← Nederland

ECLI:NL:GHARL:2024:1866

Afdeling strafrecht Parketnummer: 21-004976-22 Uitspraak d.d.: 14 maart 2024 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 18 november 2022 met parketnummer 16-206800-21 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002, thans verblijvende in P.I. [vestigingsplaats] . Het hoger beroep De verdachte en de officier van justitie hebben tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 4, 5, 7, 8, 13, 14, 15, 18 en 20 december 2023 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaten-generaal, strekkende tot: - de vernietiging van het vonnis van de rechtbank; - bewezenverklaring van het onder 1 primair (medeplegen doodslag [slachtoffer] ), 2 primair (medeplegen poging doodslag [benadeelde 2] ), 3 primair (medeplegen poging doodslag [benadeelde 10] ), 4 en 5 (telkens: openlijke geweldpleging) tenlastegelegde; - veroordeling tot een gevangenisstraf van tien jaren, met aftrek van het voorarrest; - oplegging van de maatregel ex artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht, inhoudende een contactverbod – zowel indirect als direct – met de ouders van [slachtoffer] en de slachtoffers [benadeelde 2] , [benadeelde 3] , [benadeelde 5] en [benadeelde 4] voor de duur van vijf jaren; - de teruggave van de inbeslaggenomen voorwerpen. Ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen hebben de advocaten-generaal het volgende gevorderd: - hoofdelijke toewijzing van de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 6] van € 3.146,93, te vermeerderen met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel; - hoofdelijke toewijzing van de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 2] van € 8.240,74, te vermeerderen met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel; - hoofdelijke toewijzing van de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 5] van € 17.236,97, te vermeerderen met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel; - hoofdelijke toewijzing van de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 4] van € 6.317,64, te vermeerderen met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel; - hoofdelijke toewijzing van de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 11] van € 218.057,00, te vermeerderen met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel; - hoofdelijke toewijzing van de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partijen [benadeelde 1] tot een bedrag van € 68.967,63, te vermeerderen met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, en niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partijen voor het overige; - hoofdelijke toewijzing van de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 7] tot een bedrag van € 2.612,50, te vermeerderen met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, en afwijzing van de vordering voor het overige; - hoofdelijke toewijzing van de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 10] tot een bedrag van € 3.572,46, te vermeerderen met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, en afwijzing van de vordering voor het overige; - hoofdelijke toewijzing van de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 9] tot een bedrag van € 1.900,00, te vermeerderen met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, en afwijzing van de vordering voor het overige; - hoofdelijke toewijzing van de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 3] tot een bedrag van € 15.539,30 te vermeerderen met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, en niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij voor het overige. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft verder kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadslieden, mr. J.P. Plasman en mr. A. Boumanjal, naar voren is gebracht. Ook heeft het hof kennisgenomen van hetgeen naar voren is gebracht door mr. Bosch, advocaat te Maasdijk, namens de benadeelde partijen [benadeelde 1] en [benadeelde 11] ; mr. Ter Steeg, advocate te Amsterdam, namens de benadeelde partijen [benadeelde 2] , [benadeelde 5] , [benadeelde 3] en [benadeelde 4] ; mr. Roodveldt, advocate te Zaandam, namens de benadeelde partijen [benadeelde 10] , [benadeelde 7] en [benadeelde 9] en waarnemend voor mr. Breukink namens de benadeelde partij [benadeelde 6] . Het vonnis waarvan beroep Verdachte is bij vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 18 november 2022 ter zake van het onder 1 primair, 2 primair, 3 primair, 4 en 5 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf van zeven jaren, met aftrek van het voorarrest. Daarnaast is op de vorderingen tot schadevergoeding van de benadeelde partijen en op het beslag beslist. Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een deels andere bewijsbeslissing, een andere strafoplegging en een andere beslissing op de vorderingen van de benadeelde partijen komt en daarom opnieuw rechtdoen. De tenlastelegging Aan verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg – tenlastegelegd dat: 1. primair hij, op of omstreeks 14 juli 2021 te [plaats 1] , althans in de [provincie] , althans in Spanje, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd, door - voornoemde [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, (met kracht) op/tegen het hoofd, althans het (boven)lichaam, te slaan en/of te stompen en/of - voornoemde [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, (met kracht) op/tegen het hoofd, althans het (boven)lichaam, te trappen en/of te schoppen, (terwijl voornoemde [slachtoffer] op de grond lag); 1. subsidiair hij op of omstreeks 14 juli 2021 te [plaats 1] , althans in de [provincie] , althans in Spanje, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten (onder andere) een of meerdere onderhuidse bloeduitstorting(

  1. en)en/of schaafletsel(
  2. s)en/of huidscheur(
  3. en)aan het hoofd en/of een gebroken neus en/of een of meerdere schedelbreuk(en), heeft toegebracht, door - voornoemde [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, (met kracht) op/tegen het hoofd, althans het (boven)lichaam, te slaan en/of te stompen en/of - voornoemde [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, (met kracht) op/tegen het hoofd, althans het (boven)lichaam, te trappen en/of te schoppen, (terwijl voornoemde [slachtoffer] op de grond lag), 1. meer subsidiair hij op of omstreeks 14 juli 2021 te [plaats 1] , althans in de [provincie] , althans in Spanje, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [slachtoffer] heeft mishandeld door - voornoemde [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, (met kracht) op/tegen het hoofd, althans het (boven)lichaam, te slaan en/of te stompen en/of - voornoemde [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, (met kracht) op/tegen het hoofd, althans het (boven)lichaam, te trappen en/of te schoppen, (terwijl voornoemde [slachtoffer] op de grond lag), terwijl het feit de dood ten gevolge heeft gehad; 2. primair hij, op of omstreeks 14 juli 2021 te [plaats 1] , althans in de [provincie] , althans in Spanje, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [benadeelde 2] opzettelijk van het leven te beroven, - voornoemde [benadeelde 2] meermalen, althans eenmaal, (met kracht) op/tegen het hoofd, althans het (boven)lichaam, heeft getrapt en/of geschopt en/of geslagen en/of gestompt en/of geduwd en/of - voornoemde [benadeelde 2] meermalen, althans eenmaal, (met kracht) op/tegen het hoofd, althans het (boven)lichaam, heeft getrapt en/of geschopt en/of geslagen en/of gestompt (terwijl voornoemde [benadeelde 2] op de grond lag), terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; 2. subsidiair hij, op of omstreeks 14 juli 2021 te [plaats 1] , althans in de [provincie] , althans in Spanje, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [benadeelde 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, - voornoemde [benadeelde 2] meermalen, althans eenmaal, (met kracht) op/tegen het hoofd, althans het (boven)lichaam, heeft getrapt en/of geschopt en/of geslagen en/of gestompt en/of geduwd en/of - voornoemde [benadeelde 2] meermalen, althans eenmaal, (met kracht) op/tegen het hoofd, althans het (boven)lichaam, heeft getrapt en/of geschopt en/of geslagen en/of gestompt (terwijl voornoemde [benadeelde 2] op de grond lag), terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; 3. primair hij, op of omstreeks 14 juli 2021 te [plaats 1] , althans in de [provincie] , althans in Spanje, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [benadeelde 10] opzettelijk van het leven te beroven, - voornoemde [benadeelde 10] meermalen, althans eenmaal, (met kracht) op/tegen het hoofd, althans het (boven)lichaam, heeft geslagen en/of gestompt en/of - voornoemde [benadeelde 10] meermalen, althans eenmaal, (met kracht) op/tegen het hoofd, althans het (boven)lichaam, heeft getrapt en/of geschopt (terwijl voornoemde [benadeelde 10] op de grond lag), terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; 3. subsidiair hij, op of omstreeks 14 juli 2021 te [plaats 1] , althans in de [provincie] , althans in Spanje, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [benadeelde 10] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, - voornoemde [benadeelde 10] meermalen, althans eenmaal, (met kracht) op/tegen het hoofd, althans het (boven)lichaam, heeft geslagen en/of gestompt en/of - voornoemde [benadeelde 10] meermalen, althans eenmaal, (met kracht) op/tegen het hoofd, althans het (bovenlichaam, heeft getrapt en/of geschopt (terwijl voornoemde [benadeelde 10] op de grond lag) terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; 4.hij, op of omstreeks 14 juli 2021 te [plaats 1] , althans in de [provincie] , althans in Spanje, openlijk, te weten op de [straat] (ter hoogte van [locatie 1] en/of [locatie 2] ), in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer personen, te weten [benadeelde 6] en/of [benadeelde 9] en/of [benadeelde 7] en/of [benadeelde 8] en/of [benadeelde 10] door: - voornoemde [benadeelde 6] en/of [benadeelde 9] en/of [benadeelde 7] en/of [benadeelde 8] en/of [benadeelde 10] meermalen, althans eenmaal, te duwen en/of te trekken en/of naar de grond toe te brengen en/of (met de vuist) te stompen en/of te slaan en/of te schoppen en/of te trappen op en/of in de richting van en/of tegen het hoofd en/of het (boven)lichaam en/of met voornoemde slachtoffer(
  4. s)te worstelen en/of met een stoel te gooien in de richting van voornoemde slachtoffer(
  5. s)en/of een of meer andere perso(o)n(en), terwijl dit door hem gepleegde geweld zwaar lichamelijk letsel, althans enig lichamelijk letsel ten gevolge heeft gehad, te weten: - een gebroken neus en/of een scheurtje in de neusvleugel en/of een tand door de lip bij[benadeelde 6] en/of - een of meerdere blauwe plek(ken) en/of bult op het been en/of een dik oog, althans het lichaam, bij [benadeelde 7] en/of - een gebroken duim en/of een dikke neus en/of een opgezwollen enkel en/of blauwe plekken op de armen, althans het lichaam, en/of een blauw oog bij [benadeelde 10] ; 5.hij, op of omstreeks 14 juli 2021 te [plaats 1] , althans in de [provincie] , althans in Spanje, openlijk, te weten op de [straat] (ter hoogte van bar [locatie 3] ), in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer personen, te weten [slachtoffer] en/of [benadeelde 3] en/of [benadeelde 4] en/of [benadeelde 5] en/of [benadeelde 2] door: - voornoemde [slachtoffer] en/of [benadeelde 3] en/of [benadeelde 4] en/of [benadeelde 5] en/of [benadeelde 2] meermalen, althans eenmaal, te duwen en/of te trekken en/of naar de grond toe te brengen en/of (met de vuist) te stompen en/of te slaan en/of te schoppen en/of te trappen op en/of in de richting van en/of tegen het hoofd en/of het (boven)lichaam en/of met voornoemde slachtoffer(
  6. s)te worstelen, terwijl dit door hem gepleegde geweld zwaar lichamelijk letsel, althans enig lichamelijk letsel ten gevolge heeft gehad, te weten: - een of meer blauwe plek(
  7. en)en/of schaafwond(
  8. en)op de knie en/of de heup en/of het oor en/of in het gezicht, althans het lichaam, en/of een gezwollen schedel en/of een bult op het hoofd bij [benadeelde 2] en/of - een of meerdere onderhuidse bloeduitstorting (
  9. en)en/of schaafletsel(
  10. s)en/of huidscheur(
  11. en)aan het hoofd en/of een gebroken neus en/of een of meerdere schedelbreuk(
  12. en)bij [slachtoffer] . Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging. Overweging met betrekking tot het bewijs Standpunt advocaten-generaal De advocaten-generaal hebben gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 1 primair, 2 primair, 3 primair, 4 en 5 tenlastegelegde. Standpunt verdediging De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van de onder 1 primair, subsidiair en meer subsidiair, 2 primair en 3 primair en subsidiair tenlastegelegde feiten. Ten aanzien van feit 1 is aangevoerd dat er – kort gezegd – onvoldoende bewijs is voor betrokkenheid van verdachte bij het geweld tegen [slachtoffer] . De getuigenverklaring van [getuige 1] is onbetrouwbaar en daarmee onbruikbaar voor het bewijs. Ook het DNA-bewijs kan bij gebrek aan delictgerelateerdheid niet meewegen in de bewijsconstructie. Verder is ten aanzien van feit 2 aangevoerd dat niet zonder redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat verdachte tegen het hoofd van [benadeelde 2] heeft geschopt. Daarnaast is (subsidiair) aangevoerd dat geen sprake is van (voorwaardelijk) opzet op de dood dan wel zwaar lichamelijk letsel. Het dossier bevat onvoldoende informatie over de trap om te kunnen vaststellen dat sprake is geweest van een aanmerkelijke kans op de dood en dat deze kans is aanvaard door verdachte. Als het hof aanneemt dat richting het hoofd is geschopt kan maximaal sprake zijn van een poging tot zware mishandeling. Ten aanzien van feit 3 is eveneens aangevoerd dat de voor (voorwaardelijk) opzet vereiste aanmerkelijke kans op de dood dan wel zwaar lichamelijk letsel ontbreekt. Als het hof aanneemt dat richting het hoofd is geschopt kan maximaal sprake zijn van een poging tot zware mishandeling. De verdediging refereert zich ten aanzien van het onder 4 en 5 tenlastegelegde aan het oordeel van het hof, met dien verstande dat het letsel bij [benadeelde 7] niet kan worden gekwalificeerd als zwaar lichamelijk letsel en dat de strafverzwarende omstandigheid niet kan worden bewezen ten aanzien van [benadeelde 10] . Verzocht wordt om verdachte vrij te spreken van het openlijk geweld tegen [benadeelde 8] . Inleiding Niet ter discussie staat dat op 14 juli 2021 in het uitgaansgebied [plaats 1] in Spanje door verdachte en/of zijn vriendengroep bij café [locatie 1] , bij de [locatie 2] en bij de bar [locatie 3] is gevochten. Verdachte wordt ervan verdacht dat hij samen met zijn vrienden geweld heeft gepleegd tegen in totaal tien (jonge) mannen. Verdachte heeft erkend dat hij zowel bij café [locatie 1] en de [locatie 2] als bij de bar [locatie 3] geweldshandelingen heeft verricht. Het hof bespreekt de ten laste gelegde feiten in chronologische volgorde. Dit betekent dat eerst het geweld bij café [locatie 1] (hierna: [locatie 1]) en de [locatie 2] (hierna: [locatie 2]) wordt besproken (feiten 3 en 4) en daarna het geweld bij de bar [locatie 3] (hierna: [locatie 3]) (feiten 1, 2 en 5). De overwegingen van het hof zijn als volgt opgezet: 1 [locatie 1] en [locatie 2] 1.1 De feiten: wat is er gebeurd? 1.2 Splitsing: twee afzonderlijke geweldplegingen 2 Bewijsoverwegingen [locatie 1] 2.1 Vrijspraak openlijke geweldpleging tegen [benadeelde 8] 2.2 Openlijke geweldpleging tegen [benadeelde 6] en [benadeelde 7] 3 Bewijsoverwegingen [locatie 2] 3.1 Openlijke geweldpleging tegen [benadeelde 9] en [benadeelde 10] 3.2 Geweld tegen [benadeelde 10] 4 Bewijsoverwegingen [locatie 3] 4.1 De feiten: wat is er gebeurd? 4.2 Openlijke geweldpleging tegen [slachtoffer] , [benadeelde 2] , [benadeelde 3] , [benadeelde 4] en [benadeelde 5] 4.3 Geweld tegen [slachtoffer] 4.3.1 Verklaringen van getuige [getuige 1] 4.3.2 Overige verklaringen van getuigen 4.3.3 OVC 4.3.4 DNA 4.3.5 Conclusie 4.4 Geweld tegen [benadeelde 2] 5 Conclusie 1 [locatie 1] en [locatie 2] 1.1 De feiten: wat is er gebeurd? Hieronder wordt een globale beschrijving gegeven van de gebeurtenissen op 14 juli 2021. In de volgende paragrafen zal nader worden ingegaan op de verschillende verdenkingen. De bronnen die ten grondslag liggen aan deze feitenvaststelling worden weergegeven in voetnoten en voor zover het gaat om feiten en omstandigheden die dragend en redengevend zijn voor de bewezenverklaring(
