Afdeling strafrecht Parketnummer: 21-004404-21 Uitspraak d.d.: 7 februari 2024 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Zwolle gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 29 september 2021 met parketnummer 16-705493-16 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1963, wonende te [woonplaats] . Het hoger beroep De verdachte en de officier van justitie hebben tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 24 januari 2024 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft verder kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr. P.B.A. Acda, naar voren is gebracht. Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in het hoger beroep De officier van justitie heeft op 16 januari 2023 het hoger beroep willen intrekken, zoals blijkt uit de akte intrekking. De eerste behandeling van de zaak in hoger beroep vond echter plaats op 11 januari
- Intrekking van het hoger beroep na aanvang van de behandeling ter zitting is niet mogelijk. De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting van 24 januari 2024 daarom gevorderd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk wordt verklaard in het hoger beroep wegens gebrek aan belang. Het hof zal het openbaar ministerie daarom op grond van artikel 416, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering niet-ontvankelijk verklaren in het hoger beroep. Het vonnis waarvan beroep De rechtbank heeft bij vonnis van 29 september 2021, waartegen het hoger beroep is gericht, de verdachte ter zake van het onder 1 ten laste gelegde medeplegen van feitelijke leidinggeven aan het medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd, en het onder 2 ten laste gelegde gewoontewitwassen veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden. Het hof is van oordeel dat de rechtbank ten aanzien van de bewezenverklaring op goede gronden en juiste wijze heeft beslist. Het hof zal het vonnis daarom in zoverre bevestigen. Ten aanzien van de kwalificatie en de strafoplegging komt het hof tot (deels) andere beslissingen dan de rechtbank. In zoverre zal het vonnis dan ook worden vernietigd. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Het onder 1 bewezenverklaarde levert op: medeplegen van het feitelijke leidinggeven aan valsheid in geschrift, meermalen gepleegd. Het onder 2 bewezenverklaarde levert op: medeplegen van het een gewoonte maken van het plegen van witwassen. Oplegging van straf en/of maatregel Standpunt van het openbaar ministerie De advocaat-generaal heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur elf maanden. Standpunt van de verdediging De raadsman heeft het hof verzocht – in het geval van een bewezenverklaring – een voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. Oordeel van het hof De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. Verdachte heeft samen met medeverdachte [medeverdachte] gedurende een jaar op grove wijze misbruik gemaakt van de PGB-regelgeving. Deze regelgeving is bewust ruimhartig ingericht, zodat degenen die zorg nodig hebben, laagdrempelig een financiële tegemoetkoming kunnen krijgen. Verdachte heeft samen met [medeverdachte] , als feitelijke leidinggevenden, meerdere facturen, verantwoordingsformulieren en urenregistratieformulieren valselijk laten opmaken. Dit gebeurde door (alle) uren aan zorg waar de cliënten van [stichting] voor waren geïndiceerd, te factureren en te verantwoorden met formulieren, ook als cliënten minder of – in het geval van [naam 1] en [naam 2] – geen zorg kregen. Het hof neemt het verdachte zeer kwalijk dat hij op deze manier is omgegaan met gemeenschapsgeld, dat bedoeld is voor mensen die zorg behoeven. Door op deze manier misbruik te maken van de zorgregelingen draagt verdachte bij aan het ontstaan van een klimaat waarin mensen (en in dit geval vooral kwetsbare mensen) die gebruik moeten maken van sociale voorzieningen worden gewantrouwd als zij daar een beroep op doen. Het hof merkt hierbij nog het volgende op. Door de verdediging is getracht de verantwoordelijkheid voor het misbruik van de PGB-regelgeving binnen [stichting] voor een groot deel af te schuiven op een werkneemster van de stichting, [naam 3] . [naam 3] verrichtte haar werkzaamheden evenwel nadrukkelijk onder verantwoordelijkheid van verdachte en medeverdachte [medeverdachte] . Zij had geen bijzondere functie in het bedrijf, bijvoorbeeld in de vorm van hoofd van de administratie. Het waren alleen verdachte en medeverdachte [medeverdachte] die substantieel profiteerden van de winst die de stichting maakte. Het hof is daarom van oordeel dat het voor verdachte nogal ongepast is om de verantwoordelijkheid voor de bewezenverklaarde malversaties binnen de stichting eenzijdig aan mevrouw [naam 3] toe te dichten. Door vooral naar mevrouw [naam 3] te wijzen heeft verdachte geen enkele verantwoordelijkheid genomen voor hetgeen onder leiding van met name hemzelf maar ook van medeverdachte [medeverdachte] binnen de stichting gebeurde. Daarnaast heeft verdachte bedragen van (telkens in totaal) € 353.825,00, € 213.782,00 en € 129.950,00 witgewassen en hiervan een gewoonte gemaakt. Verdachte heeft deze geldbedragen besteed aan het bouwen van een appartementencomplex in Kroatië door zijn schoonzoon, de koop van een woning in Spanje voor [medeverdachte] en een Bentley voor hemzelf. Dit terwijl dit geld bedoeld was voor mensen die zorg nodig hebben. Het hof neemt het verdachte dan ook zeer kwalijk dat hij zo is omgegaan met op valselijke wijze verkregen gemeenschapsgeld. Het hof weegt bij het bepalen van de straf de rol van verdachte mee. Het hof ziet verdachte als de persoon die de fraudeconstructie heeft bedacht en het beleid daaromtrent binnen [stichting] heeft uitgezet, terwijl ook medeverdachte [medeverdachte] een belangrijke rol heeft gehad. