GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem, afdeling civiel zaaknummer gerechtshof 200.327.749 zaaknummer rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo 275692 arrest van 26 maart 2024 in de zaak van eenmanszaak naar Pools recht [appellant] die is gevestigd in Wieloglowy, Polen die hoger beroep heeft ingesteld en die bij de rechtbank optrad als eiser hierna: [appellant] advocaat: mr. J.M. Wolfs tegen 1North and South Holding B.V. die kantoor houdt in Foudgum 2. [geïntimeerde2] die woont in [woonplaats1] die bij de rechtbank optraden als gedaagden hierna: Holding en [geïntimeerde2] niet verschenen. 1Het verloop van de procedure in hoger beroep [appellant] heeft hoger beroep ingesteld tegen de vonnissen die de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, op 10 augustus 2022 en 15 februari 2023 tussen partijen heeft uitgesproken. Het procesverloop in hoger beroep blijkt uit: de dagvaarding in hoger beroep van 10 mei 2023 de verstekverlening tegen Holding en [geïntimeerde2] op 6 juni 2023 de memorie van grieven. Daarna heeft [appellant] de processtukken overgelegd en het hof gevraagd arrest te wijzen. 2De kern van de zaak, de vaststaande feiten en het geschil bij de rechtbank en het hof 2.1. Het geschil tussen partijen gaat over de vraag of Holding en [geïntimeerde2] als (middellijk) bestuurders van North to South B.V. (hierna: de vennootschap) aansprakelijk zijn voor de schade die [appellant] lijdt doordat de vennootschap een factuur van [appellant] voor geleverde mondmaskers grotendeels onbetaald heeft gelaten en verhaal op de vennootschap niet mogelijk is gebleken. 2.2. Het hof gaat uit van de feiten die de rechtbank heeft vastgesteld in ro. 2.1 tot en met 2.5 van het tussenvonnis van 10 augustus 2022. Kort samengevat is de vennootschap, na een deelbetaling van € 70.000, door dezelfde rechtbank veroordeeld tot betaling aan [appellant] van de restantkoopprijs van € 564.500 vermeerderd met handelsrente en kosten, maar is het [appellant] niet gelukt zijn vordering op de vennootschap te innen. Holding en [geïntimeerde2] zijn (middellijk) bestuurder van de vennootschap. 2.3. [appellant] meent dat Holding en [geïntimeerde2] als bestuurders onrechtmatig hebben gehandeld en heeft de rechtbank gevraagd hen hoofdelijk te veroordelen tot betaling aan [appellant] van het door de vennootschap verschuldigde met rente en kosten. In het tussenvonnis heeft de rechtbank geoordeeld dat de vraag naar de bestuurdersaansprakelijkheid van Holding en [geïntimeerde2] naar Pools recht moet worden beoordeeld. Partijen hebben zich over de inhoud van dat recht bij akte uitgelaten. In het eindvonnis van 15 februari 2023 heeft de rechtbank geoordeeld dat geen sprake is van bestuurdersaansprakelijkheid van Holding en [geïntimeerde2] en de vorderingen van [appellant] afgewezen. 2.4. [appellant] heeft tegen het tussenvonnis en het eindvonnis hoger beroep ingesteld. In de memorie van grieven heeft [appellant] aangegeven alleen nog op te komen tegen het eindvonnis en niet meer tegen het tussenvonnis, maar in grief 2 komt hij ook op tegen het eindvonnis, voor het geval de aansprakelijkheid naar Nederlands recht beoordeeld zou moeten worden. [appellant] wil dat het hof zijn vorderingen alsnog toewijst: óf naar Pools óf naar Nederlands recht. 3Het oordeel van het hof 3.1. In zijn eerste grief tegen het eindvonnis klaagt [appellant] erover dat de rechtbank de vraag naar de bestuurdersaansprakelijkheid van Holding en [geïntimeerde2] niet heeft beantwoord met correcte toepassing van het geldende Poolse recht, zoals neergelegd in art. 299 van de Poolse Commercial Companies Code (hierna: CCC), maar met toepassing van het Nederlandse recht. Die grief slaagt, op grond van het volgende. 3.2. Weliswaar overweegt de rechtbank dat zij het Poolse recht zal toepassen, haalt zij dat recht aan zoals dat volgens een door [appellant] ingediende legal opinion geldt en verwerpt zij de bezwaren van Holding en [geïntimeerde2] tegen die legal opinion (eindvonnis ro. 3.2, 4.2 tot en met 4.5), maar daarna volgt in wezen een beoordeling van de onrechtmatigheid van hun handelen naar Nederlands recht. Dit blijkt uit de overwegingen van de rechtbank (eindvonnis ro. 4.8) dat (samengevat) [appellant] niet of onvoldoende heeft betwist de stelling van Holding en [geïntimeerde2] dat het de bedoeling van de vennootschap was [appellant] te betalen uit de verkoopopbrengst van de mondmaskers waarvan maar een klein deel is verkocht, wat op risicovol ondernemen door de vennootschap duidt, maar niet zonder meer onrechtmatig handelen van haar