GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem, afdeling civiel zaaknummer gerechtshof 200.305.441 zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht: 8473107 arrest van 26 maart 2024 in de zaak van [appellant] , wonende te [woonplaats1] , appellant, in eerste aanleg: eiser, hierna: [appellant] , advocaat: mr. E.L. Pasma, tegen: de naamloze vennootschap Zilveren Kruis Zorgverzekeringen N.V., gevestigd te Leiden, geïntimeerde, in eerste aanleg: gedaagde, hierna: Zilveren Kruis, advocaat: mr. G.A. van den Berg. 1Het verloop van de procedure in hoger beroep 1.1 Naar aanleiding van het arrest van 26 juli 2022 heeft op 5 april 2023 een mondelinge behandeling bij het hof plaatsgevonden. Daarvan is een verslag (proces-verbaal) gemaakt dat aan de advocaten van partijen is gezonden. Afgesproken is toen dat door [appellant] bepaalde correspondentie (zie proces-verbaal blad 17-18) bij akte in het geding zou worden gebracht waarop door Zilveren Kruis dan gereageerd kon worden. Daarnaast kon Zilveren Kruis nog reageren op het arrest van de Hoge Raad van 27 januari 2023 dat op de mondelinge behandeling ter sprake is gekomen. Hierna mocht [appellant] daarop nog reageren. 1.2 Op de roldatum van 9 mei 2023 heeft [appellant] de bepaalde correspondentie bij akte in het geding gebracht (producties 77A, 77B, 78A en 78B) waarop Zilveren Kruis bij akte op dezelfde roldatum heeft gereageerd. Op de roldatum van 6 juni 2023 heeft [appellant] nog een akte uitlating genomen. 1.3 Hierna hebben partijen het hof gevraagd arrest te wijzen. 2De kern van de zaak 2.1 [appellant] is voor ziektekosten verzekerd bij Zilveren Kruis. De orthopedisch chirurg bij wie [appellant] onder behandeling was (voor slijtage aan de linkerheup) heeft hem geadviseerd een heupoperatie te ondergaan en te kiezen voor een zogenoemde Metal-on-Metal Hip Resurfacing Arthroplasty (MoM-HRA, kortweg HRA). Deze operatie is in 2015 uitgevoerd door een Belgische orthopedisch chirurg. De kosten hiervoor heeft Zilveren Kruis niet willen vergoeden op basis van de adviezen van de beroepsgroepvereniging NOV en (de voorganger van) Zorginstituut Nederland van januari 2012 om HRA-operaties niet meer in Nederland uit te voeren en niet meer te vergoeden. In 2019 heeft een soortgelijke operatie in België plaatsgevonden aan de rechterheup en ook die kosten heeft Zilveren Kruis niet willen vergoeden om dezelfde redenen als in 2015. Daarover gaat deze procedure. 2.2 [appellant] heeft voor de rechtbank gevorderd dat Zilveren Kruis wordt veroordeeld tot betaling van de kosten van de operatie in 2019 op grond van de zorgverzekeringsovereenkomst. Die vordering heeft de rechtbank afgewezen met als motivering, kort gezegd, dat [appellant] niet heeft voldaan aan de volgens de Hoge Raad aan te leggen maatstaf dat uit ten minste twee kwalitatief verantwoorde studies moet blijken dat een HRA-implantaat moet worden beschouwd als stand van wetenschap en praktijk. 2.3 Tegen dit oordeel van de rechtbank heeft [appellant] vele bezwaren (grieven) aangevoerd die er kort gezegd op neerkomen dat het hof opnieuw over de zaak een oordeel moet geven. [appellant] wil dat zijn vorderingen alsnog worden toegewezen. 2.4 Het hof zal het vonnis van de rechtbank bekrachtigen en zal hierna uitleggen hoe het tot dit oordeel is gekomen. 3Het oordeel van het hof Het juridisch beoordelingskader 3.1 De rechtbank heeft in het vonnis – onbestreden – onder de overwegingen 4.3 tot en met 4.8 het juridisch kader geschetst voor de beantwoording van de vraag of Zilveren Kruis gehouden is de kosten van de HRA-operatie te vergoeden. Het hof sluit zich hierbij aan. Het gaat hier om het stelsel van de Zorgverzekeringswet (Zvw) waarin de dekking van de basiszorgverzekering dwingendrechtelijk is geregeld. De verzekerde heeft recht op prestaties bestaande uit (de vergoeding van) de zorg of andere diensten waaraan hij behoefte heeft. De inhoud en omvang van deze prestaties zijn nader geregeld in het Besluit zorgverzekering (Bzv) en de Regeling zorgverzekering (Rzv) en deze prestaties tezamen vormen het verzekerde pakket waarop de verzekerde recht heeft. Dit verzekerde pakket is bedoeld om alleen noodzakelijke zorg te vergoeden, die aantoonbaar werkt, kosteneffectief is en waarvan de noodzaak blijkt tot collectieve financiering. 