← Nederland

ECLI:NL:GHARL:2024:1868

Afdeling strafrecht Parketnummer: 21-005190-22 Uitspraak d.d.: 14 maart 2024 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 18 november 2022 met parketnummer 16-216622-21 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2003, wonende te [woonplaats] . Het hoger beroep De verdachte en de officier van justitie hebben tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van [locatie 1] Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 4, 5, 7, 8, 13, 14, 15, 18 en 20 december 2023 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaten-generaal, strekkende tot: - de vernietiging van het vonnis van de rechtbank; - vrijspraak van het onder 1 primair, subsidiair en meer subsidiair (kortgezegd: het dodelijk geweld tegen [slachtoffer] ) en 2 primair (medeplegen poging doodslag [benadeelde 2] ) tenlastegelegde; - bewezenverklaring van het onder 2 subsidiair (medeplegen poging zware mishandeling [benadeelde 2] ), 3 primair (medeplegen poging doodslag [benadeelde 10] ), 4 en 5 (telkens: openlijke geweldpleging) tenlastegelegde; - veroordeling tot een gevangenisstraf van 24 maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan 350 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren en met als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij de reclassering, een behandeling en controle op middelengebruik; - oplegging van de maatregel ex artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht, inhoudende een contactverbod – zowel indirect als direct – met de ouders van [slachtoffer] en de slachtoffers [benadeelde 2] , [benadeelde 3] , [benadeelde 5] en [benadeelde 4] voor de duur van vijf jaren; - de teruggave van de inbeslaggenomen voorwerpen; - het handhaven van het conservatoir beslag op de vermogensbestanddelen. Ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen hebben de advocaten-generaal het volgende gevorderd: - hoofdelijke toewijzing van de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 6] van € 3.146,93, te vermeerderen met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel; - hoofdelijke toewijzing van de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 2] van € 8.240,74, te vermeerderen met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel; - hoofdelijke toewijzing van de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 5] van € 17.236,97, te vermeerderen met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel; - hoofdelijke toewijzing van de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 4] van € 6.317,64, te vermeerderen met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel; - hoofdelijke toewijzing van de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 11] van € 218.057,00, te vermeerderen met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel; - hoofdelijke toewijzing van de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partijen [benadeelde 1] tot een bedrag van € 68.967,63, te vermeerderen met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, en niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partijen voor het overige; - hoofdelijke toewijzing van de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 7] tot een bedrag van € 2.612,50, te vermeerderen met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, en afwijzing van de vordering voor het overige; - hoofdelijke toewijzing van de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 10] tot een bedrag van € 3.572,46, te vermeerderen met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, en afwijzing van de vordering voor het overige; - hoofdelijke toewijzing van de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 9] tot een bedrag van € 1.900,00, te vermeerderen met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, en afwijzing van de vordering voor het overige; - hoofdelijke toewijzing van de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 3] tot een bedrag van € 15.539,30 te vermeerderen met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, en niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij voor het overige. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft verder kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsvrouw, mr. S.M. Hof , naar voren is gebracht. Ook heeft het hof kennisgenomen van hetgeen naar voren is gebracht door mr. Bosch, advocaat te Maasdijk, namens de benadeelde partijen [benadeelde 1] en [benadeelde 11] ; mr. Ter Steeg, advocate te Amsterdam, namens de benadeelde partijen [benadeelde 2] , [benadeelde 5] , [benadeelde 3] en [benadeelde 4] ; mr. Roodveldt, advocate te Zaandam, namens de benadeelde partijen [benadeelde 10] , [benadeelde 7] en [benadeelde 9] en waarnemend voor mr. Breukink namens de benadeelde partij [benadeelde 6] . Het vonnis waarvan beroep Verdachte is bij vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 18 november 2022 vrijgesproken van het onder 1 primair, subsidiair en meer subsidiair en 2 primair en subsidiair tenlastegelegde. Ter zake van het onder 3 primair, 4 en 5 tenlastegelegde is verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van 30 maanden, met aftrek van het voorarrest. Daarnaast is op de vorderingen tot schadevergoeding van de benadeelde partijen en op het beslag beslist. Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een deels andere bewijsbeslissing, een andere strafoplegging en een andere beslissing op de vorderingen van de benadeelde partijen komt en daarom opnieuw rechtdoen. De tenlastelegging Aan verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg – tenlastegelegd dat: 1. primair hij, op of omstreeks 14 juli 2021 te [plaats] , althans in Spanje, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd, door - voornoemde [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, (met kracht) op/tegen het hoofd, althans het (boven)lichaam, te slaan en/of te stompen en/of - voornoemde [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, (met kracht) op/tegen het hoofd, althans het (boven)lichaam, te trappen en/of te schoppen, (terwijl voornoemde [slachtoffer] op de grond lag); 1. subsidiair hij op of omstreeks 14 juli 2021 te [plaats] , althans in Spanje, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten (onder andere) een of meerdere onderhuidse bloeduitstorting(

  1. en)en/of schaafletsel(
  2. s)en/of huidscheur(
  3. en)aan het hoofd en/of een gebroken neus en/of een of meerdere schedelbreuk(en), heeft toegebracht, door - voornoemde [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, (met kracht) op/tegen het hoofd, althans het (boven)lichaam, te slaan en/of te stompen en/of - voornoemde [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, (met kracht) op/tegen het hoofd, althans het (boven)lichaam, te trappen en/of te schoppen, (terwijl voornoemde [slachtoffer] op de grond lag), 1. meer subsidiair hij op of omstreeks 14 juli 2021 te [plaats] , althans in Spanje, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [slachtoffer] heeft mishandeld door - voornoemde [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, (met kracht) op/tegen het hoofd, althans het (boven)lichaam, te slaan en/of te stompen en/of - voornoemde [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, (met kracht) op/tegen het hoofd, althans het (boven)lichaam, te trappen en/of te schoppen, (terwijl voornoemde [slachtoffer] op de grond lag), terwijl het feit de dood ten gevolge heeft gehad; 2. primair hij, op of omstreeks 14 juli 2021 te [plaats] , althans in Spanje, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [benadeelde 2] opzettelijk van het leven te beroven, - voornoemde [benadeelde 2] meermalen, althans eenmaal, (met kracht) op/tegen het hoofd, althans het (boven)lichaam, heeft getrapt en/of geschopt en/of geslagen en/of gestompt en/of geduwd en/of - voornoemde [benadeelde 2] meermalen, althans eenmaal, (met kracht) op/tegen het hoofd, althans het (boven)lichaam, heeft getrapt en/of geschopt en/of geslagen en/of gestompt (terwijl voornoemde [benadeelde 2] op de grond lag), terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; 2. subsidiair hij, op of omstreeks 14 juli 2021 te [plaats] , althans in Spanje, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [benadeelde 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, - voornoemde [benadeelde 2] meermalen, althans eenmaal, (met kracht) op/tegen het hoofd, althans het (boven)lichaam, heeft getrapt en/of geschopt en/of geslagen en/of gestompt en/of geduwd en/of - voornoemde [benadeelde 2] meermalen, althans eenmaal, (met kracht) op/tegen het hoofd, althans het (boven)lichaam, heeft getrapt en/of geschopt en/of geslagen en/of gestompt (terwijl voornoemde [benadeelde 2] op de grond lag), terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; 3. primair hij, op of omstreeks 14 juli 2021 te [plaats] , althans in Spanje, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [benadeelde 10] opzettelijk van het leven te beroven, - voornoemde [benadeelde 10] meermalen, althans eenmaal, (met kracht) op/tegen het hoofd, althans het (boven)lichaam, heeft geslagen en/of gestompt en/of - voornoemde [benadeelde 10] meermalen, althans eenmaal, (met kracht) op/tegen het hoofd, althans het (boven)lichaam, heeft getrapt en/of geschopt (terwijl voornoemde [benadeelde 10] op de grond lag), terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; 3. subsidiair hij, op of omstreeks 14 juli 2021 te [plaats] , althans in Spanje, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [benadeelde 10] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, - voornoemde [benadeelde 10] meermalen, althans eenmaal, (met kracht) op/tegen het hoofd, althans het (boven)lichaam, heeft geslagen en/of gestompt en/of - voornoemde [benadeelde 10] meermalen, althans eenmaal, (met kracht) op/tegen het hoofd, althans het (bovenlichaam, heeft getrapt en/of geschopt (terwijl voornoemde [benadeelde 10] op de grond lag) terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; 4.hij, op of omstreeks 14 juli 2021 te [plaats] , althans in Spanje, openlijk, te weten op [locatie 1] en/of [locatie 2] ) , in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer personen, te weten [benadeelde 6] en/of [benadeelde 9] en/of [benadeelde 7] en/of [benadeelde 8] en/of [benadeelde 10] door: - voornoemde [benadeelde 6] en/of [benadeelde 9] en/of [benadeelde 7] en/of [benadeelde 8] en/of [benadeelde 10] meermalen, althans eenmaal, te duwen en/of te trekken en/of naar de grond toe te brengen en/of (met de vuist) te stompen en/of te slaan en/of te schoppen en/of te trappen op en/of in de richting van en/of tegen het hoofd en/of het (boven)lichaam en/of met voornoemde slachtoffer(
  4. s)te worstelen en/of met een stoel te gooien in de richting van voornoemde slachtoffer(
  5. s)en/of een of meer andere perso(o)n(en), terwijl dit door hem gepleegde geweld zwaar lichamelijk letsel, althans enig lichamelijk letsel ten gevolge heeft gehad, te weten: - een gebroken neus en/of een scheurtje in de neusvleugel en/of een tand door de lip bij[benadeelde 6] en/of - een gebroken duim en/of een dikke neus en/of een opgezwollen enkel en/of blauwe plekken op de armen, althans het lichaam, en/of een blauw oog bij [benadeelde 10] ; 5.hij, op of omstreeks 14 juli 2021 te [plaats] , althans in Spanje, openlijk, te weten op [locatie 3] , in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer personen, te weten [slachtoffer] en/of [benadeelde 3] en/of [benadeelde 4] en/of [benadeelde 5] en/of [benadeelde 2] door: - voornoemde [slachtoffer] en/of [benadeelde 3] en/of [benadeelde 4] en/of [benadeelde 5] en/of [benadeelde 2] meermalen, althans eenmaal, te duwen en/of te trekken en/of naar de grond toe te brengen en/of (met de vuist) te stompen en/of te slaan en/of te schoppen en/of te trappen op en/of in de richting van en/of tegen het hoofd en/of het (boven)lichaam en/of met voornoemde slachtoffer(
  6. s)te worstelen, terwijl dit door hem gepleegde geweld zwaar lichamelijk letsel, althans enig lichamelijk letsel ten gevolge heeft gehad, te weten: - ( blauwe) plekken op zijn hoofd en/of benen, althans zijn lichaam bij [benadeelde 3] en/of - een of meer blauwe plek(
  7. en)en/of schaafwond(
  8. en)op de knie en/of de heup en/of het oor en/of in het gezicht, althans het lichaam, en/of een gezwollen schedel en/of een bult op het hoofd bij [benadeelde 2] en/of - een of meerdere onderhuidse bloeduitstorting(
  9. en)en/of schaafletsel(
  10. s)en/of huidscheur(
  11. en)aan het hoofd en/of een gebroken neus en/of een of meerdere schedelbreuk(
  12. en)bij [slachtoffer] . Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging. Overweging met betrekking tot het bewijs Standpunt advocaten-generaal De advocaten-generaal hebben gerekwireerd tot vrijspraak van het onder 1 primair, subsidiair en meer subsidiair en 2 primair tenlastegelegde. Daarnaast hebben zij gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 2 subsidiair, 3 primair, 4 en 5 tenlastegelegde. Standpunt verdediging De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van de onder 1 primair, subsidiair en meer subsidiair, 2 primair en subsidiair en 3 primair en subsidiair tenlastegelegde feiten. Ten aanzien van feit 1 is aangevoerd dat verdachte geen rol heeft gehad rondom de dood van [slachtoffer] en dat de belastende vingerwijzingen richting verdachte volstrekt onvoldoende zijn om te kunnen dienen als bewijs. Verder is ten aanzien van feit 2 aangevoerd dat verdachte met zijn handelen geen intellectuele en/of materiële bijdrage heeft geleverd die van voldoende gewicht is geweest om zijn handelen te kunnen kwalificeren als een poging tot doodslag richting [benadeelde 2] . Op het moment dat [benadeelde 2] wordt getrapt door medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 6] is verdachte niet meer aanwezig. De verdediging refereert zich ten aanzien van het onder 3 subsidiair, 4 en 5 tenlastegelegde aan het oordeel van het hof, met dien verstande dat de strafverzwarende omstandigheid slechts kan worden bewezen ten aanzien van [benadeelde 6] , [benadeelde 10] en [benadeelde 4] . Inleiding Niet ter discussie staat dat op 14 juli 2021 in het uitgaansgebied [plaats] in Spanje door verdachte en/of zijn vriendengroep bij [locatie 1] , bij de [locatie 2] en bij de [locatie 3] is gevochten. Verdachte wordt ervan verdacht dat hij samen met zijn vrienden geweld heeft gepleegd tegen in totaal tien (jonge) mannen. Verdachte heeft erkend dat hij zowel bij [locatie 1] en de [locatie 2] als bij de [locatie 3] geweldshandelingen heeft verricht. Het hof bespreekt de ten laste gelegde feiten in chronologische volgorde. Dit betekent dat eerst het geweld bij [locatie 1] (hierna: [locatie 1]) en de [locatie 2] (hierna: [locatie 2]) wordt besproken (feiten 3 en 4) en daarna het geweld bij de [locatie 3] (hierna: [locatie 3]) (feiten 1, 2 en 5). De overwegingen van het hof zijn als volgt opgezet: 1 [locatie 1] en [locatie 2] 1.1 De feiten: wat is er gebeurd? 1.2 Splitsing: twee afzonderlijke geweldplegingen 2 Bewijsoverwegingen [locatie 1] 2.1 Vrijspraak openlijke geweldpleging tegen [benadeelde 8] 2.2 Openlijke geweldpleging tegen [benadeelde 6] en [benadeelde 7] 3 Bewijsoverwegingen [locatie 2] 3.1 Openlijke geweldpleging tegen [benadeelde 9] en [benadeelde 10] 3.2 Geweld tegen [benadeelde 10] 4 Bewijsoverwegingen [locatie 3] 4.1 De feiten: wat is er gebeurd? 4.2 Openlijke geweldpleging tegen [slachtoffer] , [benadeelde 2] , [benadeelde 3] , [benadeelde 4] en [benadeelde 5] 4.3 Geweld tegen [slachtoffer] 4.4 Geweld tegen [benadeelde 2] 5 Conclusie 1 [locatie 1] en [locatie 2] 1.1 De feiten: wat is er gebeurd? Hieronder wordt een globale beschrijving gegeven van de gebeurtenissen op 14 juli 2021. In de volgende paragrafen zal nader worden ingegaan op de verschillende verdenkingen. De bronnen die ten grondslag liggen aan deze feitenvaststelling worden weergegeven in voetnoten en voor zover het gaat om feiten en omstandigheden die dragend en redengevend zijn voor de bewezenverklaring(