  13. en)van het ten laste gelegde zijn deze opgenomen in de bijlage bij dit arrest. Het hof stelt op grond van het procesdossier en het verhandelde ter zitting de volgende feiten en omstandigheden vast. In de avond/nacht van 13 op 14 juli 2021 is een deel van de groep van verdachte (te weten: [betrokkene] , [medeverdachte 5] , [persoon 1] , [getuige 9] en [persoon 2] ) in [locatie 1] . Vanwege de coronamaatregelen moeten alle gasten een stoel hebben om op te zitten. Op enig moment ontstaat er discussie over een stoel tussen de groep, waar de (latere) slachtoffers [benadeelde 7] , [benadeelde 9] , [benadeelde 6] en [benadeelde 10] toe behoren en de hiervoor genoemde vriendgroep van verdachte. Uit camerabeelden in [locatie 1] blijkt, dat [betrokkene] door [benadeelde 9] en [benadeelde 7] wordt geduwd. [benadeelde 9] pakt [betrokkene] bij zijn keel en vlak daarna duwt [benadeelde 7] [betrokkene] weg door zijn hand in de nek van [betrokkene] te plaatsen. Vervolgens slaat [benadeelde 9] [betrokkene] in zijn gezicht met zijn platte hand. [benadeelde 7] wordt vervolgens [locatie 1] uitgezet. Even later loopt ook [benadeelde 9] naar buiten. Buiten daagt een aantal jongens elkaar uit. Volgens [benadeelde 7] roept [benadeelde 9] op een gegeven moment iets in de trant van: "Kom dan naar buiten als je zo stoer gaat lopen doen". Een aantal jongens van de groep van verdachte zoekt contact met de vrienden die in de [locatie 4] zitten. [getuige 9] stuurt om 01.35 uur een appje naar medeverdachte [medeverdachte 6] : “Zorg dat de boys rond 2 uur naar [locatie 1] komen. We moeten een groepje even een lesje leren”. Rond 02.00 uur, als [locatie 1] dichtgaat, komt [benadeelde 6] naar buiten. Hij gaat bij [benadeelde 7] staan. [benadeelde 10] is op dat moment nog in [locatie 1] . De groep van verdachte, onder wie verdachte, is inmiddels bij [locatie 1] aangekomen. Medeverdachten [medeverdachte 3] en [betrokkene] gaan dichtbij [benadeelde 7] staan. Als [benadeelde 6] er bij komt staan voegt nog een aantal personen uit de groep van verdachte zich bij de groep. Er wordt geduwd, waarna de groep van verdachte [benadeelde 6] en [benadeelde 7] aanvalt. [benadeelde 6] wordt meerdere keren door medeverdachte [medeverdachte 3] in zijn gezicht gestompt, waaronder hard op zijn neus, en [benadeelde 7] wordt door verdachte twee keer op zijn oogkas, één keer op zijn kin en één keer op zijn achterhoofd geslagen. [benadeelde 9] en [benadeelde 10] hebben niets meegekregen van de vechtpartij. [benadeelde 9] stond verderop, richting [locatie 2] , en [benadeelde 10] was nog in [locatie 1] . [benadeelde 9] ziet ineens [benadeelde 6] met een groot stuk papier en bloed op zijn gezicht. Ook ziet hij dat [benadeelde 7] op hem af komt met een blauw oog. Zij komen uit de richting van de ingang van [locatie 1] gelopen. [benadeelde 10] ziet hetzelfde. Hij ziet dat [benadeelde 6] een bloedneus heeft en dat [benadeelde 7] gewond is aan zijn oog. [benadeelde 9] en [benadeelde 10] staan op dat moment ter hoogte van [locatie 2] . Even later komt de groep van verdachte op [benadeelde 9] en [benadeelde 10] af. Van de gebeurtenissen voor [locatie 2] bevinden zich camerabeelden in het procesdossier. Het hof neemt op deze beelden – voor zover relevant voor het bewijs – het volgende waar: Op 1:44:18 staan [verdachte] en [benadeelde 9] tegenover elkaar. Achter/naast [verdachte] staan [medeverdachte 2] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 5] , [betrokkene] en [medeverdachte 3] . [benadeelde 10] staat naast [benadeelde 9] . Er worden woorden gewisseld. Op 1:44:22 geeft [betrokkene] (vanachter [verdachte] ) [benadeelde 9] een klap op zijn gezicht. [benadeelde 9] wankelt naar achteren en beweegt zich vervolgens naar voren richting [betrokkene] . [benadeelde 9] wordt vervolgens tegen zijn hoofd/gezicht geslagen door [verdachte] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] . [medeverdachte 4] beweegt ook in zijn richting. [benadeelde 9] valt achteruit richting gestapelde stoelen. [benadeelde 9] wordt vervolgens nog steeds geslagen door [verdachte] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] . [medeverdachte 5] beweegt richting [benadeelde 9] . [benadeelde 10] slaat [medeverdachte 5] op zijn achterhoofd. [medeverdachte 5] valt naar achteren en trekt [benadeelde 9] mee. Op 1:44:27 valt [benadeelde 9] op de grond. [benadeelde 10] maakt een zwaaiende beweging in de richting van [verdachte] . [benadeelde 10] valt vervolgens zelf naar achteren en [verdachte] deinst wat naar achteren. Op dat moment is [benadeelde 9] niet meer het centrum van conflict. Op 1:44:28 valt [benadeelde 10] op de grond. [medeverdachte 5] maakt vervolgens een schoppende beweging in de richting van de opstaande [benadeelde 9] . [verdachte] slaat en [medeverdachte 2] schopt de op de grond liggende [benadeelde 10] . Op 1:44:31 komt [benadeelde 10] overeind. Hij wordt dan geslagen door [verdachte] en er wordt naar hem geschopt door [medeverdachte 4] , [betrokkene] en [medeverdachte 5] . [benadeelde 10] valt weer op de grond en wordt dan geschopt door [medeverdachte 2] . [benadeelde 10] krabbelt weer op en wordt dan geslagen door [medeverdachte 3] . Terwijl [benadeelde 10] overeind blijft, wordt er gelijktijdig van drie verschillende kanten naar hem geslagen door [betrokkene] , [medeverdachte 5] en [verdachte] . Op 1:44:33 loopt [medeverdachte 6] richting het gevecht. Op 1:44:35 komt [medeverdachte 3] van opzij en geeft [benadeelde 10] een harde klap in het gezicht. [benadeelde 10] wankelt en wordt vervolgens van verschillende kanten geslagen door [medeverdachte 2] en [verdachte] . Op 1:44:36 maakt [benadeelde 10] een zwaaiende beweging in de richting van [medeverdachte 3] . Op 1:44:37 valt [benadeelde 10] achterover op de grond. [medeverdachte 6] maakt een zwaaiende beweging richting [benadeelde 10] . Op 1:44:38 [verdachte] stapt naar voren en houdt zijn lichaam in balans door beide uitgestrekte armen. Hij leunt iets achterover. Hij brengt zijn linkerbeen ter hoogte van het bovenlichaam c.q. de rechterschouder van [benadeelde 10] versneld naar beneden in een dubbele neerwaartse beweging. De beweging is niet in één keer, er zit een hapering in de beweging. Vervolgens verplaatst hij zijn gewicht op zijn linkerbeen en hij verplaatst zijn rechterbeen in een krachtige beweging van achteren naar voren, waarbij hij zijn heupen ook meedraait, in de richting van het hoofd van [benadeelde 10] . Vervolgens wordt [verdachte] weggeleid van [benadeelde 10] en trapt [medeverdachte 5] één keer op de benen van [benadeelde 10] in een neerwaartse beweging en schopt daarna één keer tegen de benen van [benadeelde 10] aan met een zwaaiende beweging. [benadeelde 10] is als gevolg van het op hem uitgeoefende geweld buiten bewustzijn geraakt. Als gevolg van het geweld hebben [benadeelde 6] , [benadeelde 7] , [benadeelde 9] en [benadeelde 10] pijn en letsel opgelopen. Het letsel bestond uit: [benadeelde 6] : een gebroken neus, een scheurtje in zijn linker neusvleugel en een tand door de lip; [benadeelde 7] : een blauw oog; [benadeelde 9] : een bloedneus; [benadeelde 10] : een gebroken duim, een opgezwollen enkel, een blauw oog en blauwe plekken op beide armen. 1.2 Splitsing: twee afzonderlijke geweldplegingen Aan verdachte is het geweld bij [locatie 1] en [locatie 2] ten laste gelegd als één feitelijk geheel. Ter zitting in hoger beroep is door het openbaar ministerie gerekwireerd dat – overeenkomstig het vonnis van de rechtbank – wordt uitgegaan van twee geweldplegingen. Het hof volgt op dit onderdeel het oordeel van de rechtbank en neemt haar overweging over: De rechtbank (…) verwijst hierbij naar de verklaringen van [benadeelde 10] , [benadeelde 9] en [medeverdachte 3] . Ook wijst de rechtbank op de camerabeelden van de gebeurtenissen voor [locatie 2] . Uit die beelden en de daarbij weergegeven tijdsaanduidingen volgt ook dat de confrontatie voor [locatie 2] pas begint, geruime tijd nádat de groep van verdachten richting [locatie 1] loopt en ook enige tijd nádat [benadeelde 6] , kennelijk gewond, uit de richting van [locatie 1] komt. Eerst heeft er (openlijk) geweld plaatsgevonden voor [locatie 1] , tegen [benadeelde 7] en [benadeelde 6] ; zij kregen klappen. Na deze klappen was dit geweld voorbij en liepen [benadeelde 7] en [benadeelde 6] weg. Korte tijd daarna ontstond er opnieuw geweld, dit keer voor [locatie 2] , waar [benadeelde 9] en [benadeelde 10] door verdachte en medeverdachten, werden geslagen en geschopt. Het geweld heeft kortom plaatsgevonden op twee verschillende momenten, op twee verschillende plekken, met andere slachtoffers en deels met andere daders. Dit maakt dat er naar het oordeel van de rechtbank sprake is van twee afzonderlijke gebeurtenissen. Het hof zal – evenals de rechtbank – voor iedere gebeurtenis ook afzonderlijk beoordelen of er sprake was van deelname aan openlijk geweld. 2Bewijsoverwegingen [locatie 1] 2.1 Vrijspraak openlijke geweldpleging tegen [benadeelde 8] (feit 4) Evenals de rechtbank en zoals gevorderd door de advocaten-generaal spreekt het hof verdachte vrij van het openlijk geweld tegen [benadeelde 8] . Uit het dossier blijkt niet duidelijk wanneer, waar, hoe en door wie er geweld tegen [benadeelde 8] is gebruikt, waardoor niet kan worden vastgesteld dat verdachte een significante of wezenlijke bijdrage aan het geweld tegen [benadeelde 8] heeft geleverd. 2.2 Openlijke geweldpleging tegen [benadeelde 6] en [benadeelde 7] (feit 4) Uit de feitenvaststelling volgt dat verdachte [benadeelde 7] in de openbaarheid twee keer op zijn oogkas, één keer op zijn kin en één keer op zijn achterhoofd heeft geslagen, terwijl op dat moment ook [benadeelde 6] werd belaagd. Op grond van het voorgaande en de bewijsmiddelen zoals opgenomen in de bijlage bij dit arrest acht het hof bewezen dat verdachte deel uitmaakte van de groep die buiten bij [locatie 1] tegenover [benadeelde 6] en [benadeelde 7] is gaan staan en dat hij (vervolgens) zelf ook geweld heeft gebruikt door [benadeelde 7] meerdere keren in het gezicht en op zijn achterhoofd te slaan. Door zijn handelen heeft verdachte een voldoende significante en wezenlijke bijdrage aan het in vereniging (in de openbaarheid) gepleegde geweld gehad. Dit brengt mee dat het hof bewezen acht dat verdachte zich samen met medeverdachte [medeverdachte 3] schuldig heeft gemaakt aan openlijk geweld tegen [benadeelde 6] en [benadeelde 7] . Strafverzwarende omstandigheid [benadeelde 7] (feit 4) Als gevolg van het op [benadeelde 7] uitgeoefende geweld is hem letsel toegebracht, namelijk een blauw oog. Nu het hof heeft vastgesteld dat verdachte de enige is geweest die [benadeelde 7] heeft geslagen en dat hij hem daarbij tweemaal op zijn oog(kas) heeft geraakt acht het hof bewezen dat verdachte dit letsel bij [benadeelde 7] heeft veroorzaakt. Het hof kwalificeert dit letsel als ‘enig lichamelijk letsel’. 