu de redelijke termijn is aangevangen op 8 oktober 2018 en de rechtbank het vonnis heeft gewezen op 29 maart 2021. In hoger beroep is de redelijke termijn voorts met 11 maanden en 12 dagen overschreden. Immers is het hoger beroep ingesteld op 31 maart 2021 en wordt dit arrest gewezen op 13 maart 2024. Deze vertraging is mede te wijten aan de omvang en complexiteit van het dossier, de gelijktijdige berechting van de strafzaken tegen verdachtes medeverdachten en in het verlengde daarvan de (omvang van
- de)onderzoekswensen van de verdediging, maar het hof neemt daarbij in aanmerking dat een groot gedeelte van het dossier niet op het handelen van verdachte ziet, zodat verdachte van de omvang van het dossier geen nadeel dient te ondervinden. Gelet op het voorgaande zal het hof de overschrijding van de redelijke termijn in het voordeel van verdachte verdisconteren in de strafmaat en hem een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren, met aftrek van het voorarrest, opleggen. Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering, aan de orde is. De voorlopige hechtenis De voorlopige hechtenis van verdachte was van 30 augustus 2019 tot en met het vonnis van de rechtbank van 29 maart 2021 geschorst. Vervolgens is deze met ingang van 29 april 2021 opnieuw geschorst. Gelet op het feit dat de voorlopige hechtenis van verdachte reeds lange tijd geschorst is geweest, ziet het hof geen redenen de voorlopige hechtenis te laten voortduren. Het hof zal het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte daarom opheffen. Verdachte is daarmee in afwachting van de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf. 12Beslag Onder verdachte in beslag genomen goederen Op 8 oktober 2018 is een aantal goederen in de woning en de loods van verdachte in [plaats 7] in beslag genomen, waaronder: een vuurwapen van het merk [merk 1] (SIN: [nummer 1] en goednummer: [nummer 2] ); een vuurwapen van het merk [merk 1] (SIN: [nummer 3] en goednummer: [nummer 4] ); een vuurwapen van het merk [merk 3] (SIN: [nummer 5] en goednummer: [nummer 6] ); een vuurwapen van het merk [merk 2] (SIN: [nummer 7] en goednummer: [nummer 8] ); munitie (een patroon/patronen) van het merk [merk 5] (SIN: [nummer 9] en goednummer: [nummer 10] ). een contant geldbedrag van €100.000,- (goednummer: [nummer 11] ); een horloge van het merk [merk 6] (voorwerpnummer: [nummer 12] ); een horloge van het merk [merk 7] (voorwerpnummer: [nummer 13] ); een horloge van het merk [merk 8] (voorwerpnummer: [nummer 14] ); een horloge van het merk [merk 9] (voorwerpnummer [nummer 15] ); een horloge van het merk [merk 10] (voorwerpnummer [nummer 16] ); een horloge van het merk [merk 10] (voorwerpnummer [nummer 17] ); een horloge van het merk [merk 10] (voorwerpnummer [nummer 18] ). Standpunt van de advocaten-generaal De advocaten-generaal hebben gevorderd de vuurwapens en munitie te onttrekken aan het verkeer en het geldbedrag verbeurd te verklaren. Voorts hebben de advocaten-generaal zich niet verzet tegen de opheffing van het strafvorderlijk beslag op de horloges. De advocaten-generaal hebben evenwel naar voren gebracht dat op de horloges mogelijk conservatoir beslag rust. Standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft verzocht het beslag op de horloges op te heffen. Ten aanzien van de overige hierboven genoemde onder verdachte in beslag genomen goederen heeft de verdediging geen opmerkingen gemaakt. Oordeel van het hof Het hof zal de vuurwapens en munitie onttrekken aan het verkeer, nu het onder feit 2 bewezenverklaarde met betrekking tot deze goederen is begaan en deze zodanig van aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet. Voorts zal het hof het onder verdachte in beslag genomen en nog niet teruggeven geldbedrag