← Nederland

ECLI:NL:GHARL:2024:2098

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem afdeling civiel recht zaaknummer gerechtshof 200.332.863 (zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 10510640) beschikking van 26 maart 2024 inzake [verzoeker] , wonende te [woonplaats1] , verzoeker in hoger beroep, verder te noemen: [verzoeker] , advocaat: mr. A. R. Jaarsma te Vinkeveen. Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt: Stichting [de bewindvoerder], gevestigd in [vestigingsplaats] , verder te noemen: de bewindvoerder, en [de moeder] , wonende te [woonplaats1] , verder te noemen: de moeder. 1Het geding in eerste aanleg Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kantonrechter (rechtbank Midden-Nederland, sector kanton, locatie Utrecht) van 31 augustus 2023, uitgesproken onder voormeld zaaknummer. Het hof zal deze beschikking hierna noemen: de bestreden beschikking. 2Het geding in hoger beroep 2.1 Het verloop van de procedure blijkt uit: - het beroepschrift met producties, ingekomen op 15 september 2023; - een e-mail met bijlage van de moeder, ingekomen op 28 februari

  1. 2.2 De mondelinge behandeling heeft op 29 februari 2024 plaatsgevonden. Hierbij waren aanwezig: - [verzoeker] , bijgestaan door zijn advocaat; - de bewindvoerder. 2.3 Tijdens de mondelinge behandeling hebben de bewindvoerder en (de advocaat van) [verzoeker] stukken overgelegd, te weten: - een actueel budgetoverzicht, overgelegd door de bewindvoerder; - een overzicht van de bankposten van [verzoeker] van 1 januari 2023 tot en met 31 december 2023, overgelegd door mr. Jaarsma. 3De feiten 3.1 [verzoeker] is geboren [in] 1986 in [plaats1] . 3.2 Bij beschikking van de kantonrechter te Utrecht van 15 januari 2021 zijn de goederen die toebehoren of zullen toebehoren aan [verzoeker] onder bewind gesteld wegens zijn lichamelijke of geestelijke toestand. 3.3 Bij verzoekschrift, ingekomen bij de kantonrechter van de rechtbank Midden-Nederland op 10 mei 2023, heeft [verzoeker] om opheffing van het bewind verzocht. 4De omvang van het geschil 4.1 Bij de bestreden beschikking heeft de kantonrechter het verzoek van [verzoeker] afgewezen. 4.2 [verzoeker] is met een grief in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. Met deze grief beoogt hij het geschil in hoger beroep in volle omvang aan de orde te stellen. 4.3 De bewindvoerder voert verweer. 5De motivering van de beslissing Wat in de wet staat 5.1 In artikel 1:449 lid 2 BW staat dat de kantonrechter, indien de noodzaak daartoe niet meer bestaat of voortzetting van het bewind niet zinvol is gebleken, het bewind kan opheffen op verzoek van de bewindvoerder of de rechthebbende (dat is hier: [verzoeker] ), dan wel ambtshalve. Wat het hof oordeelt 5.2 Het hof is, net als de kantonrechter, van oordeel dat het verzoek van [verzoeker] om het bewind op te heffen moet worden afgewezen. [verzoeker] heeft het hof er niet van kunnen overtuigen dat de noodzaak van het bewind niet meer bestaat of voortzetting van het bewind om een andere reden niet zinvol is. Het hof merkt op dat [verzoeker] de afgelopen periode een positieve ontwikkeling heeft doorgemaakt: De rechtbank heeft op 8 februari 2023 een verzoek tot afgifte van een zorgmachtiging afgewezen, en de gezondheidssituatie van [verzoeker] lijkt te zijn gestabiliseerd. [verzoeker] heeft een goede band met zijn huisarts en hij is medicatietrouw. Het afgelopen jaar gaat het dus beter met zijn gezondheid. Dat heeft hij zelf tijdens de zitting ook bevestigd. Desondanks is het hof van oordeel dat het bewind nu niet moet worden opgeheven. De bewindvoerder heeft tijdens de zitting toegelicht dat [verzoeker] weliswaar sinds november 2023 eenmaal in de maand in plaats van wekelijks leefgeld ontvangt, maar dat hij nog niet in staat is om zijn financiën te regelen en rond te komen van zijn budget. Er loopt een saneringskrediet dat in oktober 2024 zal zijn afgelost. Desondanks dient [verzoeker] (nog steeds) voortdurend aanvragen in voor extra leefgeld. Hij geeft er daarmee blijk van dat hij geen prioriteit geeft aan het aflossen van het saneringskrediet, hoewel de kantonrechter in de bestreden beschikking heeft benoemd dat dit hem zorgen baart. 5.3 De moeder heeft in haar brief toegelicht dat [verzoeker] bij haar ook meerdere keren per week om geld vraagt. Hoewel [verzoeker] dit tijdens de zitting heeft ontkend, blijkt wel uit de door de bewindvoerder overgelegde bankoverzichten dat de moeder van [verzoeker] vaak (inderdaad meerdere keren per week) geld naar de rekening van [verzoeker] overmaakt. Dat heeft [verzoeker] op zichzelf niet betwist, zij het dat hij benadrukt dat hij er zelf niet om vraagt. Dat laatste vindt het hof niet geloofwaardig, ook omdat het geregeld om relatief kleine, en niet afgeronde bedragen gaat. Dit alles maakt dat het hof vindt dat [verzoeker] op dit moment nog niet in staat is om zijn eigen vermogensrechtelijke belangen behoorlijk waar te nemen. Het voortzetten van het bewind is daarom op dit moment nog zinvol en noodzakelijk. 5.4 Het hof begrijpt de wens van [verzoeker] om zelf zijn zaken te kunnen regelen en heeft hier ook begrip voor. Het hof vindt het in het belang van [verzoeker] dat hij laat zien dat hij voldoende zelfstandig is en dat hij zich inspant om zelfredzaam te zijn, wat bijvoorbeeld kan door mee te werken aan de door de bewindvoerder voorgestelde budgetcursus. Op deze manier kan de financiële zelfstandigheid van [verzoeker] worden vastgesteld en kan (eventueel) worden toegewerkt naar een opheffing van het bewind. 6De slotsom Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, faalt de grief. Het hof zal de bestreden beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, bekrachtigen. 7De beslissing Het hof, beschikkende in hoger beroep: bekrachtigt de beschikking van de kantonrechter van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 31 augustus
  2. Deze beschikking is gegeven door mrs. E. de Boer, M.P. den Hollander en E.H. Schijven- Bours, bijgestaan door mr. K.E. Vaartjes- de Wit als griffier, en is op 26 maart 2024 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.