3Bewijsoverwegingen [locatie 2] 3.1 Openlijke geweldpleging tegen [benadeelde 9] en [benadeelde 10] (feit 4) Verdachte heeft in hoger beroep erkend dat hij [benadeelde 9] en [benadeelde 10] heeft geslagen. Hij ontkent dat hij zou hebben geschopt. Op grond van de feitenvaststelling en de bewijsmiddelen zoals opgenomen in de bijlage bij dit arrest stelt het hof vast dat verdachte zich aan het begin bij de groep voegt die bij [benadeelde 9] staat. Het geweld begint met een klap van een medeverdachte aan [benadeelde 9] , waarna het geweld zich voortzet tegen [benadeelde 9] en vervolgens ook tegen [benadeelde 10] . [benadeelde 9] en [benadeelde 10] worden door verdachte en zijn medeverdachten geslagen en gestompt en tegen de grond gewerkt. [benadeelde 10] wordt meerdere keren geschopt. Ook wordt er door een medeverdachte met een stoel in de richting van [benadeelde 10] gegooid. Op grond van het voorgaande acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich samen met medeverdachten [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] , [betrokkene] en [medeverdachte 5] en/of [medeverdachte 6] schuldig heeft gemaakt aan openlijk geweld tegen [benadeelde 9] en [benadeelde 10] . Verdachte heeft aan dit in vereniging (in de openbaarheid) gepleegde geweld een significante en wezenlijke bijdrage geleverd. Hij was vanaf het begin aanwezig, heeft [benadeelde 9] en [benadeelde 10] meerdere keren geslagen en geschopt, waaronder ook, zoals het hof verderop zal bespreken, in de richting van het hoofd van [benadeelde 10] terwijl hij op de grond lag. Strafverzwarende omstandigheid [benadeelde 10] (feit 4) Als gevolg van het op [benadeelde 10] uitgeoefende geweld is hem letsel toegebracht, bestaande uit: een gebroken duim, een opgezwollen enkel, een blauw oog en blauwe plekken op beide armen. Het hof kwalificeert dit letsel als ‘enig lichamelijk letsel’. Het hof ziet zich voor de vraag gesteld of één of meerdere letsels bij [benadeelde 10] zijn veroorzaakt door het handelen van verdachte. Vooropgesteld wordt dat uit de rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat de zwaardere strafbedreiging van artikel 141, tweede lid onder 1°, van het Wetboek van Strafrecht alleen van toepassing is op de verdachte die zelf het bewezenverklaarde letsel heeft toegebracht. De verdachte kan op grond van deze bepaling niet strafrechtelijk verantwoordelijk worden gehouden voor het door zijn mededaders in het kader van het openlijke geweld veroorzaakte letsel. Zoals hiervoor is vastgesteld heeft verdachte [benadeelde 10] geschopt en geslagen. Het hof acht bewezen dat verdachte hierdoor een blauwe plek op het lichaam van [benadeelde 10] heeft veroorzaakt. Dat door anderen ook geweld tegen [benadeelde 10] is uitgeoefend staat niet in de weg aan het oordeel dat het handelen van verdachte een blauwe plek op het lichaam van [benadeelde 10] tot gevolg heeft gehad. Voor het overige letsel geldt dat ook door anderen in vereniging geweld tegen [benadeelde 10] is uitgeoefend dat geëigend kan zijn dit lichamelijk letsel toe te brengen. Niet bewezen kan worden dat (juist) het door verdachte gepleegde geweld dat overige lichamelijk letsel ten gevolge heeft gehad. Dit staat aan toerekening in de weg. 3.2 Geweld tegen [benadeelde 10] (feit 3) Voor de beoordeling van de vraag of het handelen van verdachte kan worden gekwalificeerd als (het medeplegen van) een poging tot doodslag op dan wel zware mishandeling van [benadeelde 10] gaat het hof nader in op het door verdachte en zijn medeverdachten gebruikte geweld. Op grond van de feitenvaststelling en de bewijsmiddelen zoals opgenomen in de bijlage bij dit arrest stelt het hof vast dat [benadeelde 10] op enig moment op de grond belandt. Vanaf dat moment wordt hij – terwijl hij probeert op te staan – door verdachte en zijn medeverdachten bij voortduring en van verschillende kanten met kracht geslagen en geschopt. Er is sprake van fors en heftig groepsgeweld. Nadat [benadeelde 10] voor de tweede keer is opgekrabbeld en al vele malen is geschopt en geslagen, wordt hij weer van verschillende kanten geslagen. Hij krijgt een harde stomp in zijn gezicht van medeverdachte [medeverdachte 3] . Terwijl hij wankelt, wordt hij van verschillende kanten geslagen door verdachte en medeverdachte [medeverdachte 2] , onder meer ook tegen zijn hoofd. Als [benadeelde 10] ten gevolge daarvan achterover op de grond valt en weerloos op de grond ligt maakt verdachte een krachtige stampende beweging ter hoogte van het bovenlichaam dan wel de rechterschouder van [benadeelde 10] en schopt hij richting zijn hoofd. Medeverdachte [medeverdachte 5] schopt nog tweemaal tegen zijn benen. [benadeelde 10] blijft bewusteloos op de grond liggen. Voor de vaststelling dat – anders dan de verdediging heeft betoogd – sprake is geweest van schoppend geweld richting het hoofd van [benadeelde 10] acht het hof in het bijzonder het volgende van belang. Het hof heeft, zoals hiervoor weergegeven, op de beelden waargenomen dat: - verdachte naar voren stapt, waarbij hij zijn lichaam in balans houdt door beide uitgestrekte armen en iets achterover leunt; - verdachte zijn linkerbeen ter hoogte van het bovenlichaam c.q. de rechterschouder van [benadeelde 10] versneld naar beneden brengt in een dubbele neerwaartse beweging. De beweging is niet in één keer, er zit een hapering in de beweging; - verdachte vervolgens zijn gewicht naar zijn linkerbeen verplaatst en zijn rechterbeen verplaatst in een krachtige beweging van achteren naar voren, waarbij hij zijn heupen ook meedraait, in de richting van het hoofd van [benadeelde 10] . Hieruit volgt dat – anders dan de verdediging heeft betoogd – geen sprake is geweest van onbalans bij verdachte of het enkel wegstappen langs het hoofd van [benadeelde 10] . Integendeel. Uit de snelheid en wijze van bewegen van het lichaam, de benen, armen en heupen maakt het hof op dat verdachte controle had over zijn lichaam en met kracht schopte. Op grond van deze waarneming en de waarnemingen van de rechtbank en de verbalisant concludeert het hof dat verdachte een stampende beweging heeft gemaakt in de omgeving van het hoofd van [benadeelde 10] en daarnaast een krachtige schoppende beweging richting het hoofd. Medeplegen en opzet Het hof stelt voorop dat betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezenverklaard als is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking. Een vooropgezet plan hoeft aan het medeplegen niet ten grondslag te liggen, want medeplegen kan ook als een opwelling uit de situatie voortspruiten en zelfs stilzwijgend plaatsvinden. Ook is niet nodig dat alle medeplegers uitvoeringshandelingen verrichten, maar de samenwerking moet wel intensief zijn. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad kan de bewuste en nauwe samenwerking onder meer blijken uit de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol van de verdachte in de voorbereiding, uitvoering of afhandeling van het delict en het belang daarvan, zijn aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip. In dit opzicht kan ook de aard van het delict een rol spelen. Verder is van belang dat niet is vereist dat iedere medepleger exact op de hoogte is van de bijdragen van de andere medepleger(
  14. s)aan het strafbare feit. Wel dient er bij de medepleger sprake te zijn van een zogenoemd 'dubbel' opzet dat ziet op het tot stand brengen van het feit als op de samenwerking met de andere dader of daders. Nauwe en bewuste samenwerking Uit de hiervoor vastgestelde feiten volgt dat niet alleen verdachte maar ook zijn medeverdachten geweld tegen [benadeelde 10] hebben gebruikt. De vraag is of sprake is geweest van een zodanige nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn medeverdachten dat dit kan worden aangemerkt als medeplegen. Vastgesteld is dat zowel verdachte als zijn medeverdachten zowel gelijktijdig als afwisselend, kort na elkaar, en bij voortduring [benadeelde 10] hebben geslagen, gestompt en geschopt, zoals hiervoor omschreven. De verdachten stonden hierbij om [benadeelde 10] heen. Op het moment dat verdachte richting de op de grond liggende [benadeelde 10] schopt staan zijn medeverdachten op afstand en gebruiken dan zelf geen geweld (meer) tegen [benadeelde 10] . Alleen [medeverdachte 5] schopt tot slot nog tegen de benen van [benadeelde 10] . Vaststaat dat zijn medeverdachten tot dan toe niet dergelijk zwaar geweld als verdachte heeft toegepast, hebben gebruikt. Voorgaande vaststellingen leiden tot het oordeel dat sprake is geweest van een gezamenlijke geweldsuitoefening waarbij verdachte en zijn medeverdachten zich dusdanig hebben gemanifesteerd door tegelijk en achtereenvolgens (fors) geweld op [benadeelde 10] uit te oefenen dat daaruit kan worden afgeleid dat zij bewust hebben samengewerkt. De verdachten hebben ieder voor zich een substantieel en rechtstreeks aandeel gehad in het door hen uitgeoefende geweld. Gelet op het verloop van het gevecht en de rol van de medeverdachten is het hof van oordeel dat vanaf het moment dat verdachte de stampende en schoppende beweging richting het hoofd van de op de grond liggende [benadeelde 10] maakt geen sprake meer is van een nauwe en bewuste samenwerking. (Voorwaardelijk) opzet Voor een bewezenverklaring moet verder worden vastgesteld dat verdachte en zijn medeverdachte(
  15. n)door hun handelen (voorwaardelijk) opzet op de dood, dan wel opzet op zwaar lichamelijk letsel bij [benadeelde 10] hebben gehad. Het hof stelt voorop dat voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – zoals hier de dood of zwaar lichamelijk letsel – aanwezig is als de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dat gevolg zal intreden. De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. Uit de feitenvaststelling en de bewijsmiddelen zoals opgenomen in de bijlage bij dit arrest volgt dat verdachte en zijn medeverdachten fors geweld op [benadeelde 10] hebben uitgeoefend, waarbij zij hem bij voortduring hebben geslagen, gestompt, ook tegen het gezicht en (achter)hoofd, en geschopt, zoals hiervoor is vastgesteld. Verdachte en zijn medeverdachten hebben met aanzienlijke kracht uitgehaald onder meer tegen en richting het gezicht en hoofd van [benadeelde 10] . [benadeelde 10] is als gevolg van de klappen meermalen op de grond gevallen. Daarnaast heeft verdachte een stampende beweging in de directe omgeving van het hoofd gemaakt en richting het hoofd van [benadeelde 10] geschopt. [benadeelde 10] is als gevolg van al dit geweld buiten bewustzijn geraakt. Ook heeft hij op verschillende plekken letsel bekomen, te weten: een gebroken duim, een opgezwollen enkel, een blauw oog en blauwe plekken op beide armen. Uit de hiervoor vastgestelde handelingen kan naar het oordeel van het hof een levensbedreigend risico worden afgeleid. Het hof is van oordeel dat verdachte met zijn gedragingen en in het bijzonder gelet op de aard en intensiteit van de schop richting het hoofd en de stampende beweging in de directe omgeving van het hoofd – een kwetsbaar onderdeel van het lichaam – willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat [benadeelde 10] zou komen te overlijden. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat verdachte met kracht met zijn geschoeide voet richting het hoofd van [benadeelde 10] schopte, terwijl [benadeelde 10] weerloos op zijn rug op de grond lag. Op de camerabeelden is te zien dat het [benadeelde 10] nauwelijks lukt om zich te beschermen tegen het geweld. Bovendien beweegt [benadeelde 10] met zijn bovenlichaam licht omhoog op het moment dat verdachte stampt en schopt hetgeen de kans op het raken van het hoofd, nu er sprake is van gelijktijdig bewegen van zowel het hoofd van [benadeelde 10] als het lichaam van verdachte, vergroot. [benadeelde 10] is als gevolg van het geweld bewusteloos geraakt, waaruit tevens valt af te leiden dat het op hem uitgeoefende geweld met veel kracht gepaard ging. De mate en intensiteit van het geweld gericht op en richting het hoofd van de weerloos op de grond liggende [benadeelde 10] maakt dat het hof van oordeel is dat een reële, niet onwaarschijnlijke kans bestond dat [benadeelde 10] zodanig ernstig gewond zou raken dat hij daaraan zou komen te overlijden. Door het geweld op deze wijze op [benadeelde 10] uit te oefenen, heeft verdachte deze kans bewust aanvaard. Het handelen van verdachte is naar zijn uiterlijke verschijningsvorm – met name het met kracht schoppen richting het hoofd – zozeer gericht op het overlijden van [benadeelde 10] dat verdachte de aanmerkelijke kans op dit gevolg daadwerkelijk heeft aanvaard. Van aanwijzingen voor het tegendeel is niet gebleken. Er is dus sprake van (voorwaardelijk) opzet op het gronddelict. Het voorgaande brengt mee dat het hof bewezen acht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan poging tot doodslag op [benadeelde 10] . 4Bewijsoverwegingen [locatie 3] 4.1 De feiten: wat is er gebeurd? Het hof stelt op grond van het procesdossier en het verhandelde ter zitting de volgende feiten en omstandigheden vast. In de nacht van 14 juli 2021 korte tijd nadat door verdachte en medeverdachten fors geweld was gepleegd voor [locatie 1] en [locatie 2] gingen verdachte en de medeverdachten over de boulevard in de richting de [locatie 3] . Op straat ter hoogte van de [locatie 3] komt het tot een confrontatie tussen (een deel van) de groep van verdachte en een groep mannen, te weten: [slachtoffer] , [benadeelde 2] , [benadeelde 3] , [benadeelde 4] en [benadeelde 5] (hierna: de groep uit [plaats 2] ). Na een korte woordenwisseling loopt het uit de hand als verdachte een eerste klap uitdeelt. Op dat moment staan medeverdachten [medeverdachte 3] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 6] en [medeverdachte 5] bij verdachte. Er ontstaat een massale vechtpartij waarbij door verschillende personen uit de groep van verdachte verschillende vormen van geweld worden uitgeoefend tegen de personen van de groep uit [plaats 2] . De groep uit [plaats 2] deed niet veel terug. In korte tijd volgt vanuit de groep van verdachte onder meer het volgende geweld: [benadeelde 4] krijgt een klap op zijn gezicht en er wordt geprobeerd hem te tackelen. [slachtoffer] wordt op zijn hoofd geslagen, valt op de grond en wordt vervolgens tegen zijn hoofd geschopt. [benadeelde 5] rent weg en wordt tijdens het wegrennen geslagen. [benadeelde 2] wordt tegen de grond gebeukt. Terwijl [benadeelde 2] op de grond ligt wordt hij twee keer tegen zijn hoofd geschopt, waardoor hij buiten bewustzijn raakt. [benadeelde 3] wordt geschopt, geslagen en geduwd. Uit de beschikbare beelden volgt dat [slachtoffer] op de grond ligt op het moment dat [benadeelde 2] en [benadeelde 3] worden aangevallen. Als gevolg van het geweld heeft [benadeelde 3] blauwe plekken opgelopen en is [benadeelde 2] naast blauwe plekken en schaafwonden een gezwollen schedel en bulten op zijn hoofd toegebracht. [slachtoffer] is als gevolg van het geweld op 18 juli 2021 overleden. Ten aanzien van de rol van verdachte stelt het hof bovendien vast dat verdachte: deel uitmaakte van de groep die tegenover de groep uit [plaats 2] is gaan staan; als eerste de confrontatie met de groep uit [plaats 2] is aangegaan en de eerste klap heeft uitgedeeld; [benadeelde 3] een klap in het gezicht heeft gegeven waardoor hij struikelde en op de grond viel; [benadeelde 2] naar de grond heeft geduwd en – toen hij op de grond lag - tegen het hoofd heeft geschopt. 4.2 Openlijke geweldpleging tegen [slachtoffer] , [benadeelde 2] , [benadeelde 3] , [benadeelde 4] en [benadeelde 5] (feit 5) Op grond van de hiervoor vastgestelde feiten en de bewijsmiddelen zoals opgenomen in de bijlage bij dit arrest acht het hof bewezen dat verdachte vanaf het begin deel uitmaakte van de groep die tegenover de groep uit [plaats 2] is gaan staan en dat hij binnen de geweldsexplosie die zich daar tegen die groep heeft afgespeeld vervolgens geweld heeft gepleegd [benadeelde 3] en [benadeelde 2] , zoals hiervoor beschreven. Door zijn handelen heeft verdachte een voldoende significante en wezenlijke bijdrage aan het (in de openbaarheid gepleegde) geweld tegen de gehele groep uit [plaats 2] gehad. Evenals de rechtbank en de advocaten-generaal is het hof van oordeel dat het openlijk geweld voor de [locatie 3] juridisch niet uiteenvalt in meerdere kleine vechtpartijen tegen afzonderlijke personen, waarbij per verdachte moet worden beoordeeld tegen wie hij geweld heeft gepleegd. Dit gaat niet alleen in tegen de feitelijke situatie zoals die heeft plaatsgevonden – te weten: één massale aanval van de groep van verdachte tegen de groep uit [plaats 2] , waarbij op korte afstand van elkaar en binnen een kort tijdsbestek (deels) tegelijkertijd geweldshandelingen tegen de verschillende slachtoffers werden verricht – maar ook tegen de inhoud en ratio van artikel 141 van het Wetboek van Strafrecht, namelijk het strafbaar stellen van openlijk en in verenigde krachten gepleegd (groeps)geweld tegen personen, waarbij niet iedere pleger zelf geweld moet hebben gepleegd tegen ieder slachtoffer. Voor een bewezenverklaring van het “in vereniging” plegen van geweld is – zoals eerder is overwogen – slechts vereist dat de verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan dat openlijke geweld. Nu verdachte zich ervan bewust was dat ook anderen deelnamen aan de openlijke geweldpleging kan daaruit worden afgeleid dat verdachte opzet had op het in vereniging plegen van geweld. Het voorgaande brengt mee dat het hof bewezen acht dat verdachte zich samen met medeverdachten [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 6] en [medeverdachte 5] schuldig heeft gemaakt aan openlijk geweld tegen [slachtoffer] , [benadeelde 2] , [benadeelde 3] , [benadeelde 4] en [benadeelde 5] . Ten aanzien van het openlijk geweld tegen [benadeelde 2] en [benadeelde 3] geldt dat dit bovendien samen met [medeverdachte 7] en [medeverdachte 4] is gepleegd. Strafverzwarende omstandigheid [slachtoffer] en [benadeelde 2] (feit 5) Aan verdachte is tenlastegelegd dat zijn bijdrage aan het openlijk geweld (zwaar) lichamelijk letsel bij [slachtoffer] en [benadeelde 2] tot gevolg heeft gehad. Vooropgesteld wordt dat uit de rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat de zwaardere strafbedreiging van artikel 141, tweede lid onder 1°, van het Wetboek van Strafrecht alleen van toepassing is op de verdachte die zelf het bewezenverklaarde letsel heeft toegebracht. De verdachte kan op grond van deze bepaling niet strafrechtelijk verantwoordelijk worden gehouden voor het door zijn mededaders in het kader van het openlijke geweld veroorzaakte letsel. [slachtoffer] Het hof acht niet bewezen dat het door verdachte gepleegde geweld het in de tenlastelegging genoemde lichamelijk letsel tot gevolg heeft gehad. Nu verdachte op grond van deze bepaling niet strafrechtelijk verantwoordelijk kan worden gehouden voor het door zijn mededaders in het kader van het openlijke geweld veroorzaakte letsel kan dit strafverzwarende onderdeel niet worden bewezen. [benadeelde 2] Als gevolg van het op [benadeelde 2] uitgeoefende geweld heeft hij blauwe plekken, schaafwonden, een gezwollen schedel en bulten op zijn hoofd opgelopen. Het hof kwalificeert dit letsel als ‘enig lichamelijk letsel’. Het hof ziet zich voor de vraag gesteld of één of meerdere letsels bij [benadeelde 2] zijn veroorzaakt door het handelen van verdachte. Zoals hiervoor is vastgesteld heeft verdachte [benadeelde 2] geduwd en tegen het hoofd getrapt. Het hof acht bewezen dat verdachte hierdoor een bult en een blauwe plek op het hoofd van [benadeelde 2] heeft veroorzaakt. Dat door anderen ook geweld tegen [benadeelde 2] is uitgeoefend staat niet in de weg aan het oordeel dat het handelen van verdachte een bult en een blauwe plek op het lichaam van [benadeelde 2] tot gevolg heeft gehad. 4.3 Geweld tegen [slachtoffer] (feit 1) De advocaten-generaal hebben voor wat betreft de betrokkenheid van verdachte bij het (dodelijke) geweld tegen [slachtoffer] aangevoerd dat: getuige [getuige 1] verdachte aanwijst als een van de daders van het dodelijke geweld en haar verklaring betrouwbaar moet worden geacht; getuigen [getuige 2] , [getuige 3] en [getuige 4] een omschrijving van de dader van het dodelijke geweld geven die past bij verdachte; celmateriaal van [slachtoffer] op de schoen van verdachte is aangetroffen, en verdachte in een OVC-gesprek toegeeft de neus van [slachtoffer] te hebben gebroken. Uit deze bewijsmiddelen blijkt volgens de advocaten-generaal dat verdachte betrokken is geweest bij het dodelijke geweld, dat op [slachtoffer] is uitgeoefend: hij heeft [slachtoffer] in elk geval geschopt. Het hof overweegt het volgende. Uit het dossier volgt dat meerdere jongens uit de groep van verdachte bij [slachtoffer] stonden toen hij in zijn gezicht werd gestompt. Na één of twee vuistslagen is [slachtoffer] achterover gevallen op de grond. Vervolgens is [slachtoffer] door meerdere jongens uit de groep van verdachte tegen zijn bovenlichaam en hoofd getrapt, waarbij in elk geval één trap op zijn hoofd raak was. [slachtoffer] blijft daarna bewusteloos op de grond liggen. Korte tijd later arriveert een ambulance en wordt hij met spoed overgebracht naar het ziekenhuis, waar hij bij aankomst direct wordt geopereerd. Die operatie kan niet voorkomen dat [slachtoffer] vier dagen later, op 18 juli 2021 om 12.23 uur, in het ziekenhuis overlijdt. Verdachte heeft – net als zijn medeverdachten – telkens ten stelligste ontkend betrokken te zijn geweest bij het geweld tegen [slachtoffer] . Hoewel het dossier een groot aantal verklaringen van getuigen bevat, heeft slechts een klein deel van deze getuigen het geweld tegen [slachtoffer] waargenomen. Een nog kleiner deel van deze getuigen heeft concrete geweldshandelingen (zoals een stomp of een schop) gezien en alleen de getuigen [getuige 1] , [getuige 4] en [getuige 5] geven een signalement van (een van) de perso(o)n(
  16. en)die [slachtoffer] zou(den) hebben geschopt. In tegenstelling tot de andere incidenten bevat het dossier geen beeldmateriaal van het geweld tegen [slachtoffer] . Het hof ziet zich voor de vraag gesteld of op grond van het dossier en het verhandelde ter zitting kan worden vastgesteld of, en zo ja in hoeverre, verdachte betrokken is geweest bij het geweld tegen [slachtoffer] . Ter beantwoording van die vraag gaat het hof eerst in op de door getuige [getuige 1] afgelegde verklaringen. Vervolgens bespreekt het hof de verklaringen van andere getuigen en de OVC-opname. Tot slot gaat het hof in op – kortgezegd – het DNA-bewijs. 4.3.1 Verklaringen van getuige [getuige 1] Het hof moet beoordelen of, en zo ja in hoeverre, de verklaringen van [getuige 1] als betrouwbaar kunnen worden aangemerkt. Getuige [getuige 1] is in totaal vier gehoord: één keer door de Spaanse politie, twee keer door de politie in Nederland en één keer door de rechter-commissaris. Op 20 juli 2021 heeft [getuige 1] bij de Spaanse politie een verklaring afgelegd. Deze verklaring houdt – voor zover hier relevant – in: Dat de declarante ter hoogte van de [locatie 3] iets zag wat leek op het begin van een gevecht midden op de openbare weg, aangezien een groep van ongeveer tíen of vijftien jongeren minimaal drie andere jongeren aan het achtervolgen en aanvallen was door middel van stompen en schoppen. De declarante zag dat een van de jongens (het hof begrijpt: [slachtoffer] ) die aangevallen werd op de grond viel nadat hij verschillende stompen had gekregen en dat, toen hij al op de grond lag, de geweldplegers, minimaal drie personen, hem tegen het hoofd schopten, waarop deze jongen bewusteloos op de grond bleef liggen ter hoogte van de bar " [locatie 3] ". De declarante denkt zich te herinneren dat deze jongens, de geweldplegers, na de geweldpleging naar een andere jongen (het hof begrijpt: [benadeelde 2] ) gingen die verderop werd aangevallen door andere jongeren en die ze bleven aanvallen tot deze jongen ook op de grond bleef liggen en daarna verliet deze groep jongeren snel de plek. De declarante weet dat de daders en slachtoffers van Nederlandse afkomst waren omdat zij hen hoorde schreeuwen voor en tijdens het gevecht. De beschrijving van de geweldplegers die zij kan aandragen is dat het, zoals gezegd, een groep Nederlanders is bestaande uit ongeveer 10-15 jongeren. Zij denkt dat zij enkele van hen zou kunnen herkennen als zij hen opnieuw zou zien en zij gaat over tot het geven van de beschrijving van drie van wie zij zich herinnert: 1.- Een jonge man van tussen de 19-20 jaar oud, met een lengte van ongeveer 180 cm, slank postuur, kort zwart haar en mogelijk gekleed in een donker shirt, maar dat kan ze niet nader omschrijven. 2.-Een ander was een jongen van ongeveer 20 jaar, iets kleiner dan de vorige, ongeveer 170 cm lang, en met slank postuur, kort blond haar; ze herinnert zich niet meer hoe hij gekleed ging. 3.- En de laatste van de jongens die de aanval deed op de groep van drie zal 20-21 jaar oud geweest zijn, ongeveer 180 cm lang, met slank postuur, kort donkerzwart haar en gekleed ín een zwart shirt en korte spijkerbroek; Op de groepsfoto van de verdachten herkent declarante zonder enige twijfel drie van de jongens die staan afgebeeld en die zij eerder heeft beschreven; zij omcirkelt elk van hen en nummert ze van 1 tot 3, zij bevestigt dat deze drie personen, minímaal, de jongen hebben geslagen die op de grond lag ter hoogte van de bar " [locatie 3] " en hem aanvielen door hem te stompen en te schoppen, vooral de jongen die zij aanduidt met het nummer 1, van wíe de declarante duidelijk zag hoe hij het slachtoffer schoppen tegen het hoofd gaf. Niet ter discussie staat dat [getuige 1] op de foto verdachte (nummer 1), medeverdachte [medeverdachte 6] (nummer 2) en een onbekende jongen (nummer 3) heeft aangewezen. Op 7 augustus 2021 wordt [getuige 1] door de Nederlandse politie gehoord. Zij vertelt dan dat ze bij de Spaanse politie is vergeten te zeggen dat ze nog met één van de slachtoffers heeft gesproken, voor het gevecht begon. Vervolgens verklaart [getuige 1] onder meer: Toen hoorde ik opeens echt super hard geschreeuw achter me en toen keek ik zo om, en toen renden er drie jongens echt zo die kant op en een hele grote groep kwam er achteraan rennen, en toen in één keer werd aan de rechterkant van mij een jongen dus helemaal in elkaar geslagen, dat is dus die [slachtoffer] geweest denk ik want hij had ook helemaal bloed om zijn hoofd uiteindelijk en op de grond, maar hij was helemaal in elkaar geslagen en daar werd een jongen in elkaar geslagen en aan de overkant van de straat werd een jongen in elkaar geslagen, dus bij de boulevard zeg maar. Dus op drie verschillende plekken eigenlijk. En ik stond dus hier bij dus ik heb eigenlijk dit het beste gezien, dus die andere twee heb ik wel meegekregen maar niet echt van dichtbij meegemaakt of zo, dus toen ik hier stond toen werd hij helemaal in elkaar geslagen, toen viel hij ook op de grond, toen hebben dus wel een paar jongens nog een kopschop zeg maar achteraf tegen z'n hoofd aan getrapt, en toen zeg maar overal dat gevechtje klaar was, toen rende iedereen gewoon weg, van die jongens van die hele grote groep, die renden allemaal weg, die vluchtten. Het ging eigenlijk gewoon heel erg snel, toen heb ik me eigenlijk vooral dus gefocust op de jongen dus rechts van mij, want dat was het dichtstbijzijnde dus daar schrok ik eigenlijk gewoon het meeste van, die jongen kreeg gewoon al heel snel een aantal klappen, waardoor hij op de grond viel, en toen hij op de grond viel, is er nog gewoon een paar keer tegen zijn lichaam aan getrapt, tegen z'n hoofd aangetrapt, en toen die jongens weg renden ja ik weet niet waar ze naartoe renden, maar die renden toen allemaal weg, en ik weet trouwens ook dat tegen deze jongen ook is aan getrapt, en dat die jongen die toen daar tegenaan heeft getrapt ook is weggerend maar niet die kant op maar juist deze kant op, dat weet ik ook nog. Want die zag ik echt zo langs mij rennen zeg maar. En van dit gevecht heb ik eigenlijk helemaal niks gezien. Alleen dus dat die jongen was opgestaan en hierheen rende. Toen hij weer bij bewustzijn was. Volgens mij waren ze alle drie wel gewoon echt weg. Als in gewoon knock out. V: En hij werd eerst geslagen en toen hij lag werd er op zijn hoofd getrapt. En was dat door meerdere jongens? A: Ja voor m'n gevoel waren er twee jongens die trapten maar er stonden er wel meer omheen, maar ja wie nou allemaal precies hebben getrapt, dat durf ik niet echt te zeggen. Maar ik heb wel het idee dat die twee jongens die daarbij stonden dat zij allebei hebben getrapt. En de andere jongens die hadden geslagen. Een stuk of vier of zo. Zeg maar er waren gewoon een aantal jongens die gewoon met vuisten zo in zijn gezicht gingen zo, en toen NTV op de grond met zijn lichaam met z'n hoofd NTV op de grond en toen gingen die andere jongens gewoon nog een paar keer tegen hem aan trappen. Dus ik heb het wel gezien dat er werd geschopt maar ja wie nou precies heeft geschopt, NTV één jongen die gewoon heel erg opviel dat was een lange jongen, hij was wat magerder hij was licht getint, voor m'n gevoel, ja iets donkerder qua huidskleur dan de anderen, en hij was volgens mij wel het meest agressief. Ja, ik vind het eigenlijk moeilijk om te zeggen wie nou precies heeft geslagen wie nou precies heeft geschopt. V: En vielen ze deze jongen als eerste aan? A: Weet ik eerlijk gezegd niet. Want toen hij in elkaar werd geslagen heb ik eigenlijk niet echt gekeken op dat moment naar die andere twee jongens, dat kwam eigenlijk pas later toen zag ik dat hun ook helemaal in elkaar waren geslagen maar ik weet dus niet zeg maar wie er als eerste, weet ik niet. V: Die derde jongen die lag al op de grond. A: Ja toen ik keek lag hij al op de grond, dus ik heb zeg maar niet gezien dat hij in elkaar werd geslagen en op de grond is gevallen. Dat heb ik gewoon gemist. Dus ik heb alleen gezien dat hij op de grond lag, gewoon ja zo op z'n zijkant zeg maar, en dat die jongen dus een trap gaf, echt op zo'n voetbal manier. De jongen die schopte was gewoon lang en mager, een tengere jongen zeg maar. En hij had gewoon kort donker haar. Had volgens mij ook een lange broek aan trouwens. Nadat het filmpje is getoond waarop te zien is dat [benadeelde 2] op de grond ligt verklaart [getuige 1] : Volgens mij heb ik dit stukje gezien, hij is die trapper denk ik, dit is die lange jongen, o hij heeft helemaal geen lange broek aan, dat dacht ik, maar dit is dus de lange jongen die heel dun was met die korte zwarte haren. Die die voetbaltrap (het hof begrijpt: tegen [benadeelde 2] ) gaf wat ik uitlegde, dat is volgens mij dit. O mijn god dit heb ik ook echt gezien. Die jongen met het zwarte shirt met gele bedrukking heb ik niks meer zien doen. Ik heb hem alleen maar bij die jongen (het hof begrijpt: [benadeelde 2] ) toen ik daar naar keek zag ik dat hij een voetbaltrap gaf en dat hij toen daarna wegging. Maar als die jongen licht getint is, zeg maar ik weet niet of hij dat is, maar als hij een licht getinte huid heeft, dan heeft hij ook bij dat andere gevecht hem (het hof begrijpt: [slachtoffer] ) getrapt, want daar was ik bij zeg maar. Zeg maar waar ik dus stond bij die jongen die bij mij lag, hij was ook getrapt door een jongen, zeg maar dat groepje wat erbij stond, dat was ook een lange jongen met donker haar, en heel mager en hij was licht getint. V: Dus als hij licht getint is, was hij ook betrokken bij die jongen waar jij bij was. A: Maar ja ik weet dat dus niet want ik weet