ter hoogte van € 100.000,- verbeurd verklaren. Zoals reeds overwogen kan het naar het oordeel van het hof niet anders dan dat dit geldbedrag is verkregen door middel van de onder feit 3 bewezenverklaarde drugstransporten. Nu het geldbedrag geheel of ten dele te eigen bate door verdachte kan worden aangewend terwijl [medeverdachte 4] ook bekend was met de verkrijging uit de bewezenverklaarde drugstransporten, is het vatbaar voor verbeurdverklaring. Tot slot overweegt het hof ten aanzien van de horloges dat, voor zover het hof bekend, op de onder verdachte in beslag genomen horloges thans geen strafvorderlijk beslag rust, maar dat daarop conservatoir beslag is gelegd. Gelet hierop zal het hof over het beslag op de horloges geen beslissing nemen. 13. Toepasselijke wettelijke voorschriften Het hof heeft gelet op de artikelen 2, 10 en 11b van de Opiumwet, de artikelen 33, 33a, 36b, 36c, 47, 48, 49, 57 en 140 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie. Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde. BESLISSING Het hof: Verklaart verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep voor zover dat is gericht tegen de ten aanzien van feit 3 gegeven beslissing tot partiële vrijspraak van betrokkenheid van verdachte bij de in de zaaksdossiers [plaats 1] , [plaats 2] en [plaats 3] omschreven transporten. Vernietigt het vonnis waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en doet opnieuw recht: Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 3 primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 primair en 3 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan. Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart het onder 1, 2 primair en 3 subsidiair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar. Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) jaren. Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht. Verklaart verbeurd het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten: een contant geldbedrag van € 100.000,- (goednummer: [nummer 11] ). Beveelt de onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten: - een vuurwapen van het merk [merk 1] (SIN: [nummer 1] en goednummer: [nummer 2] ); - een vuurwapen van het merk [merk 1] (SIN: [nummer 3] en goednummer: [nummer 4] ); - een vuurwapen van het merk [merk 3] (SIN: [nummer 5] en goednummer: [nummer 6] ); - een vuurwapen van het merk [merk 2] (SIN: [nummer 7] en goednummer: [nummer 8] ); - munitie (een patroon/patronen) van het merk [merk 5] (SIN: [nummer 9] en goednummer: [nummer 10] ). Heft op het (geschorste) bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte. Aldus gewezen door mr. A.H. Garos, voorzitter, mr. M. Keppels en mr. D. Visser, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr. P.T. Vissers, griffier, en op 13 maart 2024 ter openbare terechtzitting uitgesproken. BIJLAGE I: DE BEWIJSMIDDELEN 1De bijnamen en e-mailadressen van verdachten in het onderzoek [naam 1] 1.1 E-mailadres [e-mailadres 10] Een getuigenverklaring van [getuige 1] , [taal 1] opsporingsambtenaar, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven: Op 29 juni 2016 werd een bestelbus staande gehouden in [plaats 22] (het hof begrijpt: in [plaats 23] , [land 1] ). De bestelbus had een volledig lekke linkerband. De bestuurder was [medeverdachte 2] ( [geboortedag 1] -1986). De auto werd doorzocht en er werd – onder meer – een tas met daarin een [merk 11] mobiele telefoon in beslag genomen. Het tijdstip van aanhouding van [medeverdachte 2] was 00.30 uur. Een proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte 2] door de [taal 1] politie, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven: [medeverdachte 2] : Ik was vandaag (29 juni 2016) onderweg van [plaats 24] naar [plaats 11] .Verbalisant: Er zijn wat spullen in de auto aangetroffen, waaronder een tas met een [merk 11] telefoon. Is dit van u?