  13. en)van het ten laste gelegde zijn deze opgenomen in de bijlage bij dit arrest. Het hof stelt op grond van het procesdossier en het verhandelde ter zitting de volgende feiten en omstandigheden vast. In de avond/nacht van 13 op 14 juli 2021 is een deel van de groep van verdachte (te weten: [betrokkene] , [medeverdachte 5] , [naam 1] , [getuige 9] en [naam 2] ) in [locatie 1] . Vanwege de coronamaatregelen moeten alle gasten een stoel hebben om op te zitten. Op enig moment ontstaat er discussie over een stoel tussen de groep, waar de (latere) slachtoffers [benadeelde 7] , [benadeelde 9] , [benadeelde 6] en [benadeelde 10] toe behoren en de hiervoor genoemde vriendengroep van verdachte. Uit camerabeelden in [locatie 1] blijkt, dat [betrokkene] door [benadeelde 9] en [benadeelde 7] wordt geduwd. [benadeelde 9] pakt [betrokkene] bij zijn keel en vlak daarna duwt [benadeelde 7] [betrokkene] weg door zijn hand in de nek van [betrokkene] te plaatsen. Vervolgens slaat [benadeelde 9] [betrokkene] in zijn gezicht met zijn platte hand. [benadeelde 7] wordt vervolgens [locatie 1] uitgezet. Even later loopt ook [benadeelde 9] naar buiten. Buiten daagt een aantal jongens elkaar uit. Volgens [benadeelde 7] roept [benadeelde 9] op een gegeven moment iets in de trant van: "Kom dan naar buiten als je zo stoer gaat lopen doen". Een aantal jongens van de groep van verdachte zoekt contact met de vrienden die in de [locatie 4] zitten. [getuige 9] stuurt om 01.35 uur een appje naar medeverdachte [medeverdachte 6] : “Zorg dat de boys rond 2 uur naar [locatie 1] komen. We moeten een groepje even een lesje leren”. Rond 02.00 uur, als [locatie 1] dichtgaat, komt [benadeelde 6] naar buiten. Hij gaat bij [benadeelde 7] staan. [benadeelde 10] is op dat moment nog in [locatie 1] . De groep van verdachte, onder wie verdachte, is inmiddels bij [locatie 1] aangekomen. Verdachte en [betrokkene] gaan dichtbij [benadeelde 7] staan. Als [benadeelde 6] er bij komt staan voegt nog een aantal personen uit de groep van verdachte zich bij de groep. Er wordt geduwd, waarna de groep van verdachte [benadeelde 6] en [benadeelde 7] aanvalt. [benadeelde 6] wordt meerdere keren door verdachte in zijn gezicht gestompt, waaronder hard op zijn neus, en [benadeelde 7] wordt door medeverdachte [medeverdachte 1] twee keer op zijn oogkas, één keer op zijn kin en één keer op zijn achterhoofd geslagen. [benadeelde 9] en [benadeelde 10] hebben niets meegekregen van de vechtpartij. [benadeelde 9] stond verderop, richting [locatie 2] , en [benadeelde 10] was nog in [locatie 1] . [benadeelde 9] ziet ineens [benadeelde 6] met een groot stuk papier en bloed op zijn gezicht. Ook ziet hij dat [benadeelde 7] op hem af komt met een blauw oog. Zij komen uit de richting van de ingang van [locatie 1] gelopen. [benadeelde 10] ziet hetzelfde. Hij ziet dat [benadeelde 6] een bloedneus heeft en dat [benadeelde 7] gewond is aan zijn oog. [benadeelde 9] en [benadeelde 10] staan op dat moment ter hoogte van [locatie 2] . Even later komt de groep van verdachte op [benadeelde 9] en [benadeelde 10] af. Van de gebeurtenissen voor [locatie 2] bevinden zich camerabeelden in het procesdossier. Het [benadeelde 8] neemt op deze beelden – voor zover relevant voor het bewijs – het volgende waar: Op 1:44:18 staan [medeverdachte 1] en [benadeelde 9] tegenover elkaar. Achter/naast [medeverdachte 1] staan [medeverdachte 2] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 5] , [betrokkene] en [verdachte] . [benadeelde 10] staat naast [benadeelde 9] . Er worden woorden gewisseld. Op 1:44:22 geeft [betrokkene] (vanachter [medeverdachte 1] ) [benadeelde 9] een klap op zijn gezicht. [benadeelde 9] wankelt naar achteren en beweegt zich vervolgens naar voren richting [betrokkene] . [benadeelde 9] wordt vervolgens tegen zijn hoofd/gezicht geslagen door [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [verdachte] . [medeverdachte 4] beweegt ook in zijn richting. [benadeelde 9] valt achteruit richting gestapelde stoelen. [benadeelde 9] wordt vervolgens nog steeds geslagen door [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [verdachte] . [medeverdachte 5] beweegt richting [benadeelde 9] . [benadeelde 10] slaat [medeverdachte 5] op zijn achterhoofd. [medeverdachte 5] valt naar achteren en trekt [benadeelde 9] mee. Op 1:44:27 valt [benadeelde 9] op de grond. [benadeelde 10] maakt een zwaaiende beweging in de richting van [medeverdachte 1] . [benadeelde 10] valt vervolgens zelf naar achteren en [medeverdachte 1] deinst wat naar achteren. Op dat moment is [benadeelde 9] niet meer het centrum van conflict. Op 1:44:28 valt [benadeelde 10] op de grond. [medeverdachte 5] maakt vervolgens een schoppende beweging in de richting van de opstaande [benadeelde 9] . [medeverdachte 1] slaat en [medeverdachte 2] schopt de op de grond liggende [benadeelde 10] . Op 1:44:31 komt [benadeelde 10] overeind. Hij wordt dan geslagen door [medeverdachte 1] en er wordt naar hem geschopt door [medeverdachte 4] , [betrokkene] en [medeverdachte 5] . [benadeelde 10] valt weer op de grond en wordt dan geschopt door [medeverdachte 2] . [benadeelde 10] krabbelt weer op en wordt dan geslagen door [verdachte] . Terwijl [benadeelde 10] overeind blijft, wordt er gelijktijdig van drie verschillende kanten naar hem geslagen door [betrokkene] , [medeverdachte 5] en [medeverdachte 1] . Op 1:44:33 loopt [medeverdachte 6] richting het gevecht. Op 1:44:35 komt [verdachte] van opzij en geeft [benadeelde 10] een harde klap in het gezicht. [benadeelde 10] wankelt en wordt vervolgens van verschillende kanten geslagen door [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] . Op 1:44:36 maakt [benadeelde 10] een zwaaiende beweging in de richting van [verdachte] . Op 1:44:37 valt [benadeelde 10] achterover op de grond. [medeverdachte 6] maakt een zwaaiende beweging richting [benadeelde 10] . Op 1:44:38 [medeverdachte 1] stapt naar voren en houdt zijn lichaam in balans door beide uitgestrekte armen. Hij leunt iets achterover. Hij brengt zijn linkerbeen ter hoogte van het bovenlichaam c.q. de rechterschouder van [benadeelde 10] versneld naar beneden in een dubbele neerwaartse beweging. De beweging is niet in één keer, er zit een hapering in de beweging. Vervolgens verplaatst hij zijn gewicht op zijn linkerbeen en hij verplaatst zijn rechterbeen in een krachtige beweging van achteren naar voren, waarbij hij zijn heupen ook meedraait, in de richting van het hoofd van [benadeelde 10] . Vervolgens wordt [medeverdachte 1] weggeleid van [benadeelde 10] en trapt [medeverdachte 5] één keer op de benen van [benadeelde 10] in een neerwaartse beweging en schopt daarna één keer tegen de benen van [benadeelde 10] aan met een zwaaiende beweging. [benadeelde 10] is als gevolg van het op hem uitgeoefende geweld buiten bewustzijn geraakt. Als gevolg van het geweld hebben [benadeelde 6] , [benadeelde 7] , [benadeelde 9] en [benadeelde 10] pijn en letsel opgelopen. Het letsel bestond uit: [benadeelde 6] : een gebroken neus, een scheurtje in zijn linker neusvleugel en een tand door de lip; [benadeelde 7] : een blauw oog; [benadeelde 9] : een bloedneus; [benadeelde 10] : een gebroken duim, een opgezwollen enkel, een blauw oog en blauwe plekken op beide armen. 1.2 Splitsing: twee afzonderlijke geweldplegingen Aan verdachte is het geweld bij [locatie 1] en [locatie 2] ten laste gelegd als één feitelijk geheel. Ter zitting in hoger beroep is door het openbaar ministerie gerekwireerd dat – overeenkomstig het vonnis van de rechtbank – wordt uitgegaan van twee geweldplegingen. Het [benadeelde 8] volgt op dit onderdeel het oordeel van de rechtbank en neemt haar overweging over: De rechtbank (…) verwijst hierbij naar de verklaringen van [benadeelde 10] , [benadeelde 9] en verdachte. Ook wijst de rechtbank op de camerabeelden van de gebeurtenissen voor [locatie 2] . Uit die beelden en de daarbij weergegeven tijdsaanduidingen volgt ook dat de confrontatie voor [locatie 2] pas begint, geruime tijd nádat de groep van verdachten richting [locatie 1] loopt en ook enige tijd nádat [benadeelde 6] , kennelijk gewond, uit de richting van [locatie 1] komt. Eerst heeft er (openlijk) geweld plaatsgevonden voor [locatie 1] , tegen [benadeelde 7] en [benadeelde 6] ; zij kregen klappen. Na deze klappen was dit geweld voorbij en liepen [benadeelde 7] en [benadeelde 6] weg. Korte tijd daarna ontstond er opnieuw geweld, dit keer voor [locatie 2] , waar [benadeelde 9] en [benadeelde 10] door verdachte en medeverdachten, werden geslagen en geschopt. Het geweld heeft kortom plaatsgevonden op twee verschillende momenten, op twee verschillende plekken, met andere slachtoffers en deels met andere daders. Dit maakt dat er naar het oordeel van de rechtbank sprake is van twee afzonderlijke gebeurtenissen. Het hof zal – evenals de rechtbank – voor iedere gebeurtenis ook afzonderlijk beoordelen of er sprake was van deelname aan openlijk geweld. 2Bewijsoverwegingen [locatie 1] 2.1 Vrijspraak openlijke geweldpleging tegen [benadeelde 8] (feit 4) Evenals de rechtbank en zoals gevorderd door de advocaten-generaal spreekt het hof verdachte vrij van het openlijk geweld tegen [benadeelde 8] . Uit het dossier blijkt niet duidelijk wanneer, waar, hoe en door wie er geweld tegen [benadeelde 8] is gebruikt, waardoor niet kan worden vastgesteld dat verdachte een significante of wezenlijke bijdrage aan het geweld tegen [benadeelde 8] heeft geleverd. 2.2 Openlijke geweldpleging tegen [benadeelde 6] en [benadeelde 7] (feit 4) Uit de feitenvaststelling volgt dat verdachte [benadeelde 6] in de openbaarheid meerdere keren hard in het gezicht, waaronder op zijn neus, heeft gestompt, terwijl op dat moment ook [benadeelde 7] werd belaagd. Verdachte heeft tegenover de politie, maar ook ter zitting in eerste aanleg en in hoger beroep, erkend dat hij [benadeelde 6] meerdere keren met zijn vuist in zijn gezicht, waaronder op zijn neus, heeft geslagen en dat als gevolg van zijn handelen de neus van [benadeelde 6] krom stond. Op grond van het voorgaande en de bewijsmiddelen zoals opgenomen in de bijlage bij dit arrest acht het hof bewezen dat verdachte deel uitmaakte van de groep die buiten bij [locatie 1] tegenover [benadeelde 6] en [benadeelde 7] is gaan staan en dat hij (vervolgens) zelf ook geweld heeft gebruikt door [benadeelde 6] meerdere keren hard in het gezicht, waaronder op zijn neus, te stompen. Door zijn handelen heeft verdachte een voldoende significante en wezenlijke bijdrage aan het in vereniging (in de openbaarheid) gepleegde geweld gehad. Dit brengt mee dat het [benadeelde 8] bewezen acht dat verdachte zich samen met medeverdachte [medeverdachte 1] schuldig heeft gemaakt aan openlijk geweld tegen [benadeelde 6] en [benadeelde 7] . Strafverzwarende omstandigheid [benadeelde 6] (feit 4) Als gevolg van het op [benadeelde 6] uitgeoefende geweld is hem letsel toegebracht, bestaande uit: een gebroken neus, een scheurtje in zijn linker neusvleugel en een tand door de lip. Nu het hof heeft vastgesteld dat verdachte de enige is geweest die [benadeelde 6] op zijn neus heeft geslagen, en bovendien de neus na het slaan door verdachte scheef stond en uit de (medische) stukken is gebleken dat de neus daadwerkelijk gebroken was, acht het hof bewezen dat verdachte dit letsel bij [benadeelde 6] heeft veroorzaakt. Het hof ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of het letsel bij [benadeelde 6] moet worden aangemerkt als enig lichamelijk letsel of als zwaar lichamelijk letsel. Het hof stelt voorop dat onder zwaar lichamelijk letsel op grond van artikel 82 van het Wetboek van Strafrecht wordt begrepen: ziekte die geen uitzicht op volkomen genezing overlaat, voortdurende ongeschiktheid tot uitoefening van ambts- of beroepsbezigheden, afdrijving of dood van de vrucht van een vrouw alsmede storing van de verstandelijke vermogens die langer dan vier weken heeft geduurd. Ook buiten deze gevallen kan lichamelijk letsel als zwaar worden beschouwd indien dat voldoende belangrijk is om naar gewoon spraakgebruik als zodanig te worden aangeduid. Uit de rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat een (eenvoudige) breuk niet zonder meer kan worden aangemerkt als zwaar lichamelijk letsel. Bij de beantwoording van de vraag of het letsel als zwaar lichamelijk letsel moet worden aangemerkt, is van belang of het oordeel van de rechter iets inhoudt over de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en/of het uitzicht op (volledig) herstel. Het hof overweegt daarover als volgt. Aangever [benadeelde 6] heeft verklaard dat hij zijn gebroken neus zelf (meteen) heeft rechtgezet. Tijdens de resterende tijd van zijn vakantie op Mallorca voelde hij zich klote, kon hij niet goed ademen en was zijn gezicht dik. Uit de geneeskundige verklaring van de huisarts van [benadeelde 6] van 3 augustus 2021 – ongeveer drie weken na het incident – volgt dat sprake is van een lichte scheefstand van het neustussenschot met enige zwelling van de neusrug. Tussen augustus 2021 en juni 2022 (‘einde behandeling’) heeft [benadeelde 6] meerdere afspraken bij de KNO-arts gehad, met name omdat zijn linkerneusgat niet goed doorgankelijk is waardoor hij niet vrij en onbelemmerd kan ademhalen. Om dit te verhelpen heeft op enig moment een kleine ingreep, genaamd celon conchae, plaatsgevonden. In zijn schriftelijke slachtofferverklaring van 12 oktober 2022 schrijft [benadeelde 6] hierover het volgende: ‘Ik ben bij de huisarts en de KNO arts geweest, die een breuk hebben geconstateerd. Door de klappen is een wellicht licht natuurlijke scheefstand binnen in mijn neus erger geworden. Inmiddels ben ik eraan geopereerd, maar dit heeft nog niet genoeg geholpen, mijn linkerneusgat zit altijd dicht. (…) alleen maar kunnen ademen door 1 neusgat is heel irritant.’ Uit de slachtofferstukken blijkt verder nog dat ‘men besluit tot operatie’ en dat de neus van [benadeelde 6] ‘eigenhandig op Mallorca is rechtgezet wat in Nederland leidde tot nader ingrijpen van en door de KNO arts’. Hoewel het hof beschikt over diverse medische stukken en verklaringen, blijkt uit deze stukken niets over de aard van de breuk van de neus van [benadeelde 6] . Ook is onduidelijk of de breuk en de gevolgen daarvan door middel van een operatie of genoemde kleine ingreep zijn hersteld. Verder ontbreekt recente informatie over de zwelling in het linkerneusgat en is ook niet voldoende duidelijk of en, zo ja, in hoeverre dit impact heeft op zijn dagelijks leven. Het voorgaande brengt mee dat wat het hof uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting is gebleken over de aard van het letsel en de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen, alsook het uitzicht op (volledig) herstel ontoereikend is om het letsel aan te merken als zwaar lichamelijk letsel. Het hof kwalificeert het letsel dan ook als ‘enig lichamelijk letsel’. 3Bewijsoverwegingen [locatie 2] 3.1 Openlijke geweldpleging tegen [benadeelde 9] en [benadeelde 10] (feit 4) Verdachte heeft tegenover de politie, maar ook ter zitting in eerste aanleg en in hoger beroep, erkend dat hij [benadeelde 9] en [benadeelde 10] heeft geslagen. In hoger beroep is verdachte over de manier waarop hij de stoel heeft gehanteerd wat terughoudend en spreekt over ‘hard schuiven’. Op grond van de feitenvaststelling en de bewijsmiddelen zoals opgenomen in de bijlage bij dit arrest stelt het hof vast dat verdachte zich aan het begin bij de groep voegt die bij [benadeelde 9] staat. Het geweld begint met een klap van een medeverdachte aan [benadeelde 9] , waarna het geweld zich voortzet tegen [benadeelde 9] en vervolgens ook tegen [benadeelde 10] . [benadeelde 9] en [benadeelde 10] worden door verdachte en zijn medeverdachten geslagen en gestompt en tegen de grond gewerkt. [benadeelde 10] wordt meerdere keren geschopt. Ook wordt er door verdachte met een stoel in de richting van [benadeelde 10] gegooid. Dat door verdachte met de stoel is gegooid concludeert het hof op basis van de verklaring van [benadeelde 9] die een stoel richting [benadeelde 10] heeft zien ‘vliegen’ en de verklaring van [benadeelde 10] die heeft gezien dat er met een stoel werd gegooid, hetgeen ook zichtbaar is op de camerabeelden. Bovendien heeft verdachte bij de politie toegegeven de stoel te hebben gegooid. Gelet op de verklaringen van [benadeelde 9] en [benadeelde 10] hecht het hof op dit punt aan die verklaring meer waarde dan aan zijn latere verklaring. Op grond van het voorgaande acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich samen met medeverdachten [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 4] , [betrokkene] en [medeverdachte 5] en/of [medeverdachte 6] schuldig heeft gemaakt aan openlijk geweld tegen [benadeelde 9] en [benadeelde 10] . Verdachte heeft aan dit in vereniging (in de openbaarheid) gepleegde geweld een significante en wezenlijke bijdrage geleverd. Hij was vanaf het begin aanwezig, heeft [benadeelde 9] en [benadeelde 10] meerdere keren geslagen en heeft de stoel richting [benadeelde 10] gegooid. Strafverzwarende omstandigheid [benadeelde 10] (feit 4) Als gevolg van het op [benadeelde 10] uitgeoefende geweld is hem letsel toegebracht, bestaande uit: een gebroken duim, een opgezwollen enkel, een blauw oog en blauwe plekken op beide armen. Het hof kwalificeert dit letsel als ‘enig lichamelijk letsel’. Het hof ziet zich voor de vraag gesteld of één of meerdere letsels bij [benadeelde 10] zijn veroorzaakt door het handelen van verdachte. Vooropgesteld wordt dat uit de rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat de zwaardere strafbedreiging van artikel 141, tweede lid onder 1°, van het Wetboek van Strafrecht alleen van toepassing is op de verdachte die zelf het bewezenverklaarde letsel heeft toegebracht. De verdachte kan op grond van deze bepaling niet strafrechtelijk verantwoordelijk worden gehouden voor het door zijn mededaders in het kader van het openlijke geweld veroorzaakte letsel. Zoals hiervoor is vastgesteld heeft verdachte [benadeelde 10] meerdere keren geslagen, waaronder een zichtbaar harde vuistslag op de linkerkant van het gezicht. Het behoeft geen betoog dat deze handeling op zichzelf zeer geschikt is om een blauw oog te veroorzaken. Het hof constateert dat op de foto van [benadeelde 10] , kort na het incident gemaakt, de donkere verkleuring onder het oog weliswaar rechts zichtbaar is, maar dat het hof het aannemelijk acht dat de foto door [benadeelde 10] zelf is genomen – als selfie met zijn telefoon – met als gevolg dat het beeld wordt gespiegeld en (dus) sprake is van letsel aan het linkeroog. Dit maakt dat het hof bewezen acht dat het het door verdachte op [benadeelde 10] uitgeoefende geweld is geweest waardoor bij [benadeelde 10] een blauw oog is ontstaan. Dat door anderen ook geweld tegen [benadeelde 10] is uitgeoefend staat er niet aan in de weg verdachte het blauwe oog als gevolg van zijn geweldshandelingen toe te rekenen. Voor het overige letsel geldt dat ook door anderen in vereniging geweld tegen [benadeelde 10] is uitgeoefend dat geëigend kan zijn dit lichamelijk letsel toe te brengen. Niet bewezen kan worden dat (juist) het door verdachte gepleegde geweld dat overige lichamelijk letsel ten gevolge heeft gehad. Dit staat aan toerekening in de weg. 3.2 Geweld tegen [benadeelde 10] (feit 3) Voor de beoordeling van de vraag of het handelen van verdachte kan worden gekwalificeerd als (het medeplegen van) een poging tot doodslag op dan wel zware mishandeling van [benadeelde 10] gaat het hof nader in op het door verdachte en zijn medeverdachten gebruikte geweld. Op grond van de feitenvaststelling en de bewijsmiddelen zoals opgenomen in de bijlage bij dit arrest stelt het hof vast dat [benadeelde 10] op enig moment op de grond belandt. Vanaf dat moment wordt hij – terwijl hij probeert op te staan – door verdachte en zijn medeverdachten bij voortduring en van verschillende kanten met kracht geslagen en geschopt. Er is sprake van fors en heftig groepsgeweld. Nadat [benadeelde 10] voor de tweede keer is opgekrabbeld en al vele malen is geschopt en geslagen, wordt hij weer van verschillende kanten geslagen. Hij krijgt een harde stomp in zijn gezicht van verdachte. Terwijl hij wankelt, wordt hij van verschillende kanten geslagen door medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] , onder meer ook tegen zijn hoofd. Als hij ten gevolge daarvan achterover op de grond valt wordt – terwijl hij weerloos op de grond ligt – door medeverdachte [medeverdachte 1] een krachtige stampende beweging ter hoogte van het bovenlichaam dan wel rechterschouder van [benadeelde 10] gemaakt en richting zijn hoofd geschopt. Medeverdachte [medeverdachte 5] schopt nog tweemaal tegen zijn benen. [benadeelde 10] blijft bewusteloos op de grond liggen. Daarnaast stelt het hof vast dat op het moment dat medeverdachte [medeverdachte 1] richting het hoofd van [benadeelde 10] schopt verdachte en de medeverdachten, die op dat moment nog in de buurt zijn, op enige afstand staan en dat zij zelf geen geweld (meer) gebruiken tegen [benadeelde 10] . Nadat [medeverdachte 5] [benadeelde 10] tegen de benen schopt eindigt het geweld tegen [benadeelde 10] . Medeplegen en opzet Het hof stelt voorop dat betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezenverklaard als is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking. Een vooropgezet plan hoeft aan het medeplegen niet ten grondslag te liggen, want medeplegen kan ook als een opwelling uit de situatie voortspruiten en zelfs stilzwijgend plaatsvinden. Ook is niet nodig dat alle medeplegers uitvoeringshandelingen verrichten, maar de samenwerking moet wel intensief zijn. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad kan de bewuste en nauwe samenwerking onder meer blijken uit de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol van de verdachte in de voorbereiding, uitvoering of afhandeling van het delict en het belang daarvan, zijn aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip. In dit opzicht kan ook de aard van het delict een rol spelen. Verder is van belang dat niet is vereist dat iedere medepleger exact op de hoogte is van de bijdragen van de andere medepleger(
  14. s)aan het strafbare feit. Wel dient er bij de medepleger sprake te zijn van een zogenoemd 'dubbel' opzet dat ziet op het tot stand brengen van het feit als op de samenwerking met de andere dader of daders. Nauwe en bewuste samenwerking Uit de hiervoor vastgestelde feiten volgt dat niet alleen verdachte maar ook zijn medeverdachten geweld tegen [benadeelde 10] hebben gebruikt. De vraag is of sprake is geweest van een zodanige nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn medeverdachten dat dit kan worden aangemerkt als medeplegen. Vastgesteld is dat zowel verdachte als zijn medeverdachten zowel gelijktijdig als afwisselend, kort na elkaar en bij voortduring [benadeelde 10] hebben geslagen, gestompt en geschopt, zoals hiervoor omschreven. De verdachten stonden hierbij om [benadeelde 10] heen. Ook is vastgesteld dat verdachte op enige afstand staat op het moment dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 5] (richting) de op de grond liggende [benadeelde 10] schoppen; hij gebruikt dan zelf geen geweld (meer) tegen [benadeelde 10] . Vaststaat dat verdachte en zijn medeverdachten tot dan toe niet dergelijk zwaar geweld als door [medeverdachte 1] is toegepast, hebben gebruikt. Voorgaande vaststellingen leiden tot het oordeel dat sprake is geweest van een gezamenlijke geweldsuitoefening waarbij verdachte en zijn medeverdachten zich dusdanig hebben gemanifesteerd door tegelijk en achtereenvolgens (fors) geweld op [benadeelde 10] uit te oefenen dat daaruit kan worden afgeleid dat zij bewust hebben samengewerkt. De verdachten hebben ieder voor zich een substantieel en rechtstreeks aandeel gehad in het door hen uitgeoefende geweld. Op grond hiervan oordeelt het hof dat sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn medeverdachten. Daarmee acht het hof het tenlastegelegde medeplegen bewezen. Gelet op het verloop van het gevecht is het hof van oordeel dat vanaf het moment dat [medeverdachte 1] richting het hoofd van [benadeelde 10] schopt niet meer kan worden gesproken van een nauwe en bewuste samenwerking. Niet alleen had verdachte op dat moment (enige) afstand tot het gevecht, ook is van belang dat het door [medeverdachte 1] gebruikte geweld in aard en ernst zozeer afwijkt van het daarvoor door verdachte en zijn medeverdachten toegepaste geweld dat vanaf dat moment geen sprake meer is van een nauwe en bewuste samenwerking. Dit brengt mee dat niet kan worden bewezen dat verdachte deze geweldshandelingen heeft begaan als medepleger. In de volgende paragraaf bespreekt het hof wat hiervan de consequenties zijn. (Voorwaardelijk) opzet Voor een bewezenverklaring moet verder worden vastgesteld dat verdachte en zijn medeverdachten door hun handelen (voorwaardelijk) opzet op de dood, dan wel opzet op zwaar lichamelijk letsel bij [benadeelde 10] hebben gehad. Het hof stelt voorop dat voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – zoals hier de dood of zwaar lichamelijk letsel – aanwezig is als de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dat gevolg zal intreden. De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. Uit de feitenvaststelling en de bewijsmiddelen zoals opgenomen in de bijlage bij dit arrest volgt dat verdachte en zijn medeverdachten fors geweld op [benadeelde 10] hebben uitgeoefend. Zij hebben hem bij voortduring geslagen, gestompt, ook tegen het gezicht en (achter)hoofd, en geschopt. Zoals hiervoor is overwogen acht het hof niet bewezen dat verdachte het schoppen door medeverdachte [medeverdachte 1] richting het hoofd van [benadeelde 10] heeft medegepleegd. Deze geweldshandelingen wegen dan ook niet mee bij de beoordeling van het opzet van verdachte. Het hof overweegt dat het meermalen met kracht met de vuist stompen onder meer tegen het hoofd zoals door verdachte en zijn medeverdachten is gedaan, resulteert in een reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid op zwaar lichamelijk letsel aan hoofd, hersenen en/of nek (zoals ernstige breuken van de nek, schedel en/of oogkas, mogelijk in combinatie met bloedingen onder de schedel of ander hersenletsel). Het hof neemt daarbij in aanmerking dat uit de camerabeelden blijkt dat verdachte en zijn medeverdachten met aanzienlijke kracht hebben uitgehaald onder meer tegen en richting het gezicht en hoofd van [benadeelde 10] . [benadeelde 10] valt als gevolg van de klappen meermalen op de grond. Daar komt bij dat op camerabeelden is te zien dat het [benadeelde 10] nauwelijks lukt om zich te beschermen. Anders dan de advocaten-generaal is het hof van oordeel dat op grond van het dossier niet kan worden vastgesteld dat door het handelen van verdachte en zijn medeverdachten de kans aanmerkelijk was dat [benadeelde 10] zodanig ernstig gewond zou raken dat hij daaraan zou komen te overlijden. Dat het oordeel van het hof afwijkt wordt (deels) verklaard doordat het hof – anders dan de advocaten-generaal – het geweld aan het eind van het gevecht buiten beschouwing laat bij de beoordeling van de aan verdachte verweten gedragingen. Uit de door het hof vastgestelde handelingen kan zonder medische verklaring of andersoortige informatie over het letsel (als indicatie voor de kracht) geen levensbedreigend risico worden afgeleid. Het voorgaande leidt tot het oordeel dat verdachte met zijn gedragingen bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat [benadeelde 10] zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. Dat sprake is van bewuste aanvaarding leidt het hof af uit de uiterlijke verschijningsvorm. Het handelen van verdachte en zijn medeverdachten is naar zijn uiterlijke verschijningsvorm – vooral het samen met zijn medeverdachten bij voortduring hard slaan tegen en richting het hoofd – zozeer gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel dat verdachte de aanmerkelijke kans op dit gevolg daadwerkelijk heeft aanvaard. Van aanwijzingen voor het tegendeel is niet gebleken. Er is dus sprake van (voorwaardelijk) opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Het onder 3 subsidiair tenlastegelegde acht het hof wettig en overtuigend bewezen. 