niet of die andere jongen met die gele bedrukking zeg maar of hij dat is. Want dat was gewoon veel te ver weg, ik zag dat gewoon niet. Ik weet ook wel dat een aantal jongens gewoon wisselend daar hebben gevochten, toen hier naartoe zijn gegaan daar hebben gevochten, dat ze zeg maar overal een beetje elkaars vrienden gingen helpen met vechten, dus ik weet niet of het zo is, maar het zou goed kunnen dat hij eerst bijvoorbeeld hier heeft gevochten en naderhand daar is heen gegaan en ook een trap heeft gegeven bijvoorbeeld. Maar ja dat weet ik dus niet maar dat zou kunnen. Op 16 augustus 2021 wordt [getuige 1] nog een keer door de politie gehoord. Zij verklaart dan (onder meer) het volgende: Ik hoorde super hard geschreeuw, dus ik keek om. Op dat moment zag ik gewoon dat één jongen zo hier stond en die andere jongens er echt zo helemaal omheen stonden, dus ik zag echt niet echt zo, het ging ook super snel, het was gewoon echt boem, boem, boem, boem, boem en toen lag hij (het hof begrijpt: [slachtoffer] ) al op de grond. Hij viel naar achter. Hij werd vol op zijn gezicht geslagen. Voor mijn gevoel gingen er toen een paar jongens weg. Toen hij op de grond lag werd hij nog en paar keer getrapt. V2: En wie van die zeg ongeveer drie die er nog waren deden dat? G: stilte V2: Misschien heb je gezien dat er meerdere mensen? V1: Jij zegt dat hij een aantal keer geslagen werd, maar waar werd hij dan geslagen? G: Ja, dat weet ik niet echt want zeg maar als dit die jongen was, dan waren dit die andere jongens. Snap je? Dus die waren ook gewoon, ik stond hier. lk zag het wel gebeuren dat er een vuist naar zijn hoofd ging zeg maar. Waar op zijn lichaam? Hoog. Maar op zijn neus of op zijn voorhoofd, dat weet ik niet. Maar wel hoog op zijn lichaam zeg maar, dus wel gewoon op zijn gezicht, maar waar precies, op z'n ogen, op z'n neus, op z'n mond, dat weet ik niet. V1: En hoe zou je die jongens kunnen omschrijven die dat deden? G: Eén jongen die was een lange jongen, was best wel mager, hij was gewoon lang en slank, volgens mij donker haar, hij was licht getint, want ja, uh, is lullig om te zeggen maar dat herinner ik me gewoon nog goed zeg maar, omdat hij gewoon opviel en er was een andere jongen bij die kan ik me ook nog wel goed herinneren omdat hij best wel een apart gezicht had. Hij had een beetje zo van die wenkbrauwen die dichter op z'n ogen liggen. De getinte jongen had volgens mij een korte blauwe spijkerbroek aan. Volgens mij had hij een zwart shirt aan, of was dat die jongen met die gele bedrukking? Er was één jongen bij, hij had een zwart shirt met gele bedrukking. Maar ik weet nou niet of hij dat is. Maar dat denk ik eigenlijk wel, anders herinner ik het mij niet zo. Maar er was één jongen bij, hij was lang en slank, hij had ook best wel een bruine huidskleur en hij had ook donker haar en een korte spijkerbroek aan en een zwart shirt met een gele bedrukking. V1: En deze jongens die je net beschreef hè, sloegen die [slachtoffer] ? G: Hmm, hmm (als bevestiging bedoelt). En die ander jongen, die wat langere, die magere, hij stond er ook nog bij toen hij werd getrapt. Dat ging heel snel hoor. Hij werd een paar keer getrapt door de mensen die er toen nog stonden. V1: Hoe ging dat? Hoe ging dat trappen? G: Ja, hij lag dus met zijn gezicht richting het strand. Dus ik stond vanaf de andere kant. Vanaf zijn rug zeg maar, dus ik heb ook niet gezien waar ze hem precies hebben getrapt als in op z'n hoofd of op z'n buik ja, dat heb ik niet echt gezien want ik stond aan de kant van zijn rug en de jongens stonden aan de kant van zijn gezicht. Dus ik heb wel gezien dat ze een paar bewegingen maakten om te trappen en dat ze naderhand allemaal wegrenden, maar waar ze nou bijvoorbeeld precies hebben getrapt dat weet ik niet. V1: En, wie trapten hem? G: stilte G: Volgens mij stonden er nog drie jongens en hebben zij ook alle drie getrapt. Want ja, voor mijn gevoel waren ze alle drie aan het bewegen. Ja ze maakten alle drie bewegingen zeg maar en .... Volgens mij hebben ze alle drie getrapt. Maar ik heb dat niet vanuit die kant gezien zeg maar. Dus dat vind ik dan wel moeilijk om te zeggen, want ik stond natuurlijk aan deze kant. Ze trapten richting zijn bovenlichaam zeg maar, niet op zijn enkels of zijn benen of zijn bovenbenen of zo. Vanaf hier naar boven denk ik, maar waar precies weet ik niet. V1: Vanaf de navel naar boven zeg maar? A: Ja, sowieso, want ze stonden al, volgens mij stonden ze op de helft van zijn lichaam. Snap je wel? Dus als je dan trapt en dat was richting zijn hoofd, want dat lag aan die kant en ze trapten, ze stonden gewoon zo, naar die kant gericht zeg maar, dus wel op het bovenlichaam getrapt. V1: Hoe zagen die jongens er uit? Zou je die nog kunnen omschrijven? G: Ja, volgens mij was één van die drie jongens die daar bij stond, was dus die lange licht getinte jongen met dat zwarte shirt aan en die gele bedrukking. Die andere twee jongens durf ik echt niet te zeggen. Weet ik echt niet. V1: Wat deden de jongens nadat ze [slachtoffer] getrapt hadden? G:Wegrennen! Ik weet niet waar heen, voor mijn gevoel echt verspreid. V2: En wat heb jij gezien van het geweld dat werd uitgeoefend op die andere jongen (het hof begrijpt: [benadeelde 2] )? G: Toen ik zeg maar die kant op keek, lag hij al op de grond, dus ik heb niet gezien dat hij in elkaar werd geslagen. Maar het enige wat ik heb gezien, is dat hij echt een super harde trap kreeg. Echt op zo'n manier dat je een voetbal wegtrapt zeg maar, richting uhh... Weet je, als je op het voetbalveld staat ... ntv.. uithaalt naar zo'n voetbal. Op zo'n manier kreeg hij een trap van een jongen. Ik zag niet waar hij geraakt werd. V2: Kan je net als bij [slachtoffer] daarnet een inschatting geven van waar ongeveer? G: Stilte. V2: Als je het niet weet, moet je het ook zeggen. G: Ja, weet ik niet, want ik stond, zeg maar wel aan de andere kant weet je wel. lk heb het gezien vanaf een afstand dat hij één zo'n hele grote trap kreeg en toen rende die jongen naderhand weg. lk heb wel gezien dat hij wegrende, maar een beetje raar, dit gaat zo niet kloppen, maar voor mijn gevoel was dat dezelfde jongen als die hier zo ook bij stond. Ook zo'n lange getinte jongen weer met dat zwarte met die gele bedrukking. lk had het idee dat het diezelfde jongen was, maar dat was natuurlijk heel raar, maar misschien is hij gerend of zo om hun te gaan helpen. Maar in ieder geval, voor mijn gevoel die jongen die hier trapte was ook die lange slungelige jongen met die korte spijkerbroek aan zwart shirt en gele opdruk. Omdat, zijn shirt viel op. Dus ik stond aan deze kant en het viel gewoon op zeg maar. V2: Waren er nog andere mensen bij toen die voetbaltrap werd uitgedeeld? G: Nee, volgens mij niet. Hij was toen echt in z'n eentje gewoon toen hij.... Hij gaf die trap zeg maar en daar was echt niemand anders bij. Hij was echt alleen. V1: Wat heb je op internet of tv gezien van dit gebeuren? G: lk heb de vorige keer met de politieman filmpjes gekeken. lk heb zelf expres geen filmpjes gekeken op internet, want dat wilde ik eigenlijk niet. Toen waren er twee meisjes, ik was nog aan het werk op dat moment op Mallorca. En toen zat ik in de stadsbus om hun naar de luchthaven te brengen en toen waren er twee meisjes en die hadden een filmpje op hun telefoon en dat filmpje hebben ze aan mij laten zien, maar... ik was toen, ik was die dagen zo verdrietig dat ik het eigenlijk niet echt wilde zien zeg maar. lk had er echt een beetje een afkeer voor omdat ik zo boos was om het feit dat het eigenlijk was gebeurd. Dus ze hebben dat filmpje wel laten zien, maar dat was één waas en de vorige keer heb ik met die man gezeten van de politie en toen hebben we twee filmpjes bekeken? Ik weet niet welk filmpje ik in de bus heb gezien, ik keek wel zo half, want ik was op dat moment aan het werk. Wat ik heb verklaard over de jongen met het zwarte shirt en de gele opdruk heb ik wel echt uit eigen herinnering. En naderhand zag ik dat filmpje en toen zag ik dus, ja niet dat hij trapte, maar wel dat hij in beeld was en toen, herinner, weet je wel, toen bevestigde het dat (…) Dat bevestigde wel mijn ding. In Spanje heb ik in het begin een algemeen verhaal verteld wat er was gebeurd, en toen vroegen ze herken je nog jongens en toen zei ik ja, ja, ik denk het wel en toen zei ook, ben je dan in staat zeg maar om foto's te zien en ze dan te herkennen? Toen zei ik ja, ik wil het wel proberen. Maar ik heb wel eerst een verhaal verteld. Uit mezelf. U toont mij de groepsfoto van de jongens op het terras. Deze foto heb ik ook in Spanje gezien. Toen was de foto minder donker en een stuk duidelijker. Nummer vijf (het hof begrijpt: medeverdachte [medeverdachte 6] ) is die jongen met die wenkbrauwen die zo laag hangen. Nummer vier (het hof begrijpt: verdachte) is die jongen die een trap gaf. Ik bedoel met die trap die voetbaltrap. Maar voor mijn gevoel zat hij ook aan deze kant erbij. Ik vind het moeilijk om uhh. U vraagt hoe de schopbewegingen bij [slachtoffer] eruit zagen. Ook wel hard, maar niet op een voetbal manier. Omdat zij denk ik gewoon dichter bij zijn lichaam stonden. Bij die andere jongen, hij stond er gewoon iets verder van hem af, waardoor hij die grotere beweging kon maken. Op 11 januari 2022, een half jaar na het geweldsincident, is [getuige 1] door de rechter-commissaris gehoord, met name over de verklaring die zij in Spanje heeft afgelegd. In het proces-verbaal van dat verhoor valt het volgende te lezen. [getuige 1] geeft aan dat zij in Spanje één keer met de politie heeft gesproken. Dit verhoor vond plaats in het Engels, wat ze goed beheerst. Als zij niet wist hoe zij een woord moest vertalen dan hielp haar baas [benadeelde 10] haar. [getuige 1] weet niet of zij voorafgaand aan het afleggen van de verklaring in Spanje foto’s of video’s die betrekking hadden op het incident heeft gezien. Tijdens het verhoor is aan haar een groepsfoto getoond. Op de groepsfoto moest ze omcirkelen wie ze herkende. Vervolgens zijn ook zes of zeven screenshots van Instagramaccounts getoond en werd gevraagd of ze mensen herkende. Deze personen heeft ze dingen bij [slachtoffer] zien doen. Bij de politie in Nederland heeft ze ook filmpjes gezien. Voor het tweede verhoor had [getuige 1] alles, de foto met de jongens aan tafel, de screenshots en de drie filmpjes gezien. [getuige 1] had die bewuste avond op Mallorca één consumptie gedronken. Over [slachtoffer] vertelt [getuige 1] bij de rechter-commissaris, dat een groepje jongens met hem in gevecht ging. Hij werd geslagen, vol in zijn gezicht. Ze weet niet door hoeveel jongens hij werd geslagen. Daarna viel hij op de grond. Over het trappen tegen [slachtoffer] verklaart [getuige 1] : Hetzelfde groepje jongens trapte tegen hem aan, met hun voeten tegen het lichaam en het hoofd van de jongen die op de grond lag. Het gebeurde mega, mega snel. Het was in een fractie van een seconde. Hij lag al op de grond. Hij lag op de grond en ze trapten hem gelijk. Van de jongens die trapten, trapte een iemand eigenlijk alleen maar tegen zijn hoofd aan. Dat kon ik het beste zien. [slachtoffer] lag op zijn linkerkant op zijn zij. Ik zag zijn rug. Ik kon niet zien waar zij hem raakten, want zijn lichaam lag ervoor. Ik kon zien dat zijn hoofd werd geraakt, omdat dat gedeelte lager is. Eén jongen heeft hem tegen zijn hoofd getrapt. Een aantal jongens renden vervolgens weg naar twee plekken waar ook werd gevochten. Er rende ook nog iemand een steegje in. Ik heb op drie plekken gevechten gezien. Verder verklaart [getuige 1] verderop in het verhoor: Het waren drie of vier mensen die [slachtoffer] trapten. Alle jongens die bij hem stonden, trapten hem. Ik heb gezien dat een jongen specifiek tegen zijn hoofd trapte, maar de rest trapte ook. De jongen die [slachtoffer] tegen het hoofd trapte was lang en mager. Hij was een beetje getint en had donker haar. De man die tegen het hoofd aantrapte stond met zijn gezicht naar mij. Ik zag dat de voet het hoofd raakte. Ik heb bij het tweede incident ook een jongen op de grond zien liggen. Daar was ook een lange, licht getinte jongen met donker haar. Hij trapte die andere jongen. Ik weet niet of dat dezelfde jongen was die ik bij het eerste incident heb gezien. Op de vraag of er opvallende uiterlijke kenmerken aan deze persoon waren antwoordt [getuige 1] dat zij niet meer weet te benoemen dan dat het ging om een lange, magere jongen, een beetje getint en met donkere haren. Op de vraag of er bij [getuige 1] twijfel bestaat over hoe het toen is gegaan antwoordt zij dat het super, supersnel ging. Zij kan niet precies zeggen wie waar heeft getrapt. [getuige 1] vervolgt: Ik heb sowieso gezien dat één met zijn vuist op het hoofd heeft geslagen. Ik weet dat hij is geslagen, maar het ging op dat moment ontzettend snel. Het is heel moeilijk om dat te beschrijven. Dat is met het trappen hetzelfde. Op de vraag of [getuige 1] weet wanneer zij het signalement (lange, licht getinte jongen) voor het eerst heeft besproken antwoordt zij: Volgens mij bij de politie op Mallorca op de foto die was geprint en dat ik mensen moest omcirkelen. Toen heb ik er voor het eerst over gepraat. Het signalement heb ik gegeven voor het tonen van de foto. Tijdens het verhoor bij de Spaanse politie lag de groepsfoto voor mij op tafel. Als aan [getuige 1] wordt gevraagd of zij filmpjes heeft gezien toen zij mensen terugbracht naar de luchthaven zegt zij eerst dat zij deze niet heeft gezien, ook niet in de bus. Na het voorhouden van haar verklaring hierover bij de politie herinnert [getuige 1] zich weer dat zij in de bus filmpjes heeft gezien. Het hof overweegt hierover het volgende. De verdediging heeft aangevoerd dat de getuigenverklaringen van [getuige 1] inconsistent en op cruciale onderdelen innerlijk tegenstrijdig zijn. Daarom moeten zij als onbetrouwbaar worden gekwalificeerd en kunnen zij niet voor het bewijs worden gebruikt. Dat komt door de wijze van totstandkoming van die verklaringen, in ieder geval ten aanzien van de gegeven signalementen, aldus de verdediging. Op initiatief en verzoek van de verdediging van verdachte en medeverdachte [medeverdachte 6] heeft prof. dr. P.J. van Koppen, rechtspsycholoog, zich over de verklaringen van [getuige 1] gebogen. Dit heeft geresulteerd in twee rapporten van respectievelijk 31 augustus 2022 en 13 december 2023. Het hof overweegt dat de expertise van Van Koppen bij uitstek is toegespitst op het terrein van de – (uiteindelijk) door het hof – te maken beoordeling omtrent de betrouwbaarheid van de genoemde verklaringen. Het hof zal – gelet op zijn expertise en ervaring – de beschouwingen van Van Koppen bij zijn beoordeling van de betrouwbaarheid van de verklaringen van [getuige 1] betrekken. Bij de beoordeling van de betrouwbaarheid van verklaringen is van belang of hetgeen is verklaard steun vindt in – zo te noemen – objectieve feitelijke gegevens, of de verklaring ‘uit zichzelf’ (dat wil zeggen, zonder wetenschap vooraf van hetgeen uit het onderzoek al naar voren is gekomen) is afgelegd, of de verklaring (op onderdelen) steeds consistent is en of onderdelen van de verklaring zich verdragen met andere in het onderzoek naar voren gekomen gegevens. Daarnaast kan de complexiteit van het feit waarover is verklaard bij de beoordeling een rol spelen. Ook moet worden gekeken naar de wijze waarop de verklaringen tot stand zijn gekomen. Vooropgesteld wordt dat er geen aanleiding is om aan te nemen dat getuige [getuige 1] in het voor- of nadeel van verdachte(