3.2 In artikel 2.1 lid 2 Bzv is bepaald dat de inhoud en omvang van de vormen van de verzekerde zorg en diensten mede worden bepaald door de stand van de wetenschap en praktijk en, bij ontbreken van een zodanige maatstaf, door hetgeen in het betrokken vakgebied geldt als verantwoorde en adequate zorg en diensten. In artikel 2.1 lid 3 Bzv is daarnaast bepaald dat de verzekerde slechts recht heeft op die zorg voor zover hij daarop naar redelijkheid is aangewezen. Ook dient de verzekerde voor deze zorg een verwijzing te hebben van bijvoorbeeld de huisarts (artikel 14 lid 2 Zvw). In artikel 2.4 Bzv is bepaald dat de geneeskundige zorg, zorg omvat zoals (hier) medisch specialisten die plegen te bieden. De artikelen 2.1 lid 2 en 2.4 Bzv vullen dus samen in wat de verzekerde geneeskundige zorg inhoudt. Uit de Nota van toelichting bij het Bzv blijkt dat het criterium ‘stand van wetenschap en praktijk’ en de woorden ‘plegen te bieden’ tezamen een geactualiseerde ‘vertaling’ vormen van het ‘gebruikelijkheidscriterium’ zoals dat voorheen gold in de Ziekenfondswet. Hiermee is beoogd om die zorg tot onderdeel van het verzekerde pakket te maken, die de betrokken beroepsgroep (hier: de orthopeden) rekent tot het aanvaarde arsenaal van bij medische onderzoeks- en behandelingsmethoden. Daarbij zijn de stand van de medische wetenschap en de mate van acceptatie in de medische praktijk belangrijke graadmeters. Bepalend is in welke mate de beroepsbeoefenaren dergelijke zorg (hier: de HRA-operatie) als een professioneel juiste handelswijze beschouwen. Het begrip ‘stand van wetenschap en praktijk’ kan volgens de toelichting “slechts internationaal worden uitgelegd”. Het hof zal hierna onder 3.5-3.7 deze begrippen nog nader uitwerken. Het Zorginstituut Nederland / het College voor Zorgverzekeringen (CVZ) 3.3 Het Zorginstituut Nederland (verder verkort ‘het Zorginstituut’), voorheen het CVZ, is onder meer belast met het bevorderen van de eenduidige uitleg van de aard, inhoud en omvang van de prestaties als bedoeld in artikel 11 Zvw; het Zorginstituut kan de zorgverzekeraars met het oog hierop richtlijnen geven (artikel 64 Zvw). Het Zorginstituut heeft daarnaast ook een wettelijke taak om aan de geschillencommissie zorgverzekeringen (SKGZ) adviezen te geven in individuele geschillen tussen een verzekerde en een zorgverzekeraar over de vergoeding van de verleende zorg (artikel 114 lid 3 Zvw). De rapporten/adviezen van het Zorginstituut/CVZ zijn niet bindend, maar gelet op de wettelijke taak van het Zorginstituut/CVZ ligt het echter voor de hand om bij de uitleg van bepaalde begrippen in beginsel uit te gaan van door deze gegeven standpunten of richtlijnen, in die zin dat een zorgverzekeraar die daarvan afwijkt, die afwijking van een deugdelijke motivering dient te voorzien. Dit geldt ook voor de rechter die tot een ander oordeel komt dan is vervat in een dergelijk standpunt of in een dergelijke richtlijn. Beoordelingskader Zorginstituut/CVZ 3.4 Het beoordelingskader van het toenmalige CVZ is beschreven in het rapport van 21 december 2006 ‘Pakketbeheer in de praktijk’. Deze beoordelingswijze houdt (en hield) in hoofdlijnen het volgende in. Het CVZ neemt alle relevante gegevens in aanmerking, waaronder literatuur, wetenschappelijke onderzoeken en gezaghebbende meningen van specialisten. Om deze gegevens te beoordelen is zogeheten ‘evidence based medicine’ het leidende principe. Bij voorkeur berust het oordeel op ‘best evidence’. Om de waarde van een nieuwe behandeling te toetsen dient die vergeleken te worden met de bestaande ‘goudenstandaardbehandeling’ of met ‘usual care’ (de klassieke behandeling). Hierbij wordt gebruik gemaakt van de zogeheten EBRO-richtlijnen (Evidence Based Richtlijn Ontwikkeling). Als uit ten minste twee kwalitatief verantwoorde studies (gerandomiseerd dubbelblind vergelijkend klinisch onderzoek van goede kwaliteit en voldoende omvang; ook aangeduid als RCT) blijkt dat de behandeling in kwestie een (meer)waarde heeft ten opzichte van de behandeling die tot dan de voorkeur had in de internationale kring van de beroepsgenoten (de ‘goudenstandaardbehandeling’), dan wordt de nieuwe behandeling als effectief beschouwd. Als geen studies van voldoende niveau zijn gepubliceerd, kan het CVZ zijn oordeel baseren op ‘evidence’ van lagere orde, zoals publicaties van gezaghebbende meningen van medisch specialisten of richtlijnen die door wetenschappelijke verenigingen namens de beroepsgroep zijn opgesteld. Dan bepaalt de mate van consistentie van de onderzoeken dan wel publicaties of ze worden beschouwd als een voldoende onderbouwing van de effectiviteit. De zorg die artsen ‘plegen te bieden’ 3.5 Het CVZ heeft dit criterium (de zorg die artsen ‘plegen te bieden’; zie onder 3.2) in een rapport van 17 november 2008 als volgt verduidelijkt: Zorg die ‘pleegt te worden geboden’ betreft - kort gesteld - zorg die de beroepsgroep van de in de regelgeving genoemde zorgverlener rekent tot het aanvaarde arsenaal van zorg en die geleverd wordt op een wijze die de betreffende beroepsgroep als professioneel juist beschouwt. In de regel kan aan de hand van de richtlijnen en de standaarden van de beroepsgroep worden vastgesteld of sprake is van zorg die de beroepsgroep ‘pleegt te bieden’. Genoemde documenten kunnen in voorkomend geval ook dienen om na te gaan wanneer/of sprake is van zorgverlening op ‘professioneel juiste wijze’. In ditzelfde rapport is ook nog te lezen: Veelal zal ‘hetgeen men pleegt te bieden’ overeenkomen met zorg die voldoet aan het criterium ‘stand van de wetenschap en praktijk’. Het kan zich echter voordoen dat deze overlap er niet is, maar dat de uitkomst van beide criteria conflicteert. Wat is in dat geval leidend? Met andere woorden: hoe verhouden het criterium ‘plegen te bieden’ en het criterium ‘stand van de wetenschap en praktijk‘ zich tot elkaar? Voor het beantwoorden van deze vraag is het volgende van belang. De regelgeving waarin de aard, inhoud en omvang van de te verzekeren prestaties zijn omschreven, kent een gelaagdheid. Ruime omschrijvingen worden ingeperkt door beperkingen en uitsluitingen. Deze gelaagde opbouw kan als volgt worden weergegeven: • In artikel 10 van de Zorgverzekeringswet worden de zorgvormen (de functies) genoemd waarvoor een verzekeringsdekking gerealiseerd moet worden. Het gaat daarbij om ruime omschrijvingen, bijvoorbeeld geneeskundige zorg; • Vervolgens worden in het Besluit zorgverzekering de ruimere omschrijvingen ingeperkt. Zo wordt geneeskundige zorg ingeperkt tot zorg zoals die door een bepaalde beroepsgroep pleegt te worden verleend; • De volgende stap (in het Besluit zorgverzekering) betreft de beperking tot zorg conform ‘stand van wetenschap en praktijk’. Dus: zorg alleen voor zover die overeenkomt met zorg die in een bepaalde beroepsgroep pleegt te worden geboden en die bovendien voldoet aan het criterium ‘stand van de wetenschap en praktijk’; • Voorgaande zorg wordt (in het Besluit zorgverzekering en de Regeling zorgverzekering) vervolgens nog verder ingeperkt door toevoeging van expliciete uitsluitingen aan de prestatieomschrijving. (…); • (…). Het vorenstaande betekent dat men, pas nadat is vastgesteld dat er sprake is van ‘zorg zoals een (in de