4Bewijsoverwegingen [locatie 3] 4.1 De feiten: wat is er gebeurd? Het hof stelt op grond van het procesdossier en het verhandelde ter zitting de volgende feiten en omstandigheden vast. In de nacht van 14 juli 2021, korte tijd nadat door verdachte en medeverdachten fors geweld was gepleegd voor [locatie 1] en [locatie 2] , gingen verdachte en de medeverdachten over de boulevard in de richting de [locatie 3] . Op straat ter hoogte van de [locatie 3] komt het tot een confrontatie tussen (een deel van) de groep van verdachte en een groep mannen, te weten: [slachtoffer] , [benadeelde 2] , [benadeelde 3] , [benadeelde 4] en [benadeelde 5] (hierna: de groep uit [plaats] ). Na een korte woordenwisseling loopt het uit de hand als medeverdachte [medeverdachte 1] een eerste klap uitdeelt. Op dat moment staan verdachte en medeverdachten [medeverdachte 2] , [medeverdachte 6] en [medeverdachte 5] bij [medeverdachte 1] . Er ontstaat een massale vechtpartij waarbij door verschillende personen uit de groep van verdachte verschillende vormen van geweld worden uitgeoefend tegen de personen van de groep uit [plaats] . De groep uit [plaats] deed niet veel terug. In korte tijd volgt vanuit de groep van verdachte onder meer het volgende geweld: [benadeelde 4] krijgt een klap op zijn gezicht en er wordt geprobeerd hem te tackelen. [slachtoffer] wordt op zijn hoofd geslagen, valt op de grond en wordt vervolgens tegen zijn hoofd geschopt. [benadeelde 5] rent weg en wordt tijdens het wegrennen geslagen. [benadeelde 2] wordt tegen de grond gebeukt. Terwijl [benadeelde 2] op de grond ligt wordt hij twee keer tegen zijn hoofd geschopt, waardoor hij buiten bewustzijn raakt. [benadeelde 3] wordt geschopt, geslagen en geduwd. Uit de beschikbare beelden volgt dat [slachtoffer] op de grond ligt op het moment dat [benadeelde 2] en [benadeelde 3] worden aangevallen. Als gevolg van het geweld heeft [benadeelde 3] blauwe plekken opgelopen en is [benadeelde 2] naast blauwe plekken en schaafwonden een gezwollen schedel en bulten op zijn hoofd toegebracht. [slachtoffer] is als gevolg van het geweld op 18 juli 2021 overleden. Ten aanzien van de rol van verdachte stelt het hof bovendien vast dat verdachte: deel uitmaakte van de groep die tegenover de groep uit [plaats] is gaan staan; (aan het begin van het geweld) [benadeelde 4] heeft geslagen en hem achterna is gerend; [benadeelde 2] tegen de grond heeft gebeukt; [benadeelde 3] op de rug is gesprongen en hem heeft geslagen en geschopt. 4.2 Openlijke geweldpleging tegen [slachtoffer] , [benadeelde 2] , [benadeelde 3] , [benadeelde 4] en [benadeelde 5] (feit 5) Op grond van de hiervoor vastgestelde feiten en de bewijsmiddelen zoals opgenomen in de bijlage bij dit arrest acht het hof bewezen dat verdachte vanaf het begin deel uitmaakte van de groep die tegenover de groep uit [plaats] is gaan staan en dat hij binnen de geweldsexplosie die zich daar tegen die groep heeft afgespeeld vervolgens geweld heeft gepleegd tegen [benadeelde 4] , [benadeelde 2] en [benadeelde 3] , zoals hiervoor beschreven. Door zijn handelen heeft verdachte een voldoende significante en wezenlijke bijdrage aan het (in de openbaarheid gepleegde) geweld tegen de gehele groep uit [plaats] gehad. Evenals de rechtbank en de advocaten-generaal is het hof van oordeel dat het openlijk geweld voor de [locatie 3] juridisch niet uiteenvalt in meerdere kleine vechtpartijen tegen afzonderlijke personen, waarbij per verdachte moet worden beoordeeld tegen wie hij geweld heeft gepleegd. Dit gaat niet alleen in tegen de feitelijke situatie zoals die heeft plaatsgevonden – te weten: één massale aanval van de groep van verdachte tegen de groep uit [plaats] , waarbij op korte afstand van elkaar en binnen een kort tijdsbestek (deels) tegelijkertijd geweldshandelingen tegen de verschillende slachtoffers werden verricht – maar ook tegen de inhoud en ratio van artikel 141 van het Wetboek van Strafrecht, namelijk het strafbaar stellen van openlijk en in verenigde krachten gepleegd (groeps)geweld tegen personen, waarbij niet iedere pleger zelf geweld moet hebben gepleegd tegen ieder slachtoffer. Voor een bewezenverklaring van het “in vereniging” plegen van geweld is – zoals eerder is overwogen – slechts vereist dat de verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan dat openlijke geweld. Nu verdachte zich ervan bewust was dat ook anderen deelnamen aan de openlijke geweldpleging kan daaruit worden afgeleid dat verdachte opzet had op het in vereniging plegen van geweld. Het voorgaande brengt mee dat het hof bewezen acht dat verdachte zich samen met medeverdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 6] en [medeverdachte 5] schuldig heeft gemaakt aan openlijk geweld tegen [slachtoffer] , [benadeelde 2] , [benadeelde 3] , [benadeelde 4] en [benadeelde 5] . Ten aanzien van het openlijk geweld tegen [benadeelde 2] en [benadeelde 3] geldt dat dit bovendien samen met [medeverdachte 7] en [medeverdachte 4] is gepleegd. Strafverzwarende omstandigheid [slachtoffer] , [benadeelde 3] en [benadeelde 2] (feit 5) Aan verdachte is tenlastegelegd dat zijn bijdrage aan het openlijk geweld (zwaar) lichamelijk letsel bij [slachtoffer] , [benadeelde 3] en [benadeelde 2] tot gevolg heeft gehad. Vooropgesteld wordt dat uit de rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat de zwaardere strafbedreiging van artikel 141, tweede lid onder 1°, van het Wetboek van Strafrecht alleen van toepassing is op de verdachte die zelf het bewezenverklaarde letsel heeft toegebracht. De verdachte kan op grond van deze bepaling niet strafrechtelijk verantwoordelijk worden gehouden voor het door zijn mededaders in het kader van het openlijke geweld veroorzaakte letsel. [slachtoffer] Evenals de rechtbank en de advocaten-generaal acht het hof niet bewezen dat verdachte zelf geweldshandelingen tegen [slachtoffer] heeft begaan. Nu verdachte op grond van deze bepaling evenmin strafrechtelijk verantwoordelijk kan worden gehouden voor het door zijn mededaders in het kader van het openlijke geweld veroorzaakte letsel kan dit strafverzwarende onderdeel niet worden bewezen. [benadeelde 3] Als gevolg van het op [benadeelde 3] uitgeoefende geweld heeft hij blauwe plekken opgelopen. Het hof kwalificeert dit letsel als ‘enig lichamelijk letsel’. Het hof ziet zich voor de vraag gesteld of één of meerdere letsels bij [benadeelde 3] zijn veroorzaakt door het handelen van verdachte. Zoals hiervoor is vastgesteld heeft verdachte [benadeelde 3] geschopt en geslagen. Het hof acht bewezen dat verdachte hierdoor een blauwe plek op het lichaam van [benadeelde 3] heeft veroorzaakt. Dat door anderen ook geweld tegen [benadeelde 3] is uitgeoefend staat niet in de weg aan het oordeel dat het handelen van verdachte een blauwe plek op het lichaam van [benadeelde 3] tot gevolg heeft gehad. [benadeelde 2] Als gevolg van het op [benadeelde 2] uitgeoefende geweld heeft hij blauwe plekken, schaafwonden, een gezwollen schedel en bulten op zijn hoofd opgelopen. Het hof kwalificeert dit letsel als ‘enig lichamelijk letsel’. Het hof ziet zich voor de vraag gesteld of één of meerdere letsels bij [benadeelde 2] zijn veroorzaakt door het handelen van verdachte. Zoals hiervoor is vastgesteld heeft verdachte [benadeelde 2] een beuk gegeven waardoor hij op de grond terecht is gekomen. Het hof acht bewezen dat verdachte hierdoor een blauwe plek op het lichaam van [benadeelde 2] heeft veroorzaakt. Dat door anderen ook geweld tegen [benadeelde 2] is uitgeoefend staat niet in de weg aan het oordeel dat het handelen van verdachte een blauwe plek op het lichaam van [benadeelde 2] tot gevolg heeft gehad. 4.3 Geweld tegen [slachtoffer] (feit 1) Het hof – evenals de rechtbank en zoals gevorderd door de advocaten-generaal – spreekt verdachte vrij van de doodslag dan wel (zware) mishandeling met de dood tot gevolg van [slachtoffer] . Het dossier bevat onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voor het oordeel dat verdachte betrokken is geweest bij de doodslag op dan wel de (zware) mishandeling met de dood tot gevolg van [slachtoffer] . De speculaties in het dossier richting verdachte zijn hiervoor onvoldoende en het signalement dat getuige [getuige 4] geeft van de jongen die [slachtoffer] zou hebben geslagen past slechts deels bij het uiterlijk van verdachte. Bovendien acht het hof het door de verdediging geschetste (alternatieve) scenario dat – kort gezegd – inhoudt dat verdachte aan het begin van het gevecht aan [benadeelde 4] een slag op zijn neus (of iets ernaast) heeft gegeven, dat [benadeelde 4] schrok en vervolgens wegrende en dat verdachte hierop achter [benadeelde 4] is aangerend, aannemelijk geworden. Dit scenario vindt steun in de verklaring van medeverdachte [medeverdachte 6] die heeft verklaard dat hij heeft gezien dat verdachte [benadeelde 4] een klap gaf en dat verdachte vervolgens achter [benadeelde 4] is aangerend. Ook past het scenario bij de verklaring van [benadeelde 4] die heeft verklaard dat hij – zonder dat hij op dat moment ander geweld tegen zijn vrienden heeft gezien – een klap op zijn neus kreeg, dat hij daarvan schrok en dat hij toen is weggerend. Het signalement dat [benadeelde 4] geeft (een jongen met een wat langer wit shirt en een spijkerbroekje, donker haar, langer dan gemiddeld en groter dan 1.84 meter) past redelijk bij het uiterlijk van verdachte die nacht. Nu het hof heeft vastgesteld dat ook [slachtoffer] als een van de eerste slachtoffers wordt belaagd en bij de start van de groepsaanval vrijwel meteen op de grond terechtkomt kan verdachte gelet op het tijdspad (dus) geen geweld tegen [slachtoffer] hebben gebruikt. Verdachte rende op dat moment achter [benadeelde 4] aan of was gestopt met rennen maar stond een stuk verderop in de straat. Dit scenario sluit de betrokkenheid van verdachte bij het (dodelijke) geweld tegen [slachtoffer] uit. Het voorgaande brengt mee dat verdachte wordt vrijgesproken van de onder 1 primair, subsidiair en meer subsidiair tenlastegelegde doodslag op dan wel de (zware) mishandeling met de dood tot gevolg van [slachtoffer] . 4.4 Geweld tegen [benadeelde 2] (feit 2) Hiervoor is door het hof vastgesteld dat verdachte [benadeelde 2] tegen de grond heeft gebeukt en dat [benadeelde 2] vervolgens, op het moment dat hij op de grond ligt, door medeverdachte [medeverdachte 1] en medeverdachte [medeverdachte 6] tegen het hoofd van [benadeelde 2] wordt geschopt. Verdachte is hierbij niet meer aanwezig. Hij heeft zich na het tegen grond beuken van [benadeelde 2] omgedraaid en is in de richting van [benadeelde 3] gerend. Evenals de rechtbank – anders dan de advocaten-generaal – is het hof van oordeel dat uit deze feiten en omstandigheden onvoldoende blijkt dat er sprake is geweest van een bewuste en nauwe samenwerking tussen verdachte en zijn medeverdachten gericht op de dood dan wel zware mishandeling van [benadeelde 2] . Hierbij acht het hof het van belang dat verdachte nadat hij [benadeelde 2] een beuk heeft gegeven is weggerend, waardoor het door medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 6] gepleegde geweld plaatsvindt buiten aanwezigheid van verdachte. Bovendien wijkt het door [medeverdachte 1] en [medeverdachte 6] gebruikte geweld naar zijn aard en ernst substantieel af van het daarvoor door verdachte toegepaste geweld. Dat verdachte eerder die avond ook betrokken is geweest bij het geweld bij [locatie 1] en [locatie 2] betekent niet dat hij ernstig rekening had moeten houden met dit andere zeer forse geweld van zijn medeverdachten. Gelet op de rol van verdachte, de aard van de door hem gepleegde geweldshandeling en het moment waarop deze binnen het totale op [benadeelde 2] uitgeoefende geweld heeft plaatsgevonden – voordat [benadeelde 2] tegen zijn hoofd werd geschopt – kan niet wettig en overtuigend worden bewezen dat sprake was van een (al dan niet voorwaardelijk) opzet op de dood van [benadeelde 2] . Daarbij overweegt het hof nog ten overvloede dat ook ten aanzien van het door verdachte gepleegde geweld niet kan worden vastgesteld dat de kans aanmerkelijk was dat [benadeelde 2] door het tegen de grond beuken zodanig ernstig gewond zou raken dat hij daaraan zou komen te overlijden dan wel dat dit handelen zwaar lichamelijk letsel aan hoofd, hersenen en/of nek tot gevolg zou hebben. Hierbij neemt het hof ook in aanmerking dat op grond van het dossier de intensiteit van de beuk niet kan worden vastgesteld, terwijl een beuk in zijn algemeenheid, zonder nadere vaststellingen of informatie over het letsel (als indicatie voor de kracht), onvoldoende is om zonder meer aan te kunnen nemen dat die tot de dood of zwaar lichamelijk letsel leidt. Het voorgaande brengt mee dat verdachte wordt vrijgesproken van de onder 2 primair en subsidiair tenlastegelegde poging tot doodslag dan wel poging tot zware mishandeling van [benadeelde 2] . 5Conclusie Het hof acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 primair, subsidiair en meer subsidiair, 2 primair en subsidiair en 3 primair tenlastegelegde heeft begaan. Het hof spreekt verdachte daarvan vrij. De onder 3 subsidiair, 4 en 5 tenlastegelegde feiten acht het hof wettig en overtuigend bewezen. Bewezenverklaring Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel – ook in onderdelen – slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 3 subsidiair, 4, en 5 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat: 3. subsidiair hij, op 14 juli 2021 te [plaats] , in Spanje, tezamen en in vereniging met anderen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [benadeelde 10] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, - voornoemde [benadeelde 10] meermalen met kracht op/tegen het hoofd en het (boven)lichaam, heeft geslagen en gestompt en - voornoemde [benadeelde 10] meermalen (met kracht) op/tegen het (boven)lichaam, heeft getrapt en/of geschopt (terwijl voornoemde [benadeelde 10] op de grond lag), terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; 4.hij, op 14 juli 2021 te [plaats] , in Spanje, openlijk, te weten op de [locatie 1] , op of aan de openbare weg en op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen personen, te weten [benadeelde 6] en [benadeelde 7] door: - voornoemde [benadeelde 6] en [benadeelde 7] te stompen en te slaan tegen het hoofd, terwijl dit door hem gepleegde geweld enig lichamelijk letsel ten gevolge heeft gehad, te weten: - een gebroken neus en een scheurtje in de neusvleugel en een tand door de lip bij[benadeelde 6] , en hij, op 14 juli 2021 te [plaats] , in Spanje, openlijk, te weten op de [locatie 2] , op of aan de openbare weg en op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen personen, te weten [benadeelde 9] en [benadeelde 10] door: - voornoemde [benadeelde 9] en [benadeelde 10] te duwen en/of naar de grond toe te brengen en met de vuist te stompen en te slaan en te schoppen en/of te trappen op en/of in de richting van en/of tegen het hoofd en het (boven)lichaam en met een stoel te gooien in de richting van voornoemde slachtoffer(
