← Nederland

ECLI:NL:GHARL:2024:1947

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Leeuwarden afdeling civiel recht, handel zaaknummer gerechtshof 200.335.942 /01 (zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 183502) arrest in het incident ex art. 235 en 351 Rv van 19 maart 2024 in de zaak van 1 [appellant1] die woont in [woonplaats1]

  1. [appellante2] B.V. gevestigd in [vestigingsplaats]
  2. [appellante3] B.V. gevestigd in Steenwijkerwold
  3. [appellante4] B.V. gevestigd in [vestigingsplaats]
  4. [appellante5] B.V. gevestigd in [vestigingsplaats]
  5. Beton Elementen Industrie B.V. gevestigd in [vestigingsplaats] die hoger beroep hebben ingesteld en die bij de rechtbank optraden als gedaagden in conventie, eisers in reconventie eisers in het incident hierna: [appellanten] vertegenwoordigd door mr. A. de Groot, advocaat in Alkmaar tegen [geïntimeerde] Advocaten B.V. gevestigd in Heerenveen die bij de rechtbank optrad als eiseres in conventie, verweerster in reconventie verweerster in het incident hierna: [geïntimeerde] vertegenwoordigd door mr. N.H.M. Poort, advocaat in Heerenveen 1De procedure bij de rechtbank 1.1 Bij de rechtbank is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in het vonnis van 15 november 2023 van de rechtbank Noord-Nederland (hierna: de rechtbank). 2De procedure bij het hof 2.1 Op 7 december 2023 hebben [appellanten] hoger beroep ingesteld tegen het genoemde vonnis, waarbij [geïntimeerde] is opgeroepen te verschijnen op de zitting van het hof van 9 januari
  6. In de hogerberoepdagvaarding (met bijlage) zijn incidentele vorderingen opgenomen. 2.2 Op de eerst dienende dag is [geïntimeerde] niet verschenen en is tegen haar verstek verleend. Het verstek is gezuiverd op de rol van 20 februari 2024 en [geïntimeerde] heeft een antwoordconclusie in het incident (met bijlagen) ingediend. 2.3 Partijen hebben arrest gevraagd in het incident en [appellanten] hebben de stukken daarvoor aan het hof gegeven. 3De beoordeling in het incident 3.1 Voor zover van belang voor de beoordeling in dit incident, gaat het in deze zaak om het volgende. 3.2 [geïntimeerde] heeft in de periode 2017-2022 juridische bijstand verleend aan [appellanten] Hiervoor heeft [geïntimeerde] in totaal 88 facturen verzonden voor een totaalbedrag van € 295.544,
  7. Kornet heeft hiervan 78 facturen betaald tot een bedrag van in totaal € 190.102,
  8. 3.3 In de procedure bij de rechtbank heeft [geïntimeerde] in conventie verschillende vorderingen ingesteld die erop neerkomen dat [appellanten] worden veroordeeld tot betaling van de onbetaald gebleven facturen, met bijkomende veroordelingen. [appellanten] hebben reconventionele vorderingen ingesteld. 3.4 In het vonnis waarvan beroep is beslist als volgt: 3.5 In het incident vorderen [appellanten] (primair) schorsing van de uitvoerbaarheid van het vonnis van 15 november 2023, dan wel (subsidiair) dat [geïntimeerde] wordt veroordeeld tot het stellen van afdoende zekerheid. [geïntimeerde] heeft geconcludeerd tot afwijzing van de vorderingen. 3.6 [geïntimeerde] heeft aangevoerd, zo begrijpt het hof, dat Kornet c.s .inmiddels volledig (onder druk van beslaglegging en faillisssementsaanvraag) aan het vonnis van de rechtbank van 15 november 2023 hebben voldaan. Volgens [geïntimeerde] hebben [appellanten] na het vonnis waarvan beroep vier betalingen gedaan tot een totaalbedrag van € 90.684,
  9. Deze betalingen zijn voor het hof voldoende aannemelijk gemaakt. Op grond hiervan is het hof van oordeel dat [appellanten] bij toewijzing van hun incidentele vorderingen geen voldoende belang hebben zoals bedoeld in art. 3:303 BW. De tenuitvoerlegging van het rechtbankvonnis van 15 november 2023 is voltooid, zodat er niets (meer) valt te schorsen. Evenmin is er (nog) aanleiding voor het verplichten van [geïntimeerde] om zekerheid te stellen. De incidentele vorderingen zullen daarom worden afgewezen. 3.7 Partijen hebben over en weer gevorderd dat de ander wordt veroordeeld tot betaling van de kosten van dit incident. De beslissing over de kosten van het incident zal echter worden gereserveerd tot de einduitspraak. De hoofdzaak zal naar de rol worden verwezen om verder te procederen. 4De beslissing Het hof: in het incident 4.1 wijst de vorderingen af; 4.2 bepaalt dat over de kosten zal worden beslist bij einduitspraak in de hoofdzaak; in de hoofdzaak 4.3 verwijst de zaak naar de rol van 30 april 2024 voor memorie van grieven; 4.4 houdt iedere verdere beslissing aan. Dit arrest is gewezen door mrs. J.H. Kuiper, M.W. Zandbergen en J. Smit en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op dinsdag 19 maart 2024.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.