regelgeving genoemde) beroepsgroep pleegt te bieden’, toekomt aan beoordeling van het criterium ‘stand van de wetenschap en praktijk’. Anders gezegd: zorg die niet ‘pleegt te worden geboden’ behoort (reeds om die reden) niet tot de te verzekeren prestaties, ook al zou het gaan om zorg conform ‘stand van de wetenschap en praktijk’. Zorg die een (in de regelgeving genoemde) beroepsgroep ‘pleegt te bieden’, maar waarvan wordt vastgesteld dat deze niet voldoet aan het criterium ‘stand van de wetenschap en praktijk’, behoort ook niet tot de te verzekeren prestaties. In dat geval is het feit dat niet voldaan wordt aan het criterium ‘stand van de wetenschap en praktijk’ doorslaggevend.” Uit de hiervoor aangehaalde passages blijkt dat volgens het CVZ eerst moet worden beoordeeld of is voldaan aan het criterium ‘zorg die de beroepsgroep pleegt te bieden’ en daarna (pas) moet worden beoordeeld of is voldaan aan het criterium ‘stand van de wetenschap en praktijk’. Als aan het eerste criterium niet wordt voldaan, wordt niet toegekomen aan toetsing aan het tweede criterium. De stand van de wetenschap en praktijk 3.6 De strekking van de hiervoor onder 3.2 al genoemde passages uit de Nota van toelichting bij het Bzv is door de Hoge Raad in zijn uitspraak van 30 maart 2018 als volgt weergegeven: beoogd is om met het criterium ‘stand van de wetenschap en praktijk’ die zorg tot onderdeel van het verzekerde pakket te maken, die de betrokken beroepsgroep rekent tot het aanvaarde arsenaal van medische onderzoeks- en behandelingsmogelijkheden. Daarbij zijn (volgens de toelichting) zowel de stand van de medische wetenschap als de mate van acceptatie in de medische praktijk belangrijke graadmeters. Met dit criterium is tevens bedoeld te voldoen aan het (in verband met de vrijheid van diensten gegeven) oordeel van het HvJEU in zijn uitspraak van 12 juli 2001, ECLI:EU:C:2001:404, NJ 2002/3 (Smits en Peerbooms) dat ‘gebruikelijkheid’ alleen aanvaardbaar is als maatstaf indien daarmee wordt verwezen naar hetgeen door de internationale medische wetenschap voldoende beproefd en deugdelijk is bevonden. Het begrip ‘stand van de wetenschap’ kan slechts internationaal worden uitgelegd, zo besluit de weergave van de Hoge Raad. Het gaat hier om één geïntegreerde maatstaf, dus om zowel de stand van de wetenschap, als de mate van acceptatie in de medische praktijk. Het is een maatstaf die niet statisch is, maar dynamisch van aard omdat de inzichten in de medische wetenschap (door bijvoorbeeld nieuw onderzoek) aan verandering onderhevig zijn. Het moment waarop de verzekerde de medische behandeling ontvangt is bepalend voor het antwoord op de vraag of sprake is van verzekerde zorg. 3.7 In januari 2015 heeft het Zorginstituut een geactualiseerd rapport uitgebracht over ‘Beoordeling stand van de wetenschap en praktijk’. In hoofdlijnen is het beoordelingskader als volgt weergegeven: voor het bepalen van ‘de stand van wetenschap en praktijk’ wordt nagegaan of het behandelbeleid (diagnostiek, behandeling), gelet op de gunstige en mogelijk ongunstige gevolgen ervan (bijwerkingen, veiligheid), leidt tot relevante (meer)waarde voor de patiënt in vergelijking met de standaard of gebruikelijke behandeling. Het gaat dan om de zogenoemde relatieve effectiviteit van de interventie. De vaste werkwijze is dat voor die beoordeling de principes van evidence-based medicine (EBM) gevolgd worden. EBM is primair ontwikkeld als leidraad voor praktiserende artsen voor het nemen van klinische beslissingen over individuele patiënten, maar inmiddels wordt EBM ook gevolgd bij de ontwikkeling van richtlijnen door de beroepsverenigingen van zorgverleners (artsen) en bij het ontwikkelen van beleid op het terrein van volksgezondheid. EBM is ook goed bruikbaar om te beoordelen of de zorg (behandeling) voldoet aan ‘de stand van de wetenschap