  15. s)en/of andere personen, terwijl dit door hem gepleegde geweld enig lichamelijk letsel ten gevolge heeft gehad, te weten: - een blauw oog bij [benadeelde 10] ; 5.hij, op 14 juli 2021 te [plaats] , in Spanje, openlijk, te weten op de [locatie 3] , op of aan de openbare weg en op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen personen, te weten [slachtoffer] en [benadeelde 3] en [benadeelde 4] en [benadeelde 5] en [benadeelde 2] door: - voornoemde [slachtoffer] en/of [benadeelde 3] en/of [benadeelde 4] en/of [benadeelde 5] en/of [benadeelde 2] te duwen en/of te trekken en/of naar de grond toe te brengen en/of (met de vuist) te stompen en/of te slaan en/of te schoppen en/of te trappen op en/of in de richting van en/of tegen het hoofd en/of het (boven)lichaam, terwijl dit door hem gepleegde geweld enig lichamelijk letsel ten gevolge heeft gehad, te weten: - een blauwe plek op het lichaam bij [benadeelde 3] en - een blauwe plek op het lichaam bij [benadeelde 2] . Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Het onder 3 subsidiair bewezenverklaarde levert op: medeplegen van poging tot zware mishandeling. Het onder 4 bewezenverklaarde levert op: (bij [locatie 1] ) openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen, terwijl het door de schuldige gepleegde geweld enig lichamelijk letsel ten gevolge heeft, en (bij [locatie 2] ) openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen, terwijl het door de schuldige gepleegde geweld enig lichamelijk letsel ten gevolge heeft. Het onder 5 bewezenverklaarde levert op: openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen, terwijl het door de schuldige gepleegde geweld enig lichamelijk letsel ten gevolge heeft. Strafbaarheid van de verdachte Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn. Oplegging van straf en/of maatregel De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. De ernst van de feiten Verdachte heeft zich samen met zijn medeverdachten in de nacht van 14 juli 2021 op Mallorca tijdens het uitgaan schuldig gemaakt aan zinloos en excessief uitgaansgeweld. Ten laste van verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van een poging tot zware mishandeling en openlijke geweldplegingen tegen negen personen, waarbij door verdachte aan vier personen letsel is toegebracht. Verdachte heeft zich zowel bij [locatie 1] als bij [locatie 2] als bij de [locatie 3] schuldig gemaakt aan openlijk geweld. Uit het dossier, waaronder ook de beelden die het hof heeft gezien, blijkt de enorme agressiviteit en felheid waarmee verdachte zich heeft gemengd in de verschillende gevechten. Bij [locatie 1] heeft hij met medeverdachte [medeverdachte 1] openlijk geweld gepleegd tegen [benadeelde 7] en [benadeelde 6] , waarbij [benadeelde 6] door verdachte een gebroken neus is geslagen. Bij [locatie 2] heeft hij met anderen geweld gebruikt tegen [benadeelde 9] en [benadeelde 10] , waardoor [benadeelde 10] gewond is geraakt. Door verdachte is meerdere keren met zijn vuist hard uitgehaald richting [benadeelde 10] . [benadeelde 10] was een speelbal van het op hem door verdachte en zijn medeverdachten uitgeoefende geweld en is uiteindelijk buiten bewustzijn op de grond achtergebleven. Het geweld tegen [benadeelde 10] was zelfs zo hevig en intens dat [benadeelde 10] daardoor zwaar lichamelijk letsel had kunnen oplopen. Verdachte heeft met zijn handelen een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van [benadeelde 10] . Bij de [locatie 3] , ongeveer een half uur later, gaat de groep van verdachte opnieuw over tot geweld. Zonder dat er voor verdachte enige wezenlijke aanleiding was, heeft hij zich met zijn medeverdachten op een groep mannen (te weten: [benadeelde 2] , [slachtoffer] , [benadeelde 3] , [benadeelde 4] en [benadeelde 5] ) gestort. Dat geweld had al meteen tot resultaat dat [slachtoffer] buiten bewustzijn op de grond achterbleef en [benadeelde 4] en [benadeelde 5] gewond raakten door de slagen en trappen van verdachte en zijn medeverdachten. Niettemin ging het geweld door tegen [benadeelde 3] en [benadeelde 2] . [benadeelde 2] wordt door verdachte tegen de grond gebeukt en door twee medeverdachten tegen zijn hoofd geschopt, waarna hij bewusteloos blijft liggen. Dat geweld tegen [benadeelde 2] was zo heftig dat hij daardoor had kunnen overlijden. Ook wordt met een overmacht van meerdere personen, waaronder verdachte, geprobeerd [benadeelde 3] ten val te brengen en ook naar hem wordt geslagen en geschopt. Dat [benadeelde 3] niet is gevallen en zijn letsel beperkt is gebleven tot een aantal blauwe plekken, is niet aan verdachte en zijn medeverdachten te danken. Dat het hier om ernstige feiten gaat met ook zeer ernstige gevolgen, behoeft geen betoog. Deze uiterst verwerpelijke gebeurtenissen, in het bijzonder de gevolgen van het daarbinnen uitgeoefende geweld tegen [slachtoffer] , hebben de samenleving in hoge mate geschokt. Bovendien zorgt dit soort geweld voor gevoelens van onveiligheid bij de slachtoffers en in de samenleving. Dat deze gevoelens nog langere tijd kunnen blijven bestaan blijkt ook uit de verklaringen van slachtoffers. Dat verdachte zich meermaals en ook in korte tijd schuldig heeft gemaakt aan deze geweldsfeiten wordt hem aangerekend. Hoewel verdachte niet verantwoordelijk wordt gehouden voor de dood van [slachtoffer] heeft het hof wel bewezen geacht dat verdachte ook tegen hem openlijk geweld heeft gepleegd. In elk geval kan worden gezegd dat verdachte door zijn optreden mede heeft bijgedragen aan een situatie waarin het op dramatische wijze volkomen uit de hand is gelopen. Belangrijk om daarbij op te merken is dat het hof niet heeft vastgesteld dat verdachte (ook) daadwerkelijk zelf geweldshandelingen tegen [slachtoffer] heeft gepleegd. Het overlijden van [slachtoffer] is dan ook geen strafverzwarende omstandigheid in de zin van de wet, maar draagt wel bij aan de ernst van het feit en de gevolgen daarvan en heeft daarmee invloed op de hoogte van de op te leggen straf. Het openbaar ministerie verwijt alle verdachten dat zij geen antwoord geven op de vraag wat er met [slachtoffer] is gebeurd. Het hof doet dit niet en overweegt – net als de rechtbank – als volgt. Er is in de media en ook ter zitting gesproken over ‘het geheim van Mallorca’. Daarbij is de veronderstelling opgeworpen dat betrokkenen meer weten over de dood van [slachtoffer] dan zij vertellen. Wat daar van zij, niet vastgesteld kan worden dat dit voor verdachte geldt. Alleen al daarom speelt dit geen rol bij de strafoplegging. Bij de op te leggen straf is alleen bepalend en kan ook alleen maar bepalend zijn wat ten laste van verdachte bewezen is verklaard. Duidelijk moet zijn: of er nou is gescholden of gespuugd of wellicht een klap is uitgedeeld door (een van) de slachtoffers, voor het door verdachte en zijn medeverdachten gepleegde geweld bestaat geen enkele rechtvaardiging. De persoon van verdachte Verdachte heeft zich op achttienjarige leeftijd aan de bewezenverklaarde feiten schuldig gemaakt. Het hof heeft kennisgenomen van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie betreffende verdachte van 30 oktober 2023, waaruit blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten. Wel heeft verdachte eenmaal een strafbeschikking tot een geldboete van € 240,- voldaan wegens baldadigheid. Dit weegt het hof niet in het nadeel van verdachte mee. Verder heeft het hof kennisgenomen van de Pro-Justitia rapportage van 13 december 2021, opgemaakt door S.A. Moonen, gezondheidspsycholoog, waaruit blijkt dat er bij verdachte sprake is van een psychische stoornis in de zin van ADHD. Dit was ten tijde van het tenlastegelegde niet anders. Over de beoordeling van een verband tussen de stoornis (ADHD) en de door verdachte bekende ten laste gelegde feiten kan volgens de psycholoog worden betoogd dat verdachte weliswaar vanuit zijn stoornis geneigd kan zijn enigszins impulsief te handelen, maar dat zijn gedrag niet in die mate hierdoor bepaald wordt dat gesproken kan worden van beperkingen in zijn wilsvrijheid. De alcoholinname van verdachte kwam niet voort uit een stoornis. De psycholoog adviseert verdachte de ten laste gelegde feiten, bij een bewezenverklaring, volledig toe te rekenen. Bij gebrek aan een doorwerking van de stoornis in de ten laste gelegde feiten, kan geen op pathologie gestoelde risico inschatting worden gedaan. Ook heeft het hof acht geslagen op de reclasseringsadviezen van 20 september 2022 en 27 november 2023, opgemaakt door [naam 3] , reclasseringswerker bij Reclassering Nederland. Uit deze rapporten blijkt dat de reclassering het risico op recidive en letsel inschat als laag-gemiddeld. Bij een veroordeling adviseert de reclassering, indien de duur van een mogelijke gevangenisstraf dit toelaat, een deels voorwaardelijke straf met als bijzondere voorwaarden: een meldplicht, een ambulante behandeling, meewerken aan middelencontrole en een contactverbod met de slachtoffers. Het volwassenenstrafrecht Verdachte was ten tijde van het plegen van de strafbare feiten achttien jaar oud, zodat in beginsel het volwassenenstrafrecht van toepassing is. Op grond van artikel 77c Sr is het mogelijk om bij jongvolwassenen van 18 tot 23 jaar af te wijken van die hoofdregel en toepassing te geven aan het jeugdstrafrecht. De persoonlijkheid van een verdachte of de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan moeten daarvoor dan aanleiding geven. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat deze uitzondering is ingevoerd om toepassing van het sanctiestelsel voor jeugdigen bij jongvolwassenen te bevorderen, wanneer dit, gelet op de ontwikkelingsfase van de jongvolwassene, de meest effectieve manier is om het gedrag in gunstige zin te beïnvloeden. Het doel daarbij is om zo ook de adolescent te stimuleren een verantwoorde rol in de samenleving op zich te nemen. Er wordt daarbij voornamelijk gedacht aan jongvolwassen verdachten van ernstige misdrijven, die als veelpleger te boek staan en die bijzonder kwetsbaar zijn. In die gevallen is er mogelijk sprake van een (forse) vrijheidsbenemende straf, waarbij de tenuitvoerlegging onder het jeugdrecht afwijkt van het volwassenenstrafrecht. Een belangrijk verschil daarbij is dat binnen een justitiële jeugdinrichting (JJI) een pedagogische aanpak mogelijk is. Ook kan er in de hiervoor genoemde gevallen eerder sprake zijn van oplegging van een maatregel met behandeling, waarvoor het jeugdrecht andere mogelijkheden biedt dan het volwassenenstrafrecht. Dit is het uitgangspunt zoals het op dit moment geldt en door het hof zal worden gehanteerd. Met betrekking tot de door de raadsvrouw benoemde discussies ten aanzien van een mogelijke wijziging hiervan, overweegt het hof dat deze ontwikkeling niet zo eenduidig en pertinent is dat het hof daarin reden ziet een ander uitgangspunt te hanteren. Het hof ziet geen aanleiding om in de zaak van verdachte het jeugdstrafrecht toe te passen. De omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan geven hiertoe geen (enkele) reden. Ook is het hof van oordeel dat er – zowel ten tijde van het plegen van de feiten als op dit moment – geen noodzaak bestaat voor pedagogische beïnvloeding van verdachte. De indruk van verdachte zoals die ter zitting naar voren is gekomen en zoals die ook uit de rapportages blijkt, is die van een jongvolwassene die thuis woont maar ook een zelfstandig leven leidt met studie en een baan als ZZP-er. Verder blijkt uit de psychologische rapportage dat er bij verdachte, naast ADHD, geen sprake is van een stoornis of een cognitieve beperking. Uit het reclasseringsrapport van 27 november 2023 blijkt verder dat er enige indicaties zijn voor toepassing voor het jeugdstrafrecht, maar dat die niet dermate zwaarwegend zijn dat de reclassering een specifieke behandeling of maatregel van het jeugdstrafrecht adviseert. Dit alles tezamen maakt dat het hof er niet van is overtuigd dat het sanctiestelsel van het jeugdstrafrecht de meest effectieve manier is om het gedrag van verdachte te beïnvloeden. Het verzoek van de verdediging tot toepassing van het jeugdstrafrecht wordt dan ook afgewezen. De straf Gezien de ernst van het geheel van de mede door verdachte gepleegde feiten kan in dit geval niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Het hof hecht belang aan een uniforme strafoplegging in hoger beroep. Om deze reden heeft het hof bij het bepalen van de hoogte van de straf aansluiting gezocht bij de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) en heeft het hof acht geslagen op rechterlijke uitspraken met betrekking tot feiten, die met het onderhavige geval (grosso modo) vergelijkbaar zijn. De oriëntatiepunten gaan voor openlijke geweldpleging, als vertrekpunt van denken uit van een taakstraf voor de duur van 120 of 150 uren in geval van letsel. Omgerekend naar een gevangenisstraf gaat het om respectievelijk 60 dagen en 75 dagen hechtenis. Het LOVS kent geen oriëntatiepunt voor een poging tot zware mishandeling, maar het enigszins vergelijkbare oriëntatiepunt voor een (voltooide) zware mishandeling door middel van bijvoorbeeld één of meer kopsto(o)t(
  16. en)en/of schoppen/trappen tegen het hoofd is een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes maanden. Alles afwegend en uitgaande van de veelheid aan de door verdachte gepleegde feiten en het aantal gemaakte slachtoffers acht het hof in dit geval in beginsel oplegging van een gevangenisstraf van vijftien maanden, waarvan 80 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, passend en geboden. Het hof ziet evenwel aanleiding om deze straf te matigen als gevolg van het nadeel dat door de extreem indringende media-aandacht voor verdachte is veroorzaakt. Verdachte werd door de publieke opinie vroegtijdig – en naar achteraf is gebleken onterecht – als ‘dader’ en als een van de rechtstreeks verantwoordelijken voor de dood van [slachtoffer] gebrandmerkt. In de media werden volop portretten van verdachten, filmpjes, berichtjes en reacties gedeeld, ook werden de (volledige) persoonsgegevens van verdachte op internet geopenbaard. De op internet ontketende hetze heeft ernstige nadelige gevolgen voor de jongvolwassen verdachte en zijn omgeving gehad. Bovendien is algemeen bekend dat informatie, ook als het niet klopt, eenmaal op internet niet of nauwelijks kan worden uitgewist. De toekomstige werkgever die de naam van verdachte intoetst op Google zal waarschijnlijk direct worden gevoed met foutieve informatie over de mogelijke betrokkenheid van verdachte bij de dood van [slachtoffer] . Met deze ernstig nadelige gevolgen houdt het hof ten gunste van verdachte – en alle andere verdachten in de Mallorcazaak – rekening. Het hof benadrukt dat deze beslissing niet in het algemeen betekent dat een verdachte als hij te lijden heeft gekregen van media-aandacht omtrent zijn strafzaak recht heeft op matiging van zijn straf. Het voorgaande brengt mee dat het hof verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf van veertien maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan 50 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. Nu verdachte de opgelegde onvoorwaardelijke straf al in detentie heeft doorgebracht betekent dit dat verdachte niet opnieuw de gevangenis in hoeft, tenzij hij zich opnieuw schuldig maakt aan een strafbaar feit. Het hof ziet – gelet op het tijdsverloop, waarbij verdachte zich gedurende zijn schorsing in hoger beroep aan zijn voorwaarden heeft gehouden, en het gesprek met verdachte ter zitting – af van het opleggen van bijzondere voorwaarden en reclasseringstoezicht. Voorlopige hechtenis Gelet op het voorgaande wordt het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis opgeheven. Geen vrijheidsbeperkende maatregel Door de advocaten-generaal is ook de oplegging van de maatregel ex artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht, inhoudende het bevel aan verdachte zich te onthouden van contact met de ouders van [slachtoffer] en de slachtoffers [benadeelde 2] , [benadeelde 3] , [benadeelde 5] en [benadeelde 4] voor de duur van vijf jaren, gevorderd. Gelet op de wetsgeschiedenis kan een maatregel ex artikel 38v Sr, zoals een contactverbod, slechts worden opgelegd indien die strekt tot beveiliging van de maatschappij of de voorkoming van het – opnieuw – begaan van strafbare feiten terwijl de rechter er rekening mee moet houden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen of zich belastend naar personen toe zal gedragen. Anders dan de advocaten-generaal is het hof van oordeel dat aan de voorwaarden voor oplegging van de maatregel niet is voldaan. Voor dit oordeel acht het hof het van belang dat na de pleegdatum op 14 juli 2021 geen enkele contactpoging is geweest met een van de slachtoffers en er ook geen concrete aanleiding is te veronderstellen dat verdachte een poging hiertoe zal ondernemen. Sterker nog: verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij geen contact zal opnemen met de nabestaanden en slachtoffers, tenzij dit contact vanuit hen gewenst zou zijn. Het voorgaande maakt dat, hoewel het hof begrijpt dat de nabestaanden en/of slachtoffers oplegging van een contactverbod op prijs stellen, de maatregel niet wordt opgelegd. Beslag Teruggave beslag Het hof gelast de teruggave aan verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten: - schoen(
  17. en)(omschrijving/goednummer: PL0900-2021230390-G2861 880); - schoen(
  18. en)(omschrijving/goednummer: PL0900-2021230390-G2861 881); - broek (omschrijving/goednummer: PL0900-2021230390-G2861884); - shirt (omschrijving/goednummer: PL0900-2021230390-G2861885); - broek (omschrijving/goednummer: PL0900-2021230390-G2861 886); - broek (omschrijving/goednummer: PL0900-2021230390-G286188S); - broek (omschrijving/goednummer: PL0900-2021230390-G2861890); - notebook, inclusief lader, zwart, merk: Lenovo (omschrijving/goednummer: G2861856). Conservatoir beslag Het hof zal het conservatoir beslag niet opheffen aangezien aan verdachte de schadevergoedingsmaatregel wordt opgelegd. Na het onherroepelijk worden van die maatregel kan het bedrag waarop het beslag berust worden uitgewonnen ten behoeve van de benadeelde partij(en). Benadeelde partijen Nabestaanden en slachtoffers hebben zich als benadeelde partij in het geding gevoegd. Zij hebben het hof verzocht om hoofdelijke toewijzing van hun vordering, en deze te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade. Daarnaast is verzocht de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36f Sr aan verdachte op te leggen. De vorderingen Slachtoffers ‘ [locatie 1] ’ [benadeelde 6] vordert een bedrag van in totaal € 3.082,51 (€ 332,51 materieel, € 2.500,00 immaterieel en € 250,00 proceskosten). Dit bedrag bestaat uit: medische kosten: € 130,00; reis- en parkeerkosten: € 77,51; kleding: € 125,00; immateriële schade: € 2.500,00; eigen risico rechtsbijstandverzekering: € 250,00. [benadeelde 7] vordert een bedrag van in totaal € 2.702,50 (€ 862,50 materieel, € 1.750,00 immaterieel en € 90,00 proceskosten). Dit bedrag bestaat uit: gederfde inkomsten: € 862,50; immateriële schade: € 1.750,00; reiskosten naar de rechtbank: € 90,00. Slachtoffers ‘ [locatie 2] ’ [benadeelde 10] vordert een bedrag van in totaal € 3.702,46 (€ 572,46 materieel, € 3.000,00 immaterieel en € 130,00 proceskosten). Dit bedrag bestaat uit: reiskosten ziekenhuis Mallorca: € 45,66; eigen risico: € 385,00; reiskosten ziekenhuis Nederland: € 22,80; horloge: € 119,00; immateriële schade: € 3.000,00; reiskosten naar de rechtbank: € 130,00. [benadeelde 9] vordert een bedrag van in totaal € 1.991,20 (€ 150,00 materieel, € 1.750,00 immaterieel en € 91,20 proceskosten). Dit bedrag bestaat uit: schoenen: € 100,00; T-shirt: € 50,00; immateriële schade: € 1.750,00; reiskosten naar de rechtbank: € 91,20. Slachtoffers ‘ [locatie 3] ’ [benadeelde 2] vordert een bedrag van in totaal € 8.241,74 (€ 3.241,74 materieel en € 5.000,00 immaterieel). Dit bedrag bestaat uit: AirBnB: € 158,68; vliegticket Mallorca-Amsterdam: € 145,01; huurwoning: € 2.292,15; laminaat woning: € 645,90; immateriële schade: € 5.000,00. [benadeelde 5] vordert een bedrag van in totaal € 17.237,97 (€ 12.237,97 materieel en € 5.000,00 immaterieel). Dit bedrag bestaat uit: AirBnB: € 158,68; boot Palma-Ibiza: € 87,66; ticket Ibiza-Amsterdam: € 152,45; hotel hoofdstad Mallorca: € 56,63; taxi ziekenhuis Mallorca: € 32,00; eigen risico 2022 en 2023: € 575,40; gederfde inkomsten: € 11.175,15; immateriële schade: € 5.000,00. [benadeelde 3] vordert een bedrag van in totaal € 15.540,30 (€ 10.540,30 materieel en € 5.000,00 immaterieel). Dit bedrag bestaat uit: AirBnB: € 158,68; boot Palma-Ibiza: € 87,66; ticket Ibiza-Amsterdam: € 152,45; hotel hoofdstad Mallorca: € 56,63; taxi ziekenhuis Mallorca: € 40,00; eigen risico 2022 en 2023: € 1.213,74; kosten opvragen medische informatie: € 31,14; gederfde inkomsten: € 8.800,00; immateriële schade: € 5.000,00. [benadeelde 4] vordert een bedrag van in totaal € 6.318,64 (€ 1.318,64 materieel en € 5.000,00 immaterieel). Dit bedrag bestaat uit: AirBnB: € 158,68; boot Palma-Ibiza: € 87,66; ticket Ibiza-Amsterdam: € 152,45; hotel hoofdstad Mallorca: € 56,63; eigen risico: € 863,22; immateriële schade: € 5.000,00. Nabestaanden van [slachtoffer] [benadeelde 1] (ouders van [slachtoffer] ) [benadeelde 1] vorderen een bedrag van in totaal € 69.100,63 (€ 9.350,63 materieel en € 59.750,00 immaterieel). Dit bedrag bestaat uit: vererfde letselschade: € 28.648,11; overlijdensschade: € 40.452,52. [benadeelde 11] (vriendin van [slachtoffer] ) [benadeelde 11] vordert een bedrag van in totaal € 218.057,00 (€ 198.057,00 materieel en € 20.000,00 immaterieel). Dit bedrag bestaat uit: gederfd levensonderhoud: € 198.057,00; affectieschade: € 20.000,00. Het standpunt van het openbaar ministerie De advocaten-generaal hebben verschillende standpunten ingenomen ten aanzien van de vorderingen. Het hof zal hierop, voor zover nodig, hierna ingaan. Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft verschillende standpunten ingenomen ten aanzien van de vorderingen. Het hof zal hierop, voor zover nodig, hierna ingaan. Het oordeel van het hof Groepsaansprakelijkheid en hoofdelijkheid In de gevallen waarin het geweld door verdachte in vereniging met één of meer anderen is gepleegd, stelt het hof vast dat in civielrechtelijk opzicht sprake is van groepsaansprakelijkheid als bedoeld in artikel 6:166 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). Dit geldt voor zowel de poging tot doodslag, als de poging tot zware mishandeling als het openlijk geweld. Dit brengt met zich dat iedere bij het groepsgeweld betrokkene hoofdelijk aansprakelijk is voor de als gevolg daarvan geleden schade. Er is namelijk steeds sprake geweest van bewuste gezamenlijke deelname aan gewelddadige gedragingen in groepsverband en tussen die gedragingen bestaat naar het oordeel van het hof een duidelijke samenhang. Groepsgeweld tegen een persoon (of personen) brengt de kans met zich dat aan die persoon of personen letsel of andere schade wordt toegebracht, en verdachte heeft dat risico voor lief genomen. Door gewelddadige deelname aan de groep zijn verdachte en zijn mededaders naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht. Of aan verdachte zelf het opgelopen (zwaar) lichamelijk letsel is tenlastegelegd c.q. bewezenverklaard is daarbij niet van belang. Voor aansprakelijkheid krachtens artikel 6:166 BW is namelijk niet vereist dat een individu uit de groep zelf de schade heeft veroorzaakt om daarvoor in civielrechtelijke zin aangesproken te kunnen worden. De regeling beoogt buiten twijfel te stellen dat een deelnemer aan onrechtmatige gedragingen in groepsverband zich niet aan aansprakelijkheid voor de daaruit ontstane schade kan onttrekken met het causaliteitsverweer dat de schade ook zonder zijn deelneming aan de groep zou zijn ontstaan. Slachtoffers ‘ [locatie 1] ’ Verdachte heeft, samen met medeverdachte [medeverdachte 1] openlijk in vereniging geweld gepleegd tegen [benadeelde 6] en [benadeelde 7] . Hij is dus, samen met die medeverdachte, hoofdelijk aansprakelijk voor de schade die [benadeelde 6] en [benadeelde 7] daardoor hebben geleden. [benadeelde 6] Materiële schade Medische kosten Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het door verdachte gepleegde strafbare feit rechtstreeks schade heeft geleden. De benadeelde partij was genoodzaakt om het letsel aan zijn neus verder te laten onderzoeken in het ziekenhuis en medisch ingrijpen is noodzakelijk gebleken. De stelling dat de benadeelde partij al neusklachten had, doet hier niet aan af. Het hof wijst de vordering ter zake van medische kosten ter hoogte van € 130,00 dan ook toe. Reis- en parkeerkosten Ten aanzien van de reis- en parkeerkosten ter hoogte van € 77,51 geldt dat deze schadepost voldoende onderbouwd is en in rechtstreeks verband staat tot het door verdachte gepleegde strafbare feit, zodat deze kosten voor vergoeding in aanmerking komen. Bebloede kleding en schoenen Ten aanzien van de bebloede kleding en schoenen ter hoogte van € 125,00 overweegt het hof het volgende. De benadeelde partij heeft in de toelichting op zijn vordering uiteengezet dat hij door het strafbare handelen van verdachte bloedvlekken op zijn kleding en schoenen heeft gekregen die hij niet meer heeft kunnen verwijderen. Bij zijn aangifte heeft hij foto’s gevoegd, waarop bloedvlekken op de kleding, alsook de verwondingen die hij heeft opgelopen, te zien zijn. Gelet daarop is voldoende komen vast te staan dat de kledingstukken en schoenen door het door verdachte gepleegde strafbare feit voor verder gebruik ongeschikt zijn geworden, zodat deze kosten voor vergoeding in aanmerking komen. De benadeelde partij heeft geen aankoopbonnen overgelegd van de kleding en schoenen. Het hof zal daarom gebruik maken van zijn schattingsbevoegdheid om deze materiële schade naar redelijkheid vast te stellen. Het hof zal deze materiële schade begroten op een bedrag van € 125,00. Immateriële schade De gevorderde immateriële schade ligt op grond van het bepaalde in artikel 6:106 lid 1 sub b BW voor toewijzing gereed, omdat de benadeelde partij door het gepleegde geweld lichamelijk letsel heeft opgelopen in de vorm van een gebroken neus en een hersenschudding. Gelet op de aard van het letsel, het noodzakelijke medische ingrijpen en de hoogte van de schadevergoedingen die doorgaans in soortgelijke zaken worden toegewezen, acht het hof toewijzing van de gevorderde € 2.500,- billijk. Proceskosten Verdachte zal ook worden veroordeeld in de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op € 250,00. Eigen schuld Het hof zal op de toe te wijzen schade geen eigen schuld-correctie toepassen in de zin van het bepaalde in artikel 6:101 BW, nu niet is gebleken van een gedraging aan de zijde van de benadeelde partij waardoor zijn schade (mede) zou zijn ontstaan. Indien de benadeelde partij al zelf enige geweldshandeling zou hebben verricht, was de reactie van verdachte bovendien dermate disproportioneel en dominerend dat het handelen van de benadeelde partij daarbij in het niet valt (vgl. onder meer HR 26 januari 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC1976 (Dicky Trading II). [benadeelde 7] Materiële schade Gederfde inkomsten Ten aanzien van de gevorderde kosten voor gederfde inkomsten ter hoogte van € 862,50 geldt dat als voldoende vaststaand kan worden aangenomen dat de benadeelde partij als gevolg van het door verdachte gepleegde strafbare feit rechtstreeks schade heeft geleden. De benadeelde partij heeft vanwege de gevolgen van het strafbare feit enige tijd niet kunnen werken en heeft daardoor inkomsten uit zijn werk misgelopen. De benadeelde partij heeft echter onvoldoende onderbouwd dat hij na zijn vakantie tien werkdagen aan inkomsten heeft misgelopen. Het hof zal daarom gebruik maken van zijn schattingsbevoegdheid om deze materiële schade naar redelijkheid vast te stellen. Het hof gaat er hierbij van uit dat de benadeelde partij veertien dagen per maand werkte. Dit betekent dat hij ongeveer zes dagen per twee weken werkte. Het uurloon van de benadeelde partij bedraagt € 11,50. Het hof zal de hoogte van de gederfde