bestuurders oplevert. Ook de overwegingen met betrekking tot de bewijslastverdeling van betalingsonmacht (eindvonnis ro. 4.9) duiden erop dat de beoordeling door de rechtbank steunt op een door [appellant] inmiddels naar aanleiding van het tussenvonnis verlaten grondslag van Nederlands recht. Het valt het hof verder op dat de rechtbank vervolgens in haar beoordeling in wezen de Beklamel-toets aanlegt (eindvonnis ro. 4.10), terwijl ook dat een naar Nederlands recht geldende norm voor bestuurdersaansprakelijkheid betreft (waarover meer in ro. 3.9 en 3.10 van dit arrest). Een concrete toets van het handelen (of nalaten) van Holding en [geïntimeerde2] aan het volgens [appellant] toe te passen art. 299 CCC ontbreekt. Dat artikel bepaalt in paragraaf 1 (in Engelse vertaling): “If the execution against the company proves ineffective, members of the management board shall be jointly and severally liable for the company liabilities.” Van dat uitgangspunt heeft de rechtbank geen (of onvoldoende) blijk gegeven. Nu grief 1 slaagt, wordt het volgende van belang. devolutieve werking hoger beroep; toepasselijk recht onderdeel rechtsstrijd 3.3. Zoals uit het voorgaande blijkt, heeft deze zaak een internationaal karakter doordat partij [appellant] een in Polen gevestigde eenmanszaak is, Holding in Nederland gevestigd is en [geïntimeerde2] in Nederland woont. Op grond van art. 10:2 BW moet de rechter conflictregels en het door die regels aangewezen recht ambtshalve toepassen. Deze regels vallen dus binnen het bereik van art. 25 Rv, dat de rechter opdraagt de rechtsgronden ambtshalve aan te vullen. Volgens de parlementaire geschiedenis en vaste rechtspraak van de Hoge Raad brengt het grievenstelsel in hoger beroep mee dat de appelrechter in beginsel – behoudens in geval van rechtsregels van processuele openbare orde, wat niet geldt voor de hier toe te passen conflictregels – slechts tot ambtshalve toepassing van rechtsregels mag komen binnen het door de grieven ontsloten gebied. 3.4. In deze zaak heeft [appellant] geen grief gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat Pools recht van toepassing is. Maar doordat de grief van [appellant] over de wijze waarop de rechtbank het Poolse recht heeft toegepast (aan de hand van Nederlandse maatstaven, aldus [appellant] ) slaagt, moet het hof op grond van de positieve zijde van de devolutieve werking van het hoger beroep toch (ambtshalve) beoordelen welk recht in deze zaak moet worden toegepast. Deze vraag gaat vooraf aan de wijze waarop het toepasselijk geoordeelde recht door de rechtbank is toegepast en behoort tot het door deze slagende grief ontsloten gebied. Uit het tussenvonnis blijkt dat van het partijdebat bij de rechtbank ook deel uitmaakte de vraag naar het toepasselijke recht. Volgens de rechtbank (tussenvonnis ro. 5.3) hebben Holding en [geïntimeerde2] erop gewezen dat artikel 1, tweede lid onder d, van Verordening Rome II bepaalt dat van het toepassingsgebied van deze verordening onder meer zijn uitgesloten: niet-contractuele verbintenissen die voortvloeien uit het recht inzake vennootschappen, verenigingen en rechtspersonen die zien op de persoonlijke aansprakelijkheid van de vennoten en de leden van de organen voor de schulden van de vennootschap, vereniging of rechtspersoon. vaststelling van het toepasselijke recht: (toch) Nederlands recht 3.5. Zoals blijkt uit de inleidende dagvaarding is onrechtmatige daad de grondslag van de vordering van [appellant] . Aangezien een niet-contractuele verbintenis aan de vordering ten grondslag ligt, is Verordening Rome II van toepassing ter bepaling van het toepasselijke recht. Het aan Holding en [geïntimeerde2] verweten onrechtmatig handelen heeft [appellant] in de procedure bij de rechtbank gebaseerd op art. 6:162 BW. Als de uitzondering op de toepasselijkheid van Verordening Rome II zoals geformuleerd in art. 1 lid 2 sub d van die verordening niet geldt, dan geldt wat de rechtbank daarover heeft overwogen: op grond van art. 10:159 BW zijn de bepalingen van Verordening Rome II dan van overeenkomstige toepassing. 