[medeverdachte 2] : Dat is van mij. Een proces-verbaal van identificatie [e-mailadres 10] (documentcode [nummer 19] ), voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven: Op 29 juni 2016 werd [medeverdachte 2] door de politie te [plaats 23] ( [land 1] ) gecontroleerd in een auto. In genoemde auto werd een tas aangetroffen met daarin een [merk 11] telefoon. Dit toestel bleek een PGP toestel te zijn. Aan de [merk 11] was het e-mailadres [e-mailadres 10] gekoppeld. Uit berichten in de [merk 11] telefoon blijkt dat er op 28 juni 2016 om 22.36 uur met e-mailadres [e-mailadres 10] het volgende bericht is verzonden naar een onbekend ander e-mailadres: `Ja net klapband gehad bij [plaats 11] '.In de [merk 11] was te zien dat – onder meer – de volgende contacten in de telefoon waren opgeslagen: [e-mailadres 3] onder de naam ‘ [persoon 6] ’; [e-mailadres 6] onder de naam ‘ [medeverdachte 1] ’. Een proces-verbaal van bevindingen aanvulling identificatie [e-mailadres 10] (documentcode [nummer 20] ), voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven: Uit berichten uit de nalevering uit de PGPsafe-server blijkt dat er met het e-mailadres [e-mailadres 10] in april 2016 de volgende berichten zijn gestuurd: (...) [medeverdachte 2] heet ik! E-mail per direct verzenden naar [e-mailadres 11] . [medeverdachte 2] . [geboortedag 1] 1986. De persoonsgegevens in de berichten komen nagenoeg volledig overeen met de persoonsgegevens van [medeverdachte 2] . Een proces-verbaal van bevindingen (documentcode [nummer 21] ), voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven: Uit berichten uit de PGPsafe-server blijkt dat tegencontacten de bijnaam ` [medeverdachte 2] ' hebben gekoppeld aan e-mailadres [e-mailadres 10] . Bewijsoverweging ten aanzien van e-mailadres [e-mailadres 10] Op grond van voormelde bewijsmiddelen, in onderling verband bezien met de hierna volgende bewijsmiddelen onder paragraaf 2.3 (over het onderzoek [naam 4] , [plaats 8] ), stelt het hof vast dat [medeverdachte 2] in – tenminste – de periode van 9 april 2016 tot en met 29 juni 2016 gebruik heeft gemaakt van PGP e-mailadres [e-mailadres 10] . Zijn bijnaam was ` [medeverdachte 2] '. Ten behoeve van de leesbaarheid van het arrest zal het hof bij het weergeven van e-mailberichten in plaats van voormeld e-mailadres de naam van [medeverdachte 2] vermelden. 1.2 E-mailadres [e-mailadres 1] Een rapportage van de politie Eenheid Midden-Nederland (documentcode [nummer 22] ), voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven: In de beschikbare PGP-data is onderzoek gedaan naar e-mailadres [e-mailadres 1] . Dit e-mailadres heeft de volgende bijnamen gekregen van tegencontacten: ‘ [plaats 7] ’ en ‘ [naam 8] ’.[verdachte] is woonachtig in [plaats 7] en is eigenaar van het bedrijf [bedrijf 12] . Naast de bijnaam ‘ [verdachte] ’ kan ook uit de inhoud van de gesprekken worden opgemaakt dat de gebruiker van e-mailadres [e-mailadres 1] eigenaar is van een [bedrijf 12] . Een proces-verbaal van bevindingen (documentcode [nummer 23] ), voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven: Onderstaande berichten zijn afkomstig uit de [naam 10] -server. De gebruiker van het e-mailadres [e-mailadres 1] stuurt op 17 juni 2015 het volgende bericht: ‘Ik vertrek maandag naar [plaats 26] dan heb ik ook meteen pap daar’. De gebruiker van het e-mailadres [e-mailadres 1] stuurt op 19 november 2015 het volgende bericht: ‘Rustig net terug uit [plaats 25] motor beurs’. Bij berichten tussen de gebruiker van het e-mailadres [e-mailadres 1] en een onbekende gebruiker wordt als ontvanger de naam ‘ [verdachte] ’ voorafgegaan aan