en praktijk’. Ook hierbij gaat het niet om de vraag of de zorg (behandeling) bij een individuele patiënt effectief is, maar of de zorg (behandeling) bij een bepaald indicatiegebied effectief is. Het criterium ‘de stand van de wetenschap en praktijk’ is één geïntegreerde wettelijke maatstaf; EBM combineert en verenigt juist de beide elementen wetenschap en praktijk. De kern van EBM is dat de beschikbare ‘evidence’ (van gerandomiseerd vergelijkend onderzoek tot praktijkervaring) systematisch wordt uitgezocht en geselecteerd en op gestructureerde wijze wordt gewogen en gebruikt. In het rapport worden verder in de hoofdstukken 2 en 3 het beoordelingskader en de werkwijze/uitgangspunten uitgewerkt. De stand van de wetenschap en praktijk bij heupprothesen 3.8 De metaal-op-metaal (MoM) heupprothese is een type prothese waarbij een metalen prothesekop beweegt in een kom van metaal. Er zijn twee types MoM-prothesen: de resurfacing (sportheup of Hip Resurfacing Arthroplasty (MoM-HRA)) en de non-resurfacing (de totale heupprothese of Total Hip Arthroplasty (MoM-THA). Bij de MoM-THA wordt de gehele kop van het bovenbeen afgezaagd waarin een metalen steel en kop worden geplaatst. De MoM-THA operatie wordt sinds 2012 niet meer in Nederland uitgevoerd en ook niet meer door zorgverzekeraars vergoed. Bij de MoM-HRA blijft de kop van het heupgewricht intact en die kop wordt (enkel) met metaal omhuld; er wordt dan ook geen steel in het dijbeen geplaatst. In beide gevallen draait een metalen kop in een metalen kom in het bekken; in zoverre zijn het dus beide MoM-prothesen. In de adviezen van CVZ vanaf februari 2007 tot 2012 werden de MoM-HRA heupprothesen als verzekerde zorg geduid voor patiënten jonger dan 65 jaar. Sinds 2012 is ook deze MoM-HRA prothese in de ban gedaan en wordt deze operatie niet meer in Nederland uitgevoerd. 3.9 In Nederland wordt op dit moment enkel de Total Hip Arthroplasty (THA) uitgevoerd en door de zorgverzekeraars vergoed. Bij deze operatie wordt de gehele heupkop van het bovenbeen afgezaagd, waarna een metalen steel in het bovenbeen wordt aangebracht waarop een keramische kunstkop wordt geplaatst. In de heupkom van het bekken wordt een metalen kom geplaatst met daarin een keramische binnenvoering, waarin de keramische kunstkop past. Standpunt NOV 3.10 In een bericht van de Nederlandse Orthopaedische Vereniging (NOV) van 9 juni 2011 is op basis van internationale ontwikkelingen en de Nederlandse ervaring geadviseerd tot grote voorzichtigheid en terughoudendheid bij toepassing van MoM-prothesen in verband met verhoogde concentratie van metaaldeeltjes. Dit advies gold voor de totale heupprothese met grote koppen (van 36 mm en groter) en de resurfacing prothese. Een en ander is het gevolg geweest van het uit de markt halen via een recall-procedure van één van deze producten (ASR-prothese van producenten Depuy en Johnson & Johnson) en een door de Amerikaanse overheidsinstantie FDA opgedragen grootschalig onderzoek in mei 2011 naar alle MoM-prothesen die deze producenten leveren. De NOV heeft hierop aan haar leden nog een ‘aangescherpt advies’ gegeven op 17 januari 2012. Hierin staat onder meer: Op basis van de recente nationaal en internationaal gepubliceerde ervaringen met Metaal-op-Metaal (MoM)-prothesen, waarin steeds vaker complicaties worden gemeld, meent de NOV dat aanscherping van het advies noodzakelijk is. Hoewel de ervaringen per prothese kunnen verschillen, zijn er zorgen ten aanzien van de verhoogde concentraties van metalen in het bloed en de lokale reacties op metaalpartikels in het heupgebied rondom de prothese. Dit lijkt een generiek probleem voor alle MoM-prothesen met grote koppen. De NOV adviseert, uit het oogpunt van patiëntveiligheid toepassing van alle MoM-prothesen met grote koppen (> 36
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.