  17. n)of aangever(
  18. s)zou (willen) verklaren. [getuige 1] kent geen van deze personen en is in die zin een objectieve getuige te noemen. Het hof stelt ook vast dat getuige [getuige 1] – vooral bij de politie in Nederland – zeer gedetailleerde verklaringen heeft afgelegd die op verschillende punten, bijvoorbeeld het verloop van het geweld en het schoppende geweld tegen [benadeelde 2] , bevestiging vinden in ander bewijs, zoals de verklaringen van andere getuigen, de verklaringen van verdachte en medeverdachten en de camerabeelden. Dat een verklaring op onderdelen betrouwbaar kan worden geacht betekent niet dat die verklaring geen onjuistheden kan bevatten. Nu voor de mogelijke betrokkenheid van verdachte en zijn rol bij het geweld tegen [slachtoffer] de door [getuige 1] afgelegde verklaringen over door haar waargenomen geweldshandelingen, het daarbij gegeven signalement en de fotoherkenning, van mogelijk doorslaggevend belang zijn zal het hof nader ingaan op wat [getuige 1] hierover heeft verklaard en zal het hof toetsen of haar verklaringen op die onderdelen betrouwbaar zijn. Verklaring in Spanje Op 20 juli 2021 wordt [getuige 1] op Mallorca door de Spaanse politie gehoord. Niet ter discussie staat dat de wijze waarop dit verhoor is afgenomen niet voldoet aan de (huidige) normen voor een politieverhoor in Nederland. Uit de verklaringen van [getuige 1] bij de Spaanse politie en de verklaring van [verbalisant 1] , inspecteur/chef bij de politie, destijds hoofd van de afdeling ‘moord’ en onderzoeksleider, bij de raadsheer-commissaris op 11 september 2023 volgt dat [getuige 1] met behulp van een ‘stagiairetolk’ Spaans-Engels in de Engelse taal is gehoord. Er is daarnaast geen gebruik gemaakt van een tolk Nederlands(-Engels). Bovendien is gewerkt met een ‘stagiairetolk’, dat wil zeggen een student die aan de Universiteit (naar het hof begrijpt) de Engelse taal studeerde. In tegenstelling tot de tolken in Nederland zijn deze studenten niet gekwalificeerd of beëdigd. Of en in hoeverre kwaliteitseisen aan de ‘stagiairetolk’ worden gesteld is onbekend. Verder constateert het hof dat de verklaring van [getuige 1] bij de Spaanse politie slechts drie pagina’s (inclusief veel witregels) omvat. In het proces-verbaal zijn de vragen en antwoorden niet weergegeven. Uit de verklaring van getuige [verbalisant 1] bij de raadsheer-commissaris volgt dat volgens de standaardwerkwijze een relaas is opgemaakt van hetgeen [getuige 1] heeft verteld en dat er geen opnames van het verhoor zijn gemaakt. Op de vraag of letterlijk wordt opgeschreven hoe het gesprek is gegaan met de onduidelijkheden en herformuleringen erin antwoordt [verbalisant 1] : Wij schrijven de eerste en ook de tweede vraag niet op. Als iets niet duidelijk is, stellen we de vraag iets anders, maar we schrijven niet op als iets niet direct werd begrepen. Wij schrijven uiteindelijk het relaas op zonder de gestelde vragen. Op de vervolgvraag: stel dat de getuige zou hebben gezegd ‘Ik zag een rode auto’ en hij zegt daarna ‘Oh nee, ik zag een blauwe auto rijden richting [locatie 3] ’. Noteert u dan alleen: ‘Ik zag dat de getuige zegt dat hij een blauwe auto zag rijden richting [locatie 3] ’?, antwoordt getuige [verbalisant 1] : Ja. Dat geen gebruik is gemaakt van een tolk Nederlands, dat onduidelijk is – en bovendien niet kan worden gecontroleerd – wat de kwaliteit van de vertolking is geweest en dat daarnaast sprake is van een samenvatting waarin bovendien correcties niet worden weergegeven kan van invloed zijn geweest op de weergave van de door [getuige 1] afgelegde verklaring in het proces-verbaal. Dit maakt dat het hof terughoudend zal omgaan met de verklaring van [getuige 1] bij de Spaanse politie. Nu de fotoherkenning deel uitmaakt van deze verklaring zal het hof ook ten aanzien van deze herkenning de nodige terughoudendheid betrachten, waarover verderop meer. Twijfel versus stelligheid Wat opvalt is dat [getuige 1] tijdens al haar verhoren - in het bijzonder die bij de Nederlandse politie, als zij verklaart over het geweld tegen [slachtoffer] en/of de geweldplegers - vaak woorden gebruikt als ‘volgens mij’, ‘denk ik’, ‘voor mijn gevoel’ en ‘ik heb wel het idee’. Soms zegt [getuige 1] ook ronduit: ‘ik weet het niet’ en ‘ik durf dat niet echt te zeggen’. Dat [getuige 1] op onderdelen niet zeker is over wat zij heeft waargenomen is heel goed voorstelbaar gelet op omstandigheden waaronder zij haar waarnemingen heeft moeten doen. Zoals Van Koppen in zijn rapporten ook schrijft: haar is gevraagd om precies verslag te doen van een uiterst chaotische situatie, veel preciezer dan de menselijke waarneming en de menselijke herinnering in een dergelijke situatie toelaat. Hoewel twijfel of onzekerheid een verklaring niet onbetrouwbaar maken, integendeel, maakt dit wel dat het [benadeelde 8] voor die onderdelen extra oplettend moet zijn. Dit geldt overigens ook voor ogenschijnlijke stelligheid in bijvoorbeeld de Spaanse verklaring. Gelet op de hiervoor geschetste wijze van verhoor en verslaglegging in Spanje is het evenwel heel goed mogelijk dat [getuige 1] tijdens dat verhoor op meer momenten dan is geverbaliseerd (al dan niet impliciet) heeft aangegeven niet zeker te zijn. Ook daar moet het [benadeelde 8] rekening mee houden. Verwarring Uit de verklaringen van [getuige 1] bij de politie en de rechter-commissaris volgt dat zij voorafgaand aan haar eerste verhoor ‘halfjes’ kennis heeft genomen van een filmpje van de gebeurtenissen bij de [locatie 3] . Niet duidelijk is om welk filmpje het gaat, maar uit het dossier blijkt dat op de avond van 14 juli 2021 al filmpjes circuleerden, waaronder het [bedrijf 1] -filmpje. Bovendien lag tijdens het verhoor bij de Spaanse politie de groepsfoto op tafel. Verder zijn tijdens het eerste politieverhoor van [getuige 1] in Nederland ook meerdere filmpjes van de geweldplegingen ter hoogte van de [locatie 3] getoond. Van Koppen schrijft hierover in zijn rapport van 13 december 2023 onder meer het volgende: In de psychologie wordt een drietal aspecten van verklaringen van getuigen en verdachten onderscheiden: de validiteit, de betrouwbaarheid en de geloofwaardigheid.(…) Over wat zij heeft waargenomen, is [getuige 1] uitermate onzeker. (…) Dat kan haar overigens niet worden verweten en evenmin ligt dat aan de kwaliteit van [getuige 1] als getuige. (…) Getuigen die een dergelijke gewelddadige situatie hebben meegemaakt, plegen daarover na te denken, met anderen te spreken en aandacht te geven aan andere bronnen van informatie. Dat geldt des te meer als de situatie onhelder is, zoals in het geval van de gebeurtenissen op Mallorca evident het geval was. De menselijke herinnering is erop gericht om kennis te hebben over de buitenwereld zodat daarmee adequaat kan worden omgegaan. Van minder belang is hoe men precies aan die informatie is gekomen. Dat kan leiden tot bronverwarring. Bronverwarring houdt in dat men informatie heeft over een gebeurtenis maar niet meer kan reproduceren hoe men aan die informatie is gekomen. Men kan wat dat betreft een versterkt effect verwachten bij een situatie met twee relevante aspecten: namelijk waarin de oorspronkelijke waarneming van de getuige onzeker is en waarin op de getuige veel informatie van buiten afkomt. Dat is in casu bij uitstek het geval. Voor [getuige 1] was de waarneming uiterst onzeker, het eerste aspect. Dat is niet alleen inherent aan de chaotische situatie in de nacht van 13 op 14 juli 2021. Dat wordt in de verhoren van [getuige 1] ook voortdurend door haar uitgesproken. In het verhaal komen steeds onzekere kwalificaties voor – hoewel dat in de regel niet in de processen-verbaal is opgenomen – en wijzigt zij haar verhaal ook, vooral omdat zij er onzeker over is. Ook het tweede aspect is in ruime mate aanwezig. Er is veel publiciteit over de zaak geweest, er zijn filmopnames van de gebeurtenissen op internet gepubliceerd en [getuige 1] is herhaaldelijk ondervraagd. Als vaststaat op welke momenten de getuige uit verschillende bronnen informatie heeft gekregen, kan nog niet worden vastgesteld welke bron van invloed is geweest op de informatie in het geheugen van de getuige. Soms is het mogelijk om vast te stellen dat bepaalde informatie slechts uit een bepaalde bron afkomstig is – bijvoorbeeld op grond van de inhoud van de informatie – maar vaak is dat niet het geval. Men kan dan slechts vaststellen dat niet kan worden uitgesloten dat een bron van invloed is geweest op het geheugen van de getuige. (…) Als [getuige 1] voordien opnames zag, kan dat van majeure invloed zijn geweest op haar waarneming. Hoe groot kan moeilijk worden vastgesteld, ook niet door de getuige ernaar te vragen. (…) Zo nam zij in het verhoor in Nederland uit de filmopnames de informatie over dat een van de jongens een donker shirt met gele opdruk had. Nogmaals: dat kan [getuige 1] niet worden verweten, want het is een algemene menselijke eigenschap om kennis uit verschillende bronnen in ons geheugen te incorporeren. (…) De opeenvolgende verklaringen van [getuige 1] kunnen dan ook niet worden gezien als verduidelijkingen van wat zij eerder vertelde. Daarbij komt dat er in het algemeen tussen eerdere en latere verklaringen ook een rol speelt dat de getuige steeds meer informatie krijgt uit andere bronnen dan het eigen geheugen. Dat zorgt er mede voor dat verklaringen in latere verhoren in het algemeen minder valide en betrouwbaar zijn dan eerdere verklaringen van een getuige. Nu het naar het oordeel van het hof niet ondenkbaar is dat getuige [getuige 1] voorafgaand aan haar eerste verhoor een filmpje en/of de groepsfoto heeft gezien, en het bovendien vaststaat dat zij tijdens haar tweede verhoor filmpjes heeft gezien, kan niet worden uitgesloten dat dit van invloed is geweest op de informatie in haar geheugen. In aanvulling hierop overweegt het hof dat [getuige 1] getuige is geweest van zowel het geweld tegen [slachtoffer] als het geweld tegen [benadeelde 2] en in beperkte mate ook het geweld tegen [benadeelde 3] . Uit het dossier volgt dat het geweld tegen [slachtoffer] en [benadeelde 2] , dat elkaar snel opvolgde, vergelijkbaar is geweest. In beide situaties gaat het om een aanval door meerdere jongens (uit dezelfde groep) waardoor [slachtoffer] en [benadeelde 2] op de grond terechtkomen en daarna tegen het hoofd worden geschopt. Dit maakt dat – gelet op de uiterst chaotische situatie, de veelheid aan gebeurtenissen en personen – rekening moet worden gehouden met de mogelijkheid van (persoons)verwarring en vermenging van de gebeurtenissen. In het bijzonder ook nu, zoals hiervoor is besproken, [getuige 1] voorafgaand aan haar eerste verklaring mogelijk een filmpje heeft gezien met daarop het geweld tegen [benadeelde 2] door verdachte. Het voorgaande maakt dat het hof bij de beoordeling van de betrouwbaarheid van de verklaringen van [getuige 1] ten aanzien van het signalement en de herkenning van verdachte rekening houdt met de mogelijkheid dat haar geheugen is beïnvloed door bijvoorbeeld het zien van filmpjes of het verwarren van gebeurtenissen. Consistentie Het hof constateert dat de verklaringen van getuige [getuige 1] verschillende inconsistenties bevatten. Ten aanzien van de door getuige [getuige 1] beschreven geweldshandelingen tegen [slachtoffer] overweegt het hof in het bijzonder het volgende. Uit de hiervoor weergegeven verklaringen van [getuige 1] volgt dat zij – in de kern – telkens heeft verklaard over het stompen tegen het lichaam en hoofd van [slachtoffer] , waardoor hij viel en vervolgens werd getrapt. Als het hof heel precies nagaat wat [getuige 1] over het schoppen heeft verklaard constateert het hof dat zij wisselend heeft verklaard over het aantal jongens dat [slachtoffer] heeft geschopt, over het aantal schoppen dat is gegeven en over de vraag of zij heeft gezien dat tegen het hoofd van [slachtoffer] is geschopt en, zo ja hoe vaak, is geschopt. Tegenover een (op papier) zekere, maar summiere, verklaring van [getuige 1] bij de Spaanse politie staan veel minder zekere en bovendien afwijkende verklaringen bij de Nederlandse politie en de rechter-commissaris. Bij de rechter-commissaris zegt [getuige 1] over het gepleegde geweld zelf ook dat zij niet precies kan aangeven hoe het is gegaan, want het gebeurde ontzettend snel. Hiermee geeft zij (impliciet) aan dat zij twijfelt. Zij koppelt haar onzekerheid niet aan het tijdsverloop, maar aan de omstandigheden waaronder zij haar waarneming heeft gedaan. Het voorgaande brengt mee, ook rekening houdend met de beperkingen zoals eerder geschetst, dat het hof op grond van alleen de verklaringen van [getuige 1] niet met voldoende zekerheid kan vaststellen welke geweldshandelingen tegen het hoofd van [slachtoffer] zijn verricht. Ten aanzien van het signalement overweegt het hof het volgende. Uit het dossier volgt dat verdachte (op 14 juli 2021) kan worden omschreven als: een jonge man, 19 jaar oud, licht getint, kort zwart haar, slank postuur en gekleed in een zwart shirt met gele bedrukking op de voorkant en een korte broek. Tijdens het verhoor in Spanje geeft [getuige 1] drie signalementen van de geweldplegers, te weten: 1. Een jonge man van tussen de 19-20 jaar oud, met een lengte van ongeveer 180 cm, slank postuur, kort zwart haar en mogelijk gekleed in een donker shirt, maar dat kan ze niet nader omschrijven; hij is degene die het meest gewelddadig was aangezien hij behoorlijk veel schoppen tegen de twee op de grond liggende jongens had gegeven. 