inkomsten derhalve schatten op een bedrag van € 517,50 (6 werkdagen van 7,5 uur = 45 x € 11,50). Het overige gevorderde deel zal worden afgewezen. Immateriële schade De gevorderde immateriële schade ligt op grond van het bepaalde in artikel 6:106 lid 1 sub b BW voor toewijzing gereed, omdat de benadeelde partij door het gepleegde geweld lichamelijk letsel heeft opgelopen in de vorm van een blauw oog en een litteken boven zijn ooglid. Gelet op de aard van het letsel en de hoogte van de schadevergoedingen die doorgaans in soortgelijke zaken worden toegewezen, acht het hof toewijzing van een vergoeding van € 500,- billijk. Het overige gevorderde deel zal worden afgewezen. Proceskosten De artikelen 237 tot en met 240 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) geven, behoudens bijzondere omstandigheden, een zowel limitatieve als exclusieve regeling van de kosten waarin een in het ongelijk gestelde partij kan worden veroordeeld (vgl. HR 12 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1600). Uit artikel 238 Rv volgt dat een in persoon procederende partij reis- en aanverwante kosten, gemaakt voor het bijwonen van de zitting, als proceskosten vergoed kan krijgen. Nu de benadeelde partij de zitting in eerste aanleg niet heeft bijgewoond en bovendien heeft geprocedeerd met behulp van een raadsvrouw, die ook ter terechtzitting – zowel in eerste aanleg als in hoger beroep – de vordering heeft toegelicht, komen de gevorderde kosten niet voor vergoeding in aanmerking. Het hof zal de vordering tot vergoeding van deze proceskosten daarom afwijzen en voor het overige de proceskosten aan de zijde van de benadeelde partij op nihil stellen. Eigen schuld Het hof zal op de toe te wijzen schade geen eigen schuld-correctie toepassen in de zin van het bepaalde in artikel 6:101 BW, nu niet is gebleken van een gedraging aan de zijde van de benadeelde partij waardoor zijn schade (mede) zou zijn ontstaan. Indien de benadeelde partij al zelf enige geweldshandeling zou hebben verricht, was de reactie van verdachte bovendien dermate disproportioneel en dominerend dat het handelen van de benadeelde partij daarbij in het niet valt (vgl. onder meer HR 26 januari 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC1976 (Dicky Trading II). Slachtoffers ‘ [locatie 2] ’ Verdachte heeft, met medeverdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 6] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] geweld gepleegd tegen [benadeelde 10] . Verdachte heeft, met medeverdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] openlijk in vereniging geweld gepleegd tegen [benadeelde 9] . Hij is dus, samen met die medeverdachten, hoofdelijk aansprakelijk voor de schade die [benadeelde 10] en [benadeelde 9] daardoor hebben geleden. [benadeelde 10] Materiële schade Ten aanzien van de gevorderde reiskosten naar het ziekenhuis in Mallorca ter hoogte van € 45,66, de ziektekosten ter hoogte van € 385,00, de reiskosten naar het ziekenhuis in Nederland ter hoogte van € 22,80 en de kosten van het horloge van € 119,00 geldt dat zij allemaal voldoende zijn onderbouwd en in rechtstreeks verband staan tot de door verdachte gepleegde strafbare feiten, zodat zij voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de gevorderde € 119,00 voor het horloge overweegt het hof in het bijzonder dat het alleszins voorstelbaar is dat het horloge van de benadeelde partij tijdens het strafbare handelen van verdachte kapot is gegaan. Dit wordt bovendien ondersteund door de verklaring van [benadeelde 6] , die in zijn aangifte heeft verklaard dat hij een deel van het horloge van de benadeelde partij dat door de ruzie stuk was gegaan, op de grond zag liggen. Het hof acht de hoogte van het gevorderde bedrag redelijk en wijst deze schadepost dan ook toe. Immateriële schade De gevorderde immateriële schade ligt op grond van het bepaalde in artikel 6:106 lid 1 sub b BW voor toewijzing gereed, omdat de benadeelde partij door het gepleegde geweld lichamelijk letsel heeft opgelopen aan zijn neus en hoofd en in de vorm van een gebroken duim, en de benadeelde partij door het forse geweld op andere wijze in zijn persoon is aangetast. Gelet op de aard van het letsel en de normschending, alsmede de hoogte van de schadevergoedingen die doorgaans in soortgelijke zaken worden toegewezen, acht het hof toewijzing van de gevorderde € 3.000,- billijk. Proceskosten Op grond van artikel 238 Rv, eerste en tweede lid, komen reis-, verlet en verblijfkosten van de partij die aanspraak heeft op een proceskostenvergoeding alleen voor vergoeding in aanmerking indien niet alleen in persoon mag worden geprocedeerd, maar ook daadwerkelijk in persoon wordt geprocedeerd. In de onderhavige voegingsprocedure heeft de benadeelde partij geprocedeerd met behulp van een raadsvrouw, die ook ter terechtzitting – zowel in eerste aanleg als in hoger beroep – de vordering heeft toegelicht. Daarom komen de gevorderde kosten die verband houden met het bijwonen van de zitting niet voor vergoeding in aanmerking. Het hof zal de vordering tot vergoeding van deze proceskosten daarom afwijzen en voor het overige de proceskosten aan de zijde van de benadeelde partij op nihil stellen. Eigen schuld Het hof zal op de toe te wijzen schade geen eigen schuld-correctie toepassen in de zin van het bepaalde in artikel 6:101 BW, nu niet is gebleken van een gedraging aan de zijde van de benadeelde partij waardoor zijn schade (mede) zou zijn ontstaan. Indien de benadeelde partij al zelf enige geweldshandeling zou hebben verricht, was de reactie van verdachte bovendien dermate disproportioneel en dominerend dat het handelen van de benadeelde partij daarbij in het niet valt (vgl. onder meer HR 26 januari 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC1976 (Dicky Trading II). [benadeelde 9] Materiële schade Ten aanzien van de gevorderde kosten voor de schoenen ter hoogte van € 100,00 en het T-shirt van € 50,00 geldt dat deze schadeposten voldoende zijn onderbouwd en in rechtstreeks verband staan tot het door verdachte gepleegde strafbare feit. Gelet op de onderbouwing acht het hof de hoogte van de gevorderde kosten ook redelijk. Het hof wijst deze schadeposten dan ook toe. Immateriële schade De gevorderde immateriële schade ligt op grond van het bepaalde in artikel 6:106 lid 1 sub b BW voor toewijzing gereed, omdat de benadeelde partij door het gepleegde geweld lichamelijk letsel heeft opgelopen aan zijn neus en hoofd. Gelet op de aard van het letsel en de hoogte van de schadevergoedingen die doorgaans in soortgelijke zaken worden toegewezen, acht het hof toewijzing van een vergoeding van € 1.000,- billijk. Het overige gevorderde deel zal worden afgewezen. Proceskosten Op grond van artikel 238 Rv, eerste en tweede lid, komen reis-, verlet en verblijfkosten van de partij die aanspraak heeft op een proceskostenvergoeding alleen voor vergoeding in aanmerking indien niet alleen in persoon mag worden geprocedeerd, maar ook daadwerkelijk in persoon wordt geprocedeerd. In de onderhavige voegingsprocedure heeft de benadeelde partij geprocedeerd met behulp van een raadsvrouw, die ook ter terechtzitting – zowel in eerste aanleg als in hoger beroep – de vordering heeft toegelicht. Daarom komen de gevorderde kosten die verband houden met het bijwonen van de zitting niet voor vergoeding in aanmerking. Het hof zal de vordering tot vergoeding van deze proceskosten daarom afwijzen en voor het overige de proceskosten aan de zijde van de benadeelde partij op nihil stellen. Eigen schuld Het hof zal op de toe te wijzen schade geen eigen schuld-correctie toepassen in de zin van het bepaalde in artikel 6:101 BW, nu niet is gebleken van een gedraging aan de zijde van de benadeelde partij waardoor zijn schade (mede) zou zijn ontstaan. Indien de benadeelde partij al zelf enige geweldshandeling zou hebben verricht, was de reactie van verdachte bovendien dermate disproportioneel en dominerend dat het handelen van de benadeelde partij daarbij in het niet valt (vgl. onder meer HR 26 januari 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC1976 (Dicky Trading II). Slachtoffers ‘ [locatie 3] ’ Verdachte heeft, samen met medeverdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 6] , [medeverdachte 7] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] , openlijk in vereniging geweld gepleegd tegen [benadeelde 2] en [benadeelde 3] . Verdachte heeft, samen met medeverdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 6] en [medeverdachte 5] , openlijk in vereniging geweld gepleegd tegen [slachtoffer] , [benadeelde 4] en [benadeelde 5] . Hij is dus, samen met die medeverdachten, hoofdelijk aansprakelijk voor de schade die de nabestaanden van [slachtoffer] en die [benadeelde 2] , [benadeelde 3] , [benadeelde 4] en [benadeelde 5] daardoor hebben geleden. [benadeelde 2] Materiële schade AirBnB en vliegticket Ten aanzien van de gevorderde kosten van de AirBnB op Mallorca ter hoogte van € 158,68, en de kosten van het vliegticket van Mallorca naar Amsterdam ter hoogte van € 145,01 geldt dat zij voldoende zijn onderbouwd en in rechtstreeks verband staan tot de door verdachte gepleegde strafbare feiten, zodat zij voor vergoeding in aanmerking komen. Het hof overweegt hierbij in het bijzonder dat de benadeelde partij als gevolg van het handelen van verdachte om begrijpelijke redenen eerder naar huis is gegaan, waardoor deze kosten op redelijke grond zijn gemaakt. Huurkosten woning en laminaat Ten aanzien van de kosten van de huurwoning ter hoogte van € 2.292,15 en de laminaatvloer ter hoogte van € 645,90 is het hof van oordeel dat deze schadeposten onvoldoende zijn onderbouwd, in die zin dat het rechtstreeks verband tussen het strafbare feit en deze schade in dit geding onvoldoende is komen vast te staan. Het zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren indien de benadeelde partij in dit stadium van de procedure alsnog in de gelegenheid zou worden gesteld om nader bewijs in te brengen. In zoverre kan de benadeelde partij daarom niet in zijn vordering worden ontvangen en kan hij die vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen. Immateriële schade In hoger beroep is de grondslag van de vordering van de benadeelde partij uitsluitend het door verdachte jegens de benadeelde partij gepleegde strafbare feit en niet langer mede shockschade. De gevorderde immateriële schade ligt op grond van het bepaalde in artikel 6:106 aanhef en sub b BW voor toewijzing gereed, omdat de benadeelde partij door het gepleegde geweld lichamelijk letsel heeft opgelopen aan onder meer zijn hoofd, en op andere wijze in zijn persoon is aangetast. De benadeelde partij is meerdere keren geschopt terwijl hij op de grond lag en is door het geweld bewusteloos geraakt. Gelet op de aard van het letsel, de heftigheid van de geweldshandelingen die jegens de benadeelde partij zijn gepleegd en de aard van de normschending, alsmede de hoogte van de schadevergoedingen die doorgaans in soortgelijke zaken worden toegewezen, acht het hof toewijzing van de gevorderde € 5.000,- billijk. Proceskosten Verdachte zal ook worden veroordeeld in de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil. Eigen schuld Het hof zal op de toe te wijzen schade geen eigen schuld-correctie toepassen in de zin van het bepaalde in artikel 6:101 BW, nu niet is gebleken van een gedraging aan de zijde van de benadeelde partij waardoor zijn schade (mede) zou zijn ontstaan. Indien de benadeelde partij al zelf enige geweldshandeling zou hebben verricht, was de reactie van verdachte bovendien dermate disproportioneel en dominerend dat het handelen van de benadeelde partij daarbij in het niet valt (vgl. onder meer HR 26 januari 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC1976 (Dicky Trading II). [benadeelde 5] Materiële schade AirBnB, bootticket, vliegticket en hotel Ten aanzien van de gevorderde kosten van de AirBnB op Mallorca ter hoogte van € 158,68, de kosten van het bootticket van Mallorca naar Ibiza ter hoogte van € 87,66, de kosten van het vliegticket van Ibiza naar Amsterdam ter hoogte van € 152,45 en de kosten van het hotel in Palma de Mallorca ter hoogte van € 56,63 geldt dat zij voldoende zijn onderbouwd en in rechtstreeks verband staan tot het door verdachte gepleegde strafbare feit, zodat zij voor vergoeding in aanmerking komen. Het hof overweegt hierbij in het bijzonder dat de benadeelde partij als gevolg van het handelen van verdachte om begrijpelijke redenen eerder naar huis is gegaan, waardoor deze kosten op redelijke grond zijn gemaakt. Taxi Ten aanzien van de gevorderde kosten van de taxi naar het ziekenhuis op Mallorca ter hoogte van € 32,- geldt dat deze voldoende zijn onderbouwd en in rechtstreeks verband staan tot het door verdachte gepleegde strafbare feit. Het hof acht de hoogte van het gevorderde bedrag redelijk en wijst deze schadepost dan ook toe. Eigen risico Ten aanzien van de gevorderde kosten voor het eigen risico van de zorgverzekering van 2022 en 2023 ter hoogte van € 575,40 geldt dat deze voldoende zijn onderbouwd en in rechtstreeks verband staan tot het door verdachte gepleegde strafbare feit, zodat deze schadepost voor vergoeding in aanmerking komt. Gederfde inkomsten Ten aanzien van de gevorderde kosten voor gederfde inkomsten ter hoogte van € 11.175,15 geldt dat als voldoende vaststaand kan worden aangenomen dat de benadeelde partij als gevolg van het door verdachte gepleegde strafbare feit rechtstreeks schade heeft geleden. De benadeelde partij heeft vanwege de gevolgen van het strafbare feit enige tijd niet kunnen werken en heeft daardoor inkomsten uit zijn werk misgelopen. De hoogte van de gederfde inkomsten is door de benadeelde partij voldoende onderbouwd. De leidinggevende van de benadeelde partij heeft ter onderbouwing van de vordering uitgelegd hoe de bonusregeling van het bedrijf waar de benadeelde partij werkt, is geregeld. Zij heeft verklaard welke bonus de benadeelde partij in 2019 en 2020 heeft behaald, waarbij zij heeft aangehaald dat het bedrijf in 2020 minder omzet heeft behaald vanwege corona en de bonus van de benadeelde partij in dat jaar daarom lager is uitgevallen. In 2021 trok de markt weer aan en behaalde de benadeelde partij in het eerste halfjaar goede cijfers. Vanwege het strafbare feit dat verdachte heeft gepleegd jegens de benadeelde partij en de gevolgen die dit voor de benadeelde partij heeft gehad, heeft de benadeelde partij in het tweede deel van 2021 een aantal maanden niet gewerkt. Daarna is hij via een herstelplan weer langzaam aan de slag gegaan, maar hij heeft dat jaar niet meer