← Nederland

ECLI:NL:GHARL:2024:1850

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN zittingsplaats Leeuwarden Zaaknummer : Wahv 200.332.681/01 CJIB-nummer : 240430091 Uitspraak d.d. : 13 maart 2024 Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Gelderland van 14 juli 2023, betreffende [de betrokkene] B.V. (hierna: de betrokkene), gevestigd te [vestigingsplaats] . De gemachtigde van de betrokkene is M.J.M. Bergers, kantoorhoudende te Maastricht. De beslissing van de kantonrechter De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard en het verzoek om een proceskostenvergoeding afgewezen. Het verloop van de procedure De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding. De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend. De gemachtigde van de betrokkene heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt. De beoordeling

  1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder van de aanhangwagen bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 250,- voor: “Doorrijden bij een driekleurig verkeerslicht (stoplicht) dat op rood staat”. Deze gedraging zou zijn verricht op 30 maart 2021 om 13:22 uur op de Dr. W. Dreeslaan in Ede met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
  2. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat de beschikking ten onrechte aan de betrokkene als kentekenhouder van de aanhangwagen is opgelegd. Hij stelt daartoe dat op de eerste foto van de gedraging het kenteken van het trekkende voertuig leesbaar is, zodat ingevolge artikel 5a van de Wahv de beschikking niet aan de kentekenhouder van de aanhangwagen had mogen worden opgelegd. De gemachtigde voert verder aan dat de redelijke termijn van berechting is overschreden.
  3. Artikel 5a van de Wahv luidde ten tijde van de gedraging als volgt: “Indien is vastgesteld dat de gedraging heeft plaatsgevonden met of door middel van een motorrijtuig, waarmee een aanhangwagen waarvoor een kenteken is vereist, wordt voortbewogen, dan wel waaraan een aanhangwagen waarvoor een kenteken is vereist, is gekoppeld, en niet aanstonds is vastgesteld wie daarvan de bestuurder is, wordt, onverminderd het bepaalde in artikel 31, tweede lid, de administratieve sanctie opgelegd aan degene op wiens naam het kenteken van het motorrijtuig ten tijde van de gedraging in het kentekenregister was ingeschreven. Indien het kenteken van het motorrijtuig niet is vastgesteld, wordt, onverminderd het bepaalde in artikel 31, tweede lid, de administratieve sanctie opgelegd aan degene op wiens naam het kenteken van de aanhangwagen ten tijde van de gedraging in het kentekenregister was ingeschreven. In beide gevallen wordt hij gewezen op het bepaalde in artikel 8.”
  4. In het dossier bevinden zich foto's van de gedraging. De advocaat-generaal heeft bij het verweerschrift foto’s van de gedraging in kleur overgelegd, waaruit blijkt dat het kenteken van het voertuig dat de aanhangwagen voortbeweegt niet volledig leesbaar is. Eén letter van het kenteken is niet leesbaar doordat de aanhangwagen het zicht daarop belemmert.
  5. Naar het oordeel van het hof brengt artikel 5a van de Wahv niet mee dat in gevallen waarin het kenteken van het voertuig dat de aanhangwagen voortbeweegt niet volledig leesbaar is, van de ambtenaar nader onderzoek wordt verlangd om de kentekenhouder van het voertuig dat de aanhangwagen voortbeweegt te achterhalen. In dat geval kan worden volstaan met het opleggen van de administratieve sanctie aan degene op wiens naam het kenteken van de aanhangwagen ten tijde van de gedraging in het kentekenregister was ingeschreven. Het hof is derhalve van oordeel dat de inleidende beschikking ingevolge artikel 5a van de Wahv terecht aan de betrokkene is opgelegd.
  6. Het hof stelt vast dat de redelijke termijn van berechting als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) in eerste aanleg is overschreden. De inleidende beschikking is op 16 april 2021 aan de betrokkene toegezonden en de kantonrechter heeft eerst op 14 juli 2023 op het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie beslist. Gelet hierop zal het hof het bedrag van de sanctie matigen met 25 procent (vgl. het arrest van het hof van 28 juli 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:6369).
  7. De proceskosten gemaakt in de fase waarin de redelijke termijn van berechting is overschreden komen voor vergoeding in aanmerking. Aan het indienen van het beroepschrift bij de kantonrechter moet een punt worden toegekend. De waarde per punt bedraagt voor het beroep € 875,-. De wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) wordt toegepast. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 437,
  8. Het voorgaande leidt tot de navolgende beslissing. De beslissing Het gerechtshof: vernietigt de beslissing van de kantonrechter; verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt die beslissing; verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking gedeeltelijk gegrond; wijzigt de inleidende beschikking, in zoverre dat het bedrag van de sanctie wordt gewijzigd in € 187,50; bepaalt dat als de betrokkene op grond van artikel 11 van de Wahv teveel zekerheid heeft gesteld, het meerdere door de advocaat-generaal wordt gerestitueerd; veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene tot een bedrag van € 437,
  9. Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Verstraaten als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.