2. Een ander was een jongen van ongeveer 20 jaar, iets kleiner dan de vorige, ongeveer 170 cm lang, en met slank postuur, kort blond haar; ze herinnert zich niet meer hoe hij gekleed ging. 3. En de laatste van de jongens die de aanval deed op de groep van drie zal 20-21 jaar oud geweest zijn, ongeveer 180 cm lang, met slank postuur, kort donkerzwart haar en gekleed ín een zwart shirt en korte spijkerbroek. Vooropgesteld wordt dat het hof – zoals hiervoor overwogen – terughoudend omgaat met de in Spanje afgelegde verklaring. Daarbij merkt het hof op dat opvalt dat getuige [getuige 1] bij de Spaanse politie aangeeft dat persoon 1 mogelijk een donker shirt droeg en dat zij dit shirt niet nader kan omschrijven. Het hof constateert dat [getuige 1] tijdens het eerste verhoor bij de politie in Nederland – anders dan (kennelijk) bij de Spaanse politie – niet (meer) weet wie er heeft geschopt. [getuige 1] geeft tijdens dit verhoor dan ook geen signalement. Wel verklaart zij dat de jongen die haar opviel lang, wat magerder en voor haar gevoel licht getint was. [getuige 1] lijkt hiermee dezelfde persoon als beschreven bij de Spaanse politie onder 1 te bedoelen, maar voegt daar ‘lang’ en ‘licht getint’ aan toe. Na het bekijken van het [bedrijf 1] -filmpje denkt [getuige 1] dat de jongen met het zwarte shirt met gele bedrukking die [benadeelde 2] schopt dezelfde jongen is die [slachtoffer] heeft geschopt. Zij weet dit niet zeker omdat zij de jongen met de gele bedrukking (verder) niet zo goed heeft kunnen zien omdat het te ver weg was. [getuige 1] koppelt dus de jongen met de gele bedrukking aan het geweld tegen [benadeelde 2] maar geeft eveneens aan dat zij dat minder goed heeft gezien. Bij het tweede politieverhoor verklaart [getuige 1] dat zij heeft gezien dat (onder meer) de lange slanke jongen met best wel een bruine huidskleur, donker haar, korte spijkerbroek en een zwart shirt met een gele bedrukking met de vuist naar het hoofd van [slachtoffer] sloeg. Deze jongen stond er ook bij toen [slachtoffer] werd getrapt. Als vervolgens wordt gevraagd wie [slachtoffer] trapten volgt er een stilte. Vervolgens verklaart [getuige 1] dat er drie jongens stonden en dat zij alle drie hebben getrapt, ‘want ja ze maakten alle drie bewegingen en volgens mij hebben ze alle drie getrapt, maar ik heb dat niet vanuit die kant gezien zeg maar, dus ik vind dat moeilijk om te zeggen.’ Hier lijkt [getuige 1] te concluderen dat zij de jongens heeft zien trappen. Zeker is zij hierover allerminst. Ditzelfde gebeurt ook als [getuige 1] verder verklaart over het trappen. Zij verklaart dan dat de jongens richting het bovenlichaam trapten, maar waar precies weet zij niet. Dan verklaart zij vervolgens: ‘volgens mij stonden ze op de helft van zijn lichaam. Snap je wel? Dus als je dan trapt en dat was richting zijn hoofd, want dat lag aan die kant en ze trapten, ze stonden gewoon zo, naar die kant gericht zeg maar, dus wel op het bovenlichaam getrapt’. Ook hier lijkt [getuige 1] te concluderen dat richting het hoofd of (toch) bovenlichaam is getrapt. Als [getuige 1] vervolgens een omschrijving moet geven van de jongens verklaart zij: ‘ja, volgens mij was één van die drie jongens die daar bij stond, was dus die lange licht getinte jongen met dat zwarte shirt aan en die gele bedrukking. Die andere twee jongens durf ik echt niet te zeggen.’ Hier benoemt zij voor het eerst de gele bedrukking als kenmerk voor de persoon die [slachtoffer] heeft geschopt. Tot slot verklaart [getuige 1] bij de rechter-commissaris dat zij heeft gezien dat een lange, magere jongen tegen het hoofd van [slachtoffer] trapte. De jongen was een beetje getint en had donker haar. Op de vraag of er opvallende uiterlijke kenmerken aan deze persoon waren antwoordt [getuige 1] dat zij niet méér weet te benoemen. Wat opvalt is dat [getuige 1] hier (weer) niet verklaart over de gele bedrukking. Ook benoemt [getuige 1] opnieuw dat zij ook bij het tweede incident (het hof begrijpt: bij [benadeelde 2] ) een lange, licht getinte jongen met donker haar heeft zien trappen en dat zij niet weet of dat dezelfde jongen was als de jongen die ze bij het eerste incident heeft gezien. Het hof stelt op grond van het voorgaande vast dat [getuige 1] ten aanzien van het signalement zowel terughoudend als wisselend heeft verklaard. Het hof acht het signalement consistent voor zover zij het heeft over een (slanke/magere) jonge man met zwart shirt. Hoewel vastgesteld kan worden dat verdachte in dat signalement past is de waarde van deze constatering beperkt nu uit het dossier volgt dat verdachte niet als enige uit zijn vriendengroep aan dit signalement voldeed. Bovendien moet het hof ook voor wat betreft het signalement rekening houden met mogelijke beïnvloeding van (het geheugen van) de getuige door het zien van een filmpje en/of verwarring met het tegen [benadeelde 2] gepleegde geweld. Het benoemen van de gele letters op het shirt tijdens het tweede verhoor lijkt hiervoor een indicatie te zijn. Tot slot overweegt het hof ten aanzien van de herkenning het volgende. Tijdens het verhoor in Spanje wordt aan [getuige 1] de groepsfoto van de verdachten getoond en herkent [getuige 1] – zoals het in dat proces-verbaal is opgeschreven - zonder enige twijfel drie van de jongens die staan afgebeeld en die zij eerder heeft beschreven; zij omcirkelt elk van hen en nummert ze van 1 tot 3, zij bevestigt dat deze drie personen, minimaal, de jongen hebben geslagen die op de grond lag ter hoogte van de bar " [locatie 3] " en hem aanvielen door hem te stompen en te schoppen. Van de jongen die zij aanduidt met het nummer 1 zag zij duidelijk hoe hij het slachtoffer schoppen tegen het hoofd gaf, aldus dat proces-verbaal. Het hof stelt voorop dat in beginsel terughoudend moet worden omgegaan met de waardering van een herkenning op grond van een enkele (groeps)foto. Aan een dergelijke herkenning kan niet de betrouwbaarheid worden toegeschreven die toegeschreven mag worden aan de resultaten van een door de politie gehanteerde en volgens strikte voorwaarden uitgevoerde meervoudige fotoherkenning. Voor de beoordeling van de vraag of, en zo ja, in hoeverre, aan de herkenning enige (bewijs)waarde kan worden toegekend spelen onder meer de kwaliteit van de foto en wat daarop van de verdachte te zien is en de wijze waarop de herkenning tot stand is gekomen een rol. Voor wat betreft de kwaliteit van de foto en wat daarop van verdachte te zien is overweegt het hof dat het een groepsfoto betreft met daarop afgebeeld een groep van meerdere jonge mannen aan een lange tafel. Verdachte zit op een stoel en is vrij prominent in beeld. De kwaliteit van de foto is redelijk; de foto is wat donker en korrelig. Persoonskenmerken zoals de haarkleur en de vorm van het gezicht kunnen worden onderscheiden. Dit geldt niet voor details zoals huidskleur, de vorm van de neus of de kleur van de ogen. Ten aanzien van de wijze waarop de herkenning tot stand is gekomen herhaalt het hof dat, zoals hiervoor is overwogen, extra terughoudendheid zal worden betracht vanwege de wijze van verhoor en de (summiere) verslaglegging van dit verhoor. Daarnaast valt op dat [getuige 1] verklaart dat zij drie jongens ‘zonder enige twijfel’ herkent, zonder dat zij daarbij concreet aangeeft waaraan zij de jongens herkent. Onduidelijk is daardoor op basis van welke (gezichts)kenmerken zij die herkenning doet, waarbij het hof ook betrekt dat van het door [getuige 1] gegeven signalement alleen de haarkleur en mogelijk de leeftijd zichtbaar is op de foto. Het postuur van verdachte is vanwege de (zittende) houding minder goed zichtbaar. Ook hecht het hof eraan op te merken dat – ondanks de (op papier) stellige herkenningen – uit het politieonderzoek is gebleken dat de herkenning van persoon 3 onjuist is geweest. Ook van persoon 2 heeft het hof niet kunnen vaststellen dat hij geweldshandelingen tegen [slachtoffer] heeft verricht. Tot slot constateert het hof dat [getuige 1] bij de Nederlandse politie verdachte niet opnieuw herkent als de persoon die geweld tegen [slachtoffer] heeft gebruikt. Als aan [getuige 1] opnieuw de groepsfoto wordt getoond verklaart zij: Nummer vier (het hof begrijpt: verdachte) is die jongen die een trap gaf. Ik bedoel met die trap die voetbaltrap. Maar voor mijn gevoel zat hij ook aan deze kant erbij. Ik vind het moeilijk om uhh. Het hof begrijpt hieruit dat [getuige 1] verdachte herkent als de jongen die [benadeelde 2] heeft getrapt, maar dat zij niet zeker weet of de jongen op de foto ook betrokken was bij het geweld tegen [slachtoffer] . Op grond van al het voorgaande oordeelt het hof dat aan de herkenning, bij de Spaanse politie, van verdachte als een van de personen die geweld heeft uitgeoefend tegen [slachtoffer] slechts beperkte bewijskracht toekomt. Tussenconclusie Het voorgaande leidt tot het oordeel dat het hof , gelet op de inconsistenties, de beperkingen van het Spaanse verhoor en rekening houdend met mogelijke (bron)verwarring, zeer behoedzaam zal omgaan van de verklaringen van [getuige 1] waar deze verklaringen zien op het daderschap van verdachte en de al dan niet door hem gepleegde geweldshandelingen. Het hof kan op grond van uitsluitend deze verklaringen niet met voldoende zekerheid vaststellen welke geweldshandelingen door wie zijn verricht. Het hof zal daarom deze verklaringen slechts gebruiken voor het bewijs voor zover deze voldoende steun vinden in ander bewijs. 4.3.2 Overige verklaringen van getuigen Anders dan de advocaten-generaal ziet het hof in de verklaringen van getuigen [getuige 2] , [getuige 3] en [getuige 4] geen (ondersteunend) bewijs voor de betrokkenheid van verdachte bij het geweld tegen [slachtoffer] . Het hof overweegt hierover het volgende. Getuige [getuige 2] Het hof stelt vast dat het signalement dat deze getuige geeft ziet op de geweldpleging tegen [benadeelde 2] . Deze getuige verklaart na het zien van de videobeelden ‘GevechtStrand.mp4’ (het hof begrijpt: het [bedrijf 1] -filmpje) dat de geweldpleging die hij op de beelden ziet dezelfde is als waarover hij eerder heeft verteld en waarvan hij getuige was. Getuige [getuige 2] is naar het slachtoffer gegaan, dat klaagt over pijn, en op dat moment ziet hij een jongen (het hof begrijpt: [slachtoffer] ) bewusteloos op de grond liggen. De getuige verklaart dan expliciet dat hij geen getuige is geweest van het geweld dat is gepleegd tegen die jongen. Nu getuige [getuige 2] geen getuige is geweest van het geweld tegen [slachtoffer] en hij het geweld tegen [benadeelde 2] beschrijft kan zijn ‘herkenning’ niet bijdragen aan het bewijs voor de betrokkenheid van verdachte bij het geweld tegen [slachtoffer] . Getuige [getuige 3] Uit het verhoor van [getuige 3] volgt dat hij op Instagram een foto in een story van het account [naam] heeft gezien waarop ‘volgens hem’ een screenshot van een schop tegen de jongen die is overleden te zien was. Daaraan voegt hij toe: ‘En volgens mij had degene die hem schopte op het screenshot een zwart shirt aan.’ Door de politie is onderzoek gedaan naar het Instagramaccount van [naam] . Uit de verklaring van [getuige 13] , de persoon achter dit account, volgt dat hij absoluut geen screenshot zoals door getuige [getuige 3] wordt beschreven op zijn account heeft geplaatst. Ook digitaal onderzoek aan de telefoon van [getuige 13] , waarbij de data door een big datatool is gehaald en specifiek is gezocht op tekst bij een foto, heeft geen zaakgerelateerde content opgeleverd. Nu de verklaring van [getuige 3] over de screenshot op zichzelf staat is voor het hof allerminst komen vast te staan dat hij een screenshot van geweld tegen [slachtoffer] heeft gezien. Daarbij acht het hof het ook van belang dat uit het dossier niet volgt dat er beelden van het geweld van [slachtoffer] zijn gemaakt. Dit brengt mee dat de verklaring niet kan bijdragen aan het bewijs voor de betrokkenheid van verdachte bij het geweld tegen [slachtoffer] . Getuige [getuige 4] Getuige van [getuige 4] omschrijft de jongen die een trapbeweging naar [slachtoffer] maakte toen hij op de grond lag als volgt: rond de 18 jaar, geen breed postuur, wat dunner, een lichte huidskleur, een zwart T-shirt en kort licht bruin/blond haar. Het hof constateert dat verdachte slechts deels aan dit signalement voldoet. Bovendien verklaart [getuige 4] na het zien van de filmpjes " [getuige 12] .MP4", "blauw shirt rent weg.MP4 en het ' [bedrijf 1] -filmpje' dat hij denkt dat de jongen met het donkere shirt [slachtoffer] een trap heeft gegeven toen hij op de grond lag. Uit het dossier volgt dat de jongen met het donkere shirt, die op die beelden te zien is. medeverdachte [medeverdachte 2] betreft. Nu verdachte slechts deels in het signalement past en de getuige een ander aanwijst als de persoon die hij heeft zien schoppen kan deze verklaringen niet bijdragen aan het bewijs voor de betrokkenheid van verdachte bij het geweld tegen [slachtoffer] . Tot slot overweegt het hof ten aanzien van het door getuige [getuige 5] gegeven signalement dat verdachte niet in het door hem gegeven signalement past. Deze verklaring behoeft daarom geen nadere bespreking. 4.3.3 OVC In detentie zijn verschillende gesprekken van verdachte met familieleden (heimelijk) opgenomen. Door de advocaten-generaal wordt voor hun bewijsconstructie verwezen naar het bestand 14-55-00.wav, inhoudende een gesprek tussen verdachte, zijn vader en broertje [persoon 3] . Het hof overweegt dat door de advocaten-generaal slechts een deel van het gesprek wordt aangehaald, terwijl het hof juist de zinnen die niet worden weergegeven van groot belang acht voor de interpretatie van het gesprek. Het gesprek houdt – voor zover hier van belang – het volgende in: [persoon 3] heeft de rechtszaak via die man [persoon 4] van die telegraaf gevolgd. Hij schreef iets over dat [medeverdachte 3] in die villa had gezegd dat hij iemands neus had gebroken. Dat niemand zijn neus had gebroken, behalve die van [slachtoffer] . [verdachte] zegt dat andere mensen ook hun neus hadden gebroken. Dat is media. Drie, vier mensen hebben hun neus gebroken. Dat is ook onzin. [verdachte] voelde zich wel schuldig.. want die neusbreuk, was eigenlijk zijn fout. Hij had gevraagd aan getuigen die [getuige 14] , jij was daar bij toch, weet je wat er is gebeurd. Toen zei zij ik heb gezien dat [medeverdachte 3] dit en dit erbij was weet je wel. En toen heb ik tegen [medeverdachte 2] , toen we nog op vakantie waren en [medeverdachte 2] die heeft tegen mij van uh heb je [getuige 14] nog gesproken? Toen zei ik van dat [medeverdachte 3] erbij was. Toen hebben mensen dat doorgepraat, [medeverdachte 2] en [medeverdachte 6] weer aan de politie snap je. Het hof begrijpt het gesprek dan ook zo dat verdachte zich schuldig voelde omdat – doordat hij heeft doorgevraagd – [getuige 14] aan hem heeft verteld wat [medeverdachte 3] had gedaan (het hof begrijpt: slaan tegen de neus) en hij vervolgens tegen medeverdachte [medeverdachte 2] heeft gezegd dat [medeverdachte 3] erbij was en dat dit is doorverteld en dat [medeverdachte 2] en [medeverdachte 6] dit ook aan de politie hebben verteld. De conclusie dat verdachte zou hebben toegegeven dat hij de neus van [slachtoffer] heeft gebroken getuigt dan ook naar het oordeel van het hof van een onjuiste uitleg van dit gesprek. Anders dan de advocaten-generaal ziet het hof in dit gesprek geen bewijs voor betrokkenheid van verdachte bij het geweld tegen [slachtoffer] . Tussenconclusie Het hof is van oordeel dat de (belastende) verklaringen van getuige [getuige 1] voor wat betreft de betrokkenheid van verdachte bij het geweld tegen [slachtoffer] geen steun vinden in (andere) getuigenverklaringen en het OVC-gesprek. 