kunnen bijdragen aan de omzet van het bedrijf. De leidinggevende van de benadeelde partij heeft beschreven wat de verwachte jaaromzet van de benadeelde partij in 2021 zou zijn geweest, gelet op zijn prestaties van het eerste halfjaar van 2021. Bij deze berekening is rekening gehouden met de coronaeffecten en zijn de traditionele overscores in het laatste kwartaal van het jaar niet meegenomen. Gelet op deze berekening zou de benadeelde partij in het tweede deel van 2021 een netto bonus van € 11.175,15 hebben verdiend. Het hof ziet geen reden om aan bovenstaande te twijfelen, nu de leidinggevende breed heeft gekeken naar de omzetverwachting van de benadeelde partij in het tweede deel van 2021 en hierin alle relevante informatie heeft meegewogen. Het hof wijst de gevorderde kosten voor gederfde inkomsten ter hoogte van € 11.175,15 dan ook toe. Immateriële schade In hoger beroep is de grondslag van de vordering van de benadeelde partij uitsluitend het door verdachte jegens de benadeelde partij gepleegde strafbare feit en niet langer mede shockschade. De gevorderde immateriële schade ligt op grond van het bepaalde in artikel 6:106 aanhef en sub b BW voor toewijzing gereed, omdat de benadeelde partij op andere wijze in zijn persoon is aangetast. Gelet op de aard van de normschending, alsmede de hoogte van de schadevergoedingen die doorgaans in soortgelijke zaken worden toegewezen, acht het hof toewijzing van een vergoeding van € 3.000,- billijk. Het overige gevorderde deel zal worden afgewezen. Proceskosten Verdachte zal ook worden veroordeeld in de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil. Eigen schuld Het hof zal op de toe te wijzen schade geen eigen schuld-correctie toepassen in de zin van het bepaalde in artikel 6:101 BW, nu niet is gebleken van een gedraging aan de zijde van de benadeelde partij waardoor zijn schade (mede) zou zijn ontstaan. Indien de benadeelde partij al zelf enige geweldshandeling zou hebben verricht, was de reactie van verdachte bovendien dermate disproportioneel en dominerend dat het handelen van de benadeelde partij daarbij in het niet valt (vgl. onder meer HR 26 januari 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC1976 (Dicky Trading II). [benadeelde 3] Materiële schade AirBnB, bootticket, vliegticket en hotel Ten aanzien van de gevorderde kosten van de AirBnB op Mallorca ter hoogte van € 158,68, de kosten van het bootticket van Mallorca naar Ibiza ter hoogte van € 87,66, de kosten van het vliegticket van Ibiza naar Amsterdam ter hoogte van € 152,45 en de kosten van het hotel in Palma de Mallorca ter hoogte van € 56,63 geldt dat zij voldoende zijn onderbouwd en in rechtstreeks verband staan tot het door verdachte gepleegde strafbare feit, zodat zij voor vergoeding in aanmerking komen. Het hof overweegt hierbij in het bijzonder dat de benadeelde partij als gevolg van het handelen van verdachte om begrijpelijke redenen eerder naar huis is gegaan, waardoor deze kosten op redelijke grond zijn gemaakt. Taxi Ten aanzien van de gevorderde kosten van de taxi naar het ziekenhuis op Mallorca ter hoogte van € 40,- geldt dat deze voldoende zijn onderbouwd en in rechtstreeks verband staan tot het door verdachte gepleegde strafbare feit. Het hof acht de hoogte van het gevorderde bedrag redelijk en wijst deze schadepost dan ook toe. Eigen risico Ten aanzien van de gevorderde kosten voor het eigen risico van de zorgverzekering van 2022 en 2023 ter hoogte van € 1.213,74 geldt dat deze voldoende zijn onderbouwd en in rechtstreeks verband staan tot het door verdachte gepleegde strafbare feit, zodat deze schadepost voor vergoeding in aanmerking komt. Medische informatie Ten aanzien van de kosten voor het opvragen van de medische informatie ter hoogte van € 31,14 van de benadeelde partij geldt dat deze schadepost voldoende is onderbouwd en in rechtstreeks verband staat tot het door verdachte gepleegde strafbare feit, zodat deze kosten voor vergoeding in aanmerking komen. Het hof overweegt hierbij in het bijzonder dat deze kosten geen betrekking hebben op een afschrift van het medisch dossier van de benadeelde partij, maar zien op een aparte verklaring die de huisarts van de benadeelde partij naar aanleiding van het strafbare feit heeft opgesteld. Deze kosten zijn daarom in redelijkheid gemaakt. Gederfde inkomsten Ten aanzien van de gevorderde kosten voor gederfde inkomsten ter hoogte van € 8.800,00 geldt dat als voldoende vaststaand kan worden aangenomen dat de benadeelde partij als gevolg van het door verdachte gepleegde strafbare feit rechtstreeks schade heeft geleden. De benadeelde partij heeft vanwege de gevolgen van het strafbare feit enige tijd niet kunnen werken en heeft daardoor inkomsten misgelopen. De hoogte van de gederfde inkomsten is door de benadeelde partij voldoende onderbouwd. Het hof zal de gevorderde kosten voor gederfde inkomsten ter hoogte van € 8.800,00 dan ook toewijzen. Immateriële schade In hoger beroep is de grondslag van de vordering van de benadeelde partij uitsluitend het door verdachte jegens de benadeelde partij gepleegde strafbare feit en niet langer mede shockschade. De gevorderde immateriële schade ligt op grond van het bepaalde in artikel 6:106 aanhef en sub b BW voor toewijzing gereed, omdat de benadeelde partij op andere wijze in zijn persoon is aangetast. Gelet op de aard van de normschending, alsmede de hoogte van de schadevergoedingen die doorgaans in soortgelijke zaken worden toegewezen, acht het hof toewijzing van een vergoeding van € 3.000,- billijk. Het overige gevorderde deel zal worden afgewezen. Proceskosten Verdachte zal ook worden veroordeeld in de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil. Eigen schuld Het hof zal op de toe te wijzen schade geen eigen schuld-correctie toepassen in de zin van het bepaalde in artikel 6:101 BW, nu niet is gebleken van een gedraging aan de zijde van de benadeelde partij waardoor zijn schade (mede) zou zijn ontstaan. Indien de benadeelde partij al zelf enige geweldshandeling zou hebben verricht, was de reactie van verdachte bovendien dermate disproportioneel en dominerend dat het handelen van de benadeelde partij daarbij in het niet valt (vgl. onder meer HR 26 januari 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC1976 (Dicky Trading II). [benadeelde 4] Materiële schade AirBnB, bootticket, vliegticket en hotel Ten aanzien van de gevorderde kosten van de AirBnB op Mallorca ter hoogte van € 158,68, de kosten van het bootticket van Mallorca naar Ibiza ter hoogte van € 87,66, de kosten van het vliegticket van Ibiza naar Amsterdam ter hoogte van € 152,45 en de kosten van het hotel in Palma de Mallorca ter hoogte van € 56,63 geldt dat zij voldoende zijn onderbouwd en in rechtstreeks verband staan tot het door verdachte gepleegde strafbare feit, zodat zij voor vergoeding in aanmerking komen. Het hof overweegt hierbij in het bijzonder dat de benadeelde partij als gevolg van het handelen van verdachte om begrijpelijke redenen eerder naar huis is gegaan, waardoor deze kosten op redelijke grond zijn gemaakt. Eigen risico Ten aanzien van de gevorderde kosten voor het eigen risico van de zorgverzekering van 2022 ter hoogte van € 863,22 geldt dat deze schadepost voldoende is onderbouwd en in rechtstreeks verband staat tot het door verdachte gepleegde strafbare feit, zodat deze kosten voor vergoeding in aanmerking komen. Immateriële schade In hoger beroep is de grondslag van de vordering van de benadeelde partij uitsluitend het door verdachte jegens de benadeelde partij gepleegde strafbare feit en niet langer mede shockschade. De gevorderde immateriële schade ligt op grond van het bepaalde in artikel 6:106 aanhef en sub b BW voor toewijzing gereed, omdat de benadeelde partij op andere wijze in zijn persoon is aangetast. Gelet op de aard van de normschending, alsmede de hoogte van de schadevergoedingen die doorgaans in soortgelijke zaken worden toegewezen, acht het hof toewijzing van een vergoeding van € 3.000,- billijk. Het overige gevorderde deel zal worden afgewezen. Proceskosten Verdachte zal ook worden veroordeeld in de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil. Eigen schuld Het hof zal op de toe te wijzen schade geen eigen schuld-correctie toepassen in de zin van het bepaalde in artikel 6:101 BW, nu niet is gebleken van een gedraging aan de zijde van de benadeelde partij waardoor zijn schade (mede) zou zijn ontstaan. Indien de benadeelde partij al zelf enige geweldshandeling zou hebben verricht, was de reactie van verdachte bovendien dermate disproportioneel en dominerend dat het handelen van de benadeelde partij daarbij in het niet valt (vgl. onder meer HR 26 januari 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC1976 (Dicky Trading II). Nabestaanden van [slachtoffer] [benadeelde 1] (ouders van [slachtoffer] ) De ouders van [slachtoffer] vorderen (mede namens zijn broer) een bedrag van € 28.648,11 aan letselschade van [slachtoffer] , welke vordering door vererving onder algemene titel op hen is overgegaan. Dit bedrag valt uiteen in een ziekenhuisdaggeldvergoeding ter hoogte van € 155,00, reis- en verblijfkosten naar en op Mallorca van de ouders, broer en vriendin van [slachtoffer] ter hoogte van € 3.743,11 en immateriële schade (smartengeld) ter hoogte van € 24.750,00 voor de periode die [slachtoffer] in het ziekenhuis heeft gelegen zonder kwaliteit van leven. Voorts vorderen de ouders van [slachtoffer] een bedrag van € 40.452,52 aan overlijdensschade, bestaande uit affectieschade ter hoogte van € 35.000,00 (tweemaal € 17.500,-) en uitvaartkosten ter hoogte van € 5.452,52. Materiële schade (al dan niet vererfd) Ziekenhuisdaggeldvergoeding Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de gevorderde ziekenhuisdaggeldvergoeding ter hoogte van € 155,00 het rechtstreeks gevolg is van het strafbare handelen van verdachte. De schadepost is voldoende onderbouwd. Het hof acht de kosten redelijk en wijst de vordering dan ook toe. Reiskosten De grondslag voor de gevorderde reis- en verblijfskosten naar en op Mallorca is ‘verplaatste schade’, zoals bedoeld in art. 6:107, eerste lid onder a, BW. Dit betreft kosten die het slachtoffer, als niet de derde maar hijzelf deze zou hebben gemaakt, van de verdachte had kunnen vorderen. De ouders, broer en vriendin van [slachtoffer] behoorden tot de kring van directe naasten van [slachtoffer] . Gelet op de toestand waarin [slachtoffer] verkeerde als gevolg van het door verdachte gepleegde strafbare feit jegens hem, acht het hof het voorstelbaar en redelijk dat hij zijn ouders, broer en vriendin in zijn nabijheid wilde hebben. Nu de ouders van [slachtoffer] de reis- en verblijfkosten (inclusief de vliegtickets van de broer en vriendin) hebben gemaakt ten behoeve van [slachtoffer] , zijn zij ten aanzien van deze kosten vorderingsgerechtigd. Het hof acht de hoogte van de kosten redelijk en wijst de vordering dan ook toe. Uitvaartkosten Ten aanzien van de gevorderde uitvaartkosten ter hoogte van € 5.452,52 geldt dat deze schadepost voldoende is onderbouwd, en in rechtstreeks verband staat tot het door verdachte gepleegde strafbare feit, zodat deze schadepost voor vergoeding in aanmerking komt. Immateriële schade (al dan niet vererfd) Vererfde immateriële schade Op grond van artikel 6:95, tweede lid, BW kan een vordering ter zake immateriële schade onder algemene titel overgaan als de gerechtigde aan de wederpartij heeft medegedeeld op de vergoeding aanspraak te maken. Het hof is van oordeel dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid (artikel 6:2 BW) onaanvaardbaar zou zijn indien verdachte zich erop zou kunnen beroepen dat [slachtoffer] , die na het door de groep van verdachte toegebrachte letsel niet meer bij bewustzijn is geweest, geen mededeling heeft gedaan dat hij aanspraak maakt op vergoeding van door hem geleden immateriële schade. Het hof is aldus van oordeel dat de vordering van [slachtoffer] op verdachte voor immateriële schadevergoeding vatbaar is voor vererving. De gevorderde immateriële schade van [slachtoffer] ligt op grond van het bepaalde in artikel 6:106 aanhef en sub b BW voor toewijzing gereed, omdat verdachte door het gepleegde geweld zwaar lichamelijk letsel is toegebracht, ten gevolge waarvan hij na vijf dagen in het ziekenhuis uiteindelijk is komen te overlijden. Het hof acht toewijzing van de gevorderde € 24.750,00 billijk. Affectieschade Op grond van artikel 6:108 lid 3 BW hebben nabestaanden ook recht op vergoeding van ander nadeel dan vermogensschade (affectieschade). Conform artikel 1 van het Besluit vergoeding affectieschade (overlijden door een misdrijf van een meerderjarig uitwonend kind) zal aan beide ouders worden toegewezen het gevorderde bedrag van € 17.500,00, dus in totaal € 35.000,00. Proceskosten Verdachte zal ook worden veroordeeld in de proceskosten die de benadeelde partijen hebben gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zullen maken. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil. [benadeelde 11] (vriendin van [slachtoffer] ) De benadeelde partij vordert in hoger beroep een bedrag van € 198,057,00 aan gederfd levensonderhoud en € 20.000,00 affectieschade. De schadeposten ‘het op andere wijze voorzien in het huishouden en ‘het op andere wijze voorzien in klussen in en om het huis’ zijn in hoger beroep vervallen. Materiële schade De benadeelde partij vordert een bedrag van € 198,057,00 aan gederfd levensonderhoud. Het hof overweegt hieromtrent als volgt. De vordering tot vergoeding van schade uit gederfd levensonderhoud is gebaseerd op artikel 6:108, eerste lid, onder c, BW. Deze bepaling luidt als volgt. “Artikel 6:108 BW: 1. Indien iemand ten gevolge van een gebeurtenis waarvoor een ander jegens hem aansprakelijk is overlijdt, is die ander verplicht tot vergoeding van schade door het derven van levensonderhoud: (…) c. aan degenen die reeds vóór de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid berust, met de overledene in gezinsverband samenwoonden en in wier levensonderhoud hij geheel of voor een groot deel voorzag, voor zover aannemelijk is dat een en ander zonder het overlijden zou zijn voortgezet en zij redelijkerwijze niet voldoende in hun levensonderhoud kunnen voorzien;” Het hof dient allereerst de vraag te beantwoorden of de benadeelde partij tot de kring behoort van personen die op grond van deze bepaling in beginsel aanspraak kunnen maken op schadevergoeding wegens gederfd levensonderhoud. Het hof neemt bij het beantwoorden van deze vraag de feitelijke situatie als uit

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.