3.6. Voor zover hier van belang staat in Verordening Rome II over het toepasselijke recht het volgende. Als algemene regel geldt dat, tenzij in de verordening anders is bepaald, het recht dat van toepassing is op een onrechtmatige daad het recht is van het land waar de schade zich voordoet, ongeacht in welk land de schadeveroorzakende gebeurtenis zich heeft voorgedaan (art. 4 lid 1). In deze zaak zou op grond daarvan Pools recht van toepassing zijn. Echter, lid 3 van art. 4 Verordening Rome II bepaalt dat indien uit het geheel der omstandigheden blijkt dat de onrechtmatige daad een kennelijk nauwere band heeft met een ander dan het in lid 1 bedoelde land, het recht van dat andere land van toepassing is. Een kennelijk nauwere band zou met name kunnen berusten op een reeds eerder bestaande, nauw met de onrechtmatige daad samenhangende betrekking tussen de partijen, zoals een overeenkomst, aldus lid 3. Naar het oordeel van het hof is van een kennelijk nauwere band met Nederland in dit geval sprake op grond van het volgende. 3.7. Het gaat hier om de aansprakelijkheid van (middellijk) bestuurders van een naar Nederlands recht opgerichte besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid. De vennootschap is in Nederland gevestigd, net als haar bestuurder Holding. De andere (middellijk) bestuurder, [geïntimeerde2] , woont in Nederland. De verwijten die aan de (middellijk) bestuurders worden gemaakt, betreffen onrechtmatig handelen door betalingsonwil en/of wetenschap bij het aangaan van de koopovereenkomst dat de vennootschap haar verplichtingen niet kon nakomen. Zij zijn dus niet los te zien van het Nederlandse incorporatierecht en de daaruit voortvloeiende, voor bestuurders van naar Nederlands recht opgerichte vennootschappen in Nederland geldende normen. Het ernstig persoonlijk verwijt dat de bestuurders hier wordt gemaakt, houdt tevens verband met en is ontleend aan een uit het Nederlandse vennootschapsrecht stammende bijzondere (zij het interne) zorgvuldigheidsnorm: art. 2:9 BW. Daarbij komt dat het onrechtmatig handelen van de (middellijk) bestuurders (door middel van feitelijk handelen van [geïntimeerde2] ) voortvloeit uit het sluiten van een overeenkomst van de vennootschap met [appellant] (ook feitelijk via [geïntimeerde2] ). Ook al zijn de (middellijk) bestuurders zelf geen contractspartij van [appellant] geworden: er is sprake van een nauw met de onrechtmatige daad samenhangende betrekking tussen de partijen. In een voorafgaande procedure bij de Nederlandse rechter – over de niet-nakoming door de vennootschap van haar betalingsverplichting uit de koopovereenkomst – is in het vonnis van 7 juli 2021 Nederlands recht toegepast (in aanvulling op de bepalingen van het Weens Koopverdrag). In de huidige procedure tegen de (middellijk) bestuurders heeft [appellant] ook stellingen uit die eerdere procedure aangevoerd. In het licht van al deze specifieke omstandigheden die tezamen evident duiden op een kennelijk nauwere band met het Nederlandse recht en de Nederlandse rechtssfeer, acht het hof de algemene regel om het recht toe te passen van de staat waar de schade zich heeft voorgedaan niet passend. Dit is ook in lijn met overweging 14 van Verordening Rome II:"De eis van rechtszekerheid en de noodzaak om recht te doen in individuele gevallen zijn wezenlijke onderdelen van een ruimte van rechtvaardigheid. Deze verordening voorziet in de aanknopingsfactoren die het meest geschikt zijn om deze doelstellingen te verwezenlijken. Derhalve schrijft deze verordening een algemene regel voor, maar voorziet zij ook in specifieke regels en, in sommige bepalingen, in een „ontsnappingsclausule” waardoor mag afgeweken worden van deze regels voor het geval dat uit alle omstandigheden van het geval blijkt dat de onrechtmatige daad een kennelijk nauwere band heeft met een andere lidstaat. Dit geheel van regels schept aldus een flexibel kader van collisieregels. Eveneens kunnen de rechtbanken waarbij individuele geschillen aanhangig zijn gemaakt, deze op een passende wijze behandelen.” 3.8. Op grond van het voorgaande zal het hof het hoger beroep beoordelen met toepassing van Nederlands recht. Met die mogelijkheid hield [appellant] kennelijk al rekening, gelet op zijn tweede grief. Daarin beklaagt [appellant] zich over de wijze waarop de rechtbank de bestuurdersaansprakelijkheid van Holding en [geïntimeerde2] met toepassing van Nederlands recht heeft beoordeeld. Bij de behandeling van deze grief zal het hof ook de door partijen bij de rechtbank aangevoerde argumenten vóór of tegen bestuurdersaansprakelijkheid naar Nederlands recht betrekken. toetsingskader bestuurdersaansprakelijkheid 3.9. In geval van benadeling van een schuldeiser van een vennootschap door het onbetaald en onverhaalbaar blijven van diens vordering kan volgens vaste rechtspraak (zie met name het arrest Ontvanger/Roelofsen) naast de aansprakelijkheid van de vennootschap mogelijk ook, afhankelijk van de omstandigheden van het concrete geval, grond zijn voor aansprakelijkheid van degene die als bestuurder (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.