4.3.4 DNA De verdediging heeft aangevoerd dat met terughoudendheid moet worden gekeken naar het NFI-rapport. De gemeten DNA-concentratie na de isolatie van het DNA uit bemonstering AANE4338NL#02 is relatief laag. Verschillen tussen het NFI-rapport en het FLDO-rapport die wijzen op een summiere waarde van het NFI-rapport zijn door de rechtbank ten onrechte terzijde geschoven. Het contraonderzoek – waarbij geen match is aangetroffen – kan eveneens betrouwbaar worden geacht, waarbij van belang is dat men niet heeft kunnen vaststellen of de DNA-match niet per toeval door middel van te grote allelic drop-out is aangetroffen. Op zijn minst genomen is terughoudendheid geboden. De verdediging heeft hierbij gewezen op het in hoger beroep ingebrachte forensisch adviesrapport van 1 december 2023 opgemaakt door dhr. M.P.J. Bosmans. Verder is aangevoerd dat het hof bij gebrek aan delictgerelateerdheid van het aangetroffen DNA-spoor het DNA niet kan meewegen in de bewijsconstructie. Mocht het hof het DNA wel bezigen voor het bewijs, zodanig dat het hof tot een veroordeling van verdachte komt voor de dood van [slachtoffer] , dan doet de verdediging een voorwaardelijk verzoek tot het uitvoeren van de door forensisch deskundige Bosman geopperde onderzoeken. Door de advocaten-generaal is aangevoerd dat – kort gezegd – het NFI-rapport voor het bewijs kan worden gebruikt, dat geconcludeerd kan worden dat DNA van [slachtoffer] op de schoen van verdachte is aangetroffen en dat deze DNA-match verdachte zowel bij de plaats delict als bij het schoppen van [slachtoffer] brengt. DNA-match en bewijskracht Uit het NFI-rapport van 10 november 2021 opgemaakt door dr. ir. A.M. Rolloos volgt dat uit bemonstering AANE4338NL#02 (rechterzijde van de linkerschoen (aan de buitenzijde)) een DNA-mengprofiel van minimaal drie personen is verkregen. Het DNA kan afkomstig zijn van verdachte, [slachtoffer] en minimaal één andere persoon. Voor het mengprofiel geldt dat dit aantreffen ten minste 700 miljoen keer waarschijnlijker is wanneer de bemonstering DNA bevat van verdachte, [slachtoffer] en één of twee willekeurige personen, dan wanneer de bemonstering DNA bevat van verdachte en twee of drie willekeurige personen. Het FLDO heeft een contra-extract van dezelfde bemonstering onderzocht. Dit betreft dus een ander deel van dezelfde bemonstering. Uit dit onderzoek is gebleken dat er geen aanwijzingen zijn gevonden voor DNA van [slachtoffer] in het aangetroffen DNA-mengprofiel. De interpretatie en conclusie van het DNA-onderzoek door het FLDO is gebaseerd op bewijskrachtberekeningen die zijn uitgevoerd met software die in 2013 ontwikkeld is (LRmixStudio). Het NFI maakt gebruik van andere software (DNAStatististX) die meer informatie uit de DNA-profielen van sporen bij de berekening betrekt dan LRmixStudio. Uit de aanvullende rapportage van het FLDO van 26 september 2022 en de toelichting daarop ter terechtzitting in eerste aanleg volgt dat het FLDO op basis van de resultaten van het NFI tot eenzelfde conclusie zou zijn gekomen, namelijk dat er een aanwijzing is voor aanwezigheid van het DNA van [slachtoffer] in het mengprofiel. De bewijskracht voor die hypothese is dan – met gebruikmaking van de software van het FLDO – tussen de 10.000 á 100.000. Ook andersom heeft het NFI één kit van het FLDO onderzocht en is daarmee – met gebruikmaking van de software van het NFI – ook tot een bewijswaarde van rond de 10.000 uitgekomen voor de aanwezigheid van het DNA van [slachtoffer] in het mengprofiel. De verwachting van de onderzoekers van het NFI is dat de resultaten van het FLDO meer richting de resultaten van het NFI zouden zijn gegaan als er gebruik gemaakt zou zijn van een computerprogramma dat gebruik maakt van een piekhoogte-model zoals DNAStatististX of een hiermee vergelijkbaar programma. Wat betreft de verschillen tussen de uitkomsten hebben beide deskundigen twee mogelijke oorzaken benoemd. Ten eerste is de concentratie van het DNA zoals dit is geïsoleerd uit de bemonstering relatief laag. Ook is het onderzoek van het FLDO geruime tijd later uitgevoerd dan dat van het NFI; de langere bewaartijd van het DNA kan een nadelige invloed hebben gehad op de kwaliteit van het contra-extract. Dit kan ertoe leiden dat er meer en grotere verschillen ontstaan tussen de resultaten uit het ene deel van de bemonstering (het extract) en het andere deel van de bemonstering (het contra-extract). Daarnaast is er een verschil in de gebruikte software. De software zoals die door het NFI is gebruikt is geavanceerder en kan daardoor meer elementen betrekken bij de berekening (zoals piekhoogte en degradatie); het is bekend dat de berekende bewijskrachten van de door het FLDO gebruikte software lager zijn dan die van de door het NFI gebruikte software. Gelet op de resultaten van deze nadere onderzoeken en de toelichting daarop, ziet het hof – evenals de rechtbank – in beginsel geen bezwaren om de resultaten van het NFI-onderzoek te gebruiken als bewijs. Het verschil tussen de resultaten van het onderzoek door het NFI en het eerste onderzoek door het FLDO kan immers worden verklaard door de kwaliteit van het gebruikte DNA-extract en het verschil in gebruikte software. Bovendien volgt uit de nadien over en weer uitgevoerde onderzoeken met elkaars resultaten een aanwijzing voor de aanwezigheid van DNA van [slachtoffer] op de schoen van verdachte. Gelet op wat hiervoor is overwogen ten aanzien van de kwaliteit van het extract en de verschillen in software gaat het hof uit van de door het NFI berekende bewijskracht. Deze conclusie levert sterke steun op voor het donorschap van [slachtoffer] . Dit betekent overigens niet dat deze sterke bewijskracht op dit niveau zonder meer vertaald kan worden naar sterk incriminerend bewijs op hogere niveaus voor interpretatie. Het hof gaat daarom in de volgende paragraaf in op de delictgerelateerdheid van het spoor. Op grond van de resultaten van het NFI-rapport concludeert het hof dat het DNA dat op de linkerschoen van verdachte is aangetroffen (ook) afkomstig is van [slachtoffer] . Het hof verwerpt het verweer. Delictgerelateerdheid DNA-match Het hof ziet zich tot slot voor de vraag gesteld of het DNA van [slachtoffer] op de rechter(buiten)zijde van de linkerschoen van verdachte delictgerelateerd is. Het hof constateert dat de advocaten-generaal uitgaan van het scenario dat het celmateriaal van [slachtoffer] op de schoen van verdachte is overgedragen doordat verdachte (met kracht) tegen het hoofd van [slachtoffer] heeft geschopt. Door de verdediging zijn ter verklaring van het DNA van [slachtoffer] op de schoen van verdachte diverse alternatieve scenario’s aangedragen, bijvoorbeeld dat van secundaire overdracht. Het hof overweegt hierover als volgt. Bij de beoordeling of het aangetroffen DNA-spoor kan bijdragen tot het bewijs, dient het hof vast te stellen of het spoor als daderspoor kan worden aangemerkt. Om de delictgerelateerdheid van het spoor te bepalen wordt onder andere gekeken naar de locatie van het spoor, het type DNA-profiel van het spoor en het type biologische spoor. Het hof heeft vastgesteld dat DNA van [slachtoffer] is aangetroffen op de linkerschoen van verdachte. Het DNA is bemonsterd op de buitenkant van de schoen, aan de binnenste (rechter-)zijde van de schoen op een locatie onder het midden van de schoen in de lengterichting gezien. Het spoor betreft een DNA-mengprofiel van minimaal drie personen en de DNA-concentratie van de bemonstering is zeer gering, 0,006 ng/µl. De aard van het aangetroffen celmateriaal, bijvoorbeeld bloed, speeksel of huidepitheel, is onbekend gebleven. Daarnaast heeft het hof niet alleen vastgesteld dat verdachte (aan het begin van het geweld) in de buurt van [slachtoffer] heeft gestaan, maar ook dat meerdere personen uit zijn vriendengroep, met wie verdachte in een vakantievilla verbleef, geweld op [slachtoffer] hebben uitgeoefend. Gelet op het sporenbeeld is het DNA-spoor op zichzelf gezien dan ook niet zonder meer een daderspoor. Anders gezegd wijst het aantreffen van dit spoor er niet zonder meer op dat verdachte [slachtoffer] (tegen zijn hoofd) heeft geschopt. Er zijn naar het oordeel van het hof meerdere scenario’s denkbaar die kunnen leiden tot het aangetroffen sporenbeeld. Anders dan de advocaten-generaal is het hof van oordeel dat op grond van het sporenbeeld niet kan worden vastgesteld op welke manier het DNA van [slachtoffer] op de schoen van verdachte terecht is gekomen. Ten overvloede overweegt het hof nog dat de door de verdediging in hoger beroep overgelegde rapporten van dhr. M.P.J. Bosmans, mevr. S.M Veldthuis en dr. F.R.W. van de Goot aan deze conclusie niets hebben bijgedragen. Tussenconclusie Het aangetroffen DNA-spoor van [slachtoffer] is niet zonder meer een daderspoor. Op grond van het sporenbeeld kan niet worden vastgesteld op welke manier het DNA van [slachtoffer] op de schoen van verdachte terecht is gekomen. 4.3.5 Conclusie Het hof heeft hiervoor uitgelegd dat en waarom het hof terughoudend zal omgaan met de verklaringen van getuige [getuige 1] waar deze verklaringen zien op het daderschap van verdachte en de al dan niet door hem gepleegde geweldshandelingen. Deze verklaringen zal het hof slechts gebruiken voor het bewijs voor zover deze voldoende steun vinden in ander bewijs. Vervolgens heeft het hof geoordeeld dat het dossier geen steunbewijs in de vorm van getuigenverklaringen of OVC-gesprekken bevat voor het daderschap van verdachte (en de gepleegde geweldshandelingen). Tot slot heeft het hof ten aanzien van het aangetroffen DNA-spoor geoordeeld dat dit op zichzelf niet zonder meer een daderspoor is. Op grond van alleen het DNA-spoor kan niet worden vastgesteld dat verdachte [slachtoffer] (tegen zijn hoofd) heeft geschopt. Op grond van het voorgaande, in onderling verband en samenhang beschouwd, is het hof van oordeel dat in het dossier weliswaar enig bewijs aanwezig is voor de betrokkenheid van verdachte bij het geweld tegen [slachtoffer] , maar dit bewijs is onvoldoende om buiten gerede twijfel te kunnen vaststellen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het dodelijk geweld tegen [slachtoffer] zoals onder 1 tenlastegelegd. Dit maakt dat verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken. Het voorgaande brengt mee dat verdachte wordt vrijgesproken van de onder 1 primair, subsidiair en meer subsidiair tenlastegelegde doodslag dan wel (zware) mishandeling met de dood tot gevolg van [slachtoffer] . Deze beslissing brengt mee dat de voorwaardelijke verzoeken en hetgeen overigens is aangevoerd geen verdere bespreking behoeven. 4.4 Geweld tegen [benadeelde 2] (feit 2) Verdachte wordt primair verweten dat hij zich samen met een ander of anderen schuldig heeft gemaakt aan poging tot doodslag op [benadeelde 2] . Subsidiair – als het primaire feit niet kan worden bewezen – is medeplegen van poging tot zware mishandeling van [benadeelde 2] tenlastegelegd. Verdachte heeft erkend dat hij [benadeelde 2] tegen het (boven)lichaam heeft geschopt. Door de verdediging is aangevoerd dat er geen aanmerkelijke kans op de dood van [benadeelde 2] heeft bestaan, althans dat hiervoor geen bewijs is. Het hof overweegt hierover als volgt. Op grond van de feitenvaststelling en de bewijsmiddelen zoals opgenomen in de bijlage bij dit arrest stelt het hof vast dat [benadeelde 2] tijdens de vechtpartij voor de [locatie 3] door medeverdachte [medeverdachte 3] tegen de grond is gebeukt. Nadat [benadeelde 2] op de grond terechtkomt draait [medeverdachte 3] zich om en loopt weg. Verdachte en medeverdachte [medeverdachte 6] staan links en rechts van [benadeelde 2] die op zijn rug ligt. Vervolgens schoppen achtereenvolgens verdachte en [medeverdachte 6] tegen het hoofd van [benadeelde 2] . [benadeelde 2] ligt hierna bewusteloos op de grond. Voor de vaststelling dat beide verdachten tegen het hoofd van [benadeelde 2] hebben geschopt neemt het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking. Hoewel het hof op de beelden zelf niet heeft kunnen waarnemen dat verdachte en medeverdachte [medeverdachte 6] het hoofd van [benadeelde 2] hebben geraakt is op de beelden – zoals vastgesteld – wel zichtbaar dat verdachte en [medeverdachte 6] dichtbij [benadeelde 2] staan, dat verdachte met zijn been een zwaaiende beweging richting de bovenzijde van het lichaam van [benadeelde 2] , waaronder het hoofd, maakt en dat [medeverdachte 6] richting [benadeelde 2] beweegt. Ook is zichtbaar dat na de zwaaiende beweging met het been van verdachte de positie van de benen van [benadeelde 2] verandert: deze liggen op de grond recht vooruit. Dit past bij de verklaring van [benadeelde 2] dat hij bewusteloos is geraakt. De omstandigheid dat [benadeelde 2] bewusteloos is geraakt geeft bovendien steun aan de vaststelling dat de (laatste) schop tegen het hoofd raak was. Anders dan de verdediging heeft betoogd acht het hof de verklaring van getuige [getuige 6] van 10 augustus 2021 bij de politie betrouwbaar. Deze verklaring houdt onder meer in dat hij: ‘100% heeft gezien dat de vriend van [slachtoffer] (het hof begrijpt: [benadeelde 2] ) door beide jongens (het hof begrijpt: verdachte en [medeverdachte 6] ), één van links en één van rechts, tegen het hoofd is geschopt’. Zijn verklaring is op dit onderdeel gedetailleerd en tijdens zijn verhoor herhaalt getuige [getuige 6] consistent deze waarneming. Dat getuige [getuige 6] tijdens zijn verhoor bij de rechter-commissaris op 24 augustus 2022, ruim een jaar later, eerst verklaart dat hij 100% zeker weet dat [benadeelde 2] aan beide kanten op zijn hoofd is geschopt en vervolgens na doorvragen heeft verklaard dat [benadeelde 2] één keer op zijn hoofd is geschopt en één keer dichtbij zijn hoofd, doet aan dit oordeel niet af. Daar komt bij dat de verklaring van [getuige 6] over het schoppen overeenkomt met de verklaringen van getuige [getuige 7], een vriend van verdachte die ook mee was naar Mallorca en die achteraf in de villa van verdachte en medeverdachte [medeverdachte 6] heeft gehoord dat ze de jongen in het zwart (het hof begrijpt: [benadeelde 2] ) tegen het hoofd hebben geschopt. Bovendien vindt de verklaring steun in – zoals hiervoor overwogen – de beelden. Gelet op het voorgaande verwerpt het hof het verweer van de verdediging dat verdachte richting het (boven)lichaam van [ben

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.