het PGP e-mailadres [e-mailadres 1] . Uit onderzoek is gebleken dat het PGP e-mailadres [e-mailadres 1] door verschillende tegencontacten is opgeslagen onder – onder meer – de namen:[verdachte] , [verdachte] , [verdachte] , [verdachte] , [verdachte] , [verdachte] , [verdachte] , [verdachte] , [verdachte] , [verdachte] , [verdachte] , [verdachte] . Een proces-verbaal van bevindingen (documentcode [nummer 24] ), voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven: In dit onderzoek zijn reisgegevens opgevraagd bij ‘ [bedrijf 13] ’. Daaruit blijkt dat [verdachte] met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 4] op 22 juni 2015 van [plaats 10] naar [plaats 26] is gevlogen en dat hij met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 4] op 16 november 2015 van [plaats 10] naar [plaats 25] is gevlogen. Een proces-verbaal (documentcode [nummer 25] ), voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven: Tijdens de doorzoeking in de woning van [verdachte] op 8 oktober 2018 werd een mobiele telefoon in beslag genomen. In deze telefoon bleek – onder meer – het volgende contact te zijn opgeslagen: ‘ [medeverdachte 4] ’ met telefoon nummer [telefoonnummer 1] ( [telefoonnummer 1] ).Tijdens onderzoek [naam 1] werd vastgesteld dat het telefoonnummer [telefoonnummer 1] in gebruik was bij [medeverdachte 4] en dat ` [medeverdachte 4] ' een bijnaam is van [medeverdachte 4] . Uit gegevens in de [naam 10] -server blijkt het volgende:Het PGP e-mailadres [e-mailadres 1] heeft de volgende PGP e-mailadressen opgeslagen: PGP e-mailadres Naam Opgeslagen op [e-mailadres 2] [medeverdachte 4] 22-09-2015 [e-mailadres 2] [medeverdachte 4] 09-11-2015 [e-mailadres 4] [medeverdachte 4] 29-05-2015 Het proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 16 januari 2024, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven: V: We hebben wat dingen onderzocht natuurlijk en we hebben ook gezien dat jij een PGP-telefoon hebt gehad. Hoe zat het dan daarmee? A: Die heb ik ooit gekregen, anders kon ik geen contact met hun krijgen. Bewijsoverweging ten aanzien van e-mailadres [e-mailadres 1] Op grond van voormelde bewijsmiddelen, beoordeeld in het licht van de hierna opgenomen bewijsmiddelen, stelt het hof vast dat verdachte in – tenminste – de periode van 23 januari 2015 tot en met 26 januari 2016 de gebruiker was van e-mailadres [e-mailadres 1] . Ten behoeve van de leesbaarheid van het arrest zal het hof bij het weergeven van e-mailberichten in plaats van voormeld e-mailadres de naam van [verdachte] vermelden. 1.3 E-mailadressen [e-mailadres 2] , [e-mailadres 12] en [e-mailadres 4] Een proces-verbaal identificatie [e-mailadres 2] (documentcode [nummer 26] ), voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven: Onderstaande berichten zijn afkomstig uit de PGPsafe-server. Gesprek tussen de gebruiker van e-mailadres [e-mailadres 2] en de gebruiker van e-mailadres [e-mailadres 13] op 15 april 2016: [persoon 6] : Eve voor bezoek welke gegevens heb je nodig van me? Dan stuur ik je ze. [e-mailadres 13] : Ik heb nodig naam, geb dat, adres van inschrijving (...) [persoon 6] : [medeverdachte 4] ! [geboortedag 2] 83 [adres 6] [plaats 4] Geb plaats [plaats 21] . Zo nou geef ik wel heel veel vertrouwelijke info vrij haha. Deze persoonsgegevens komen volledig overeen met de persoonsgegevens van verdachte [medeverdachte 4] . Een bericht van de gebruiker van e-mailadres [e-mailadres 2] aan [e-mailadres 14] op 13 april 2016: [persoon 6] : He vraagje woude jullie nou ook met kerst en oud en nieuw naar [plaats 27] ? Ik wil gaan boeke alvast anders geen plek meer. Op 10 november 2015 stuurt de gebruiker van e-mailadres [e-mailadres 15] het volgende bericht aan de gebruiker van [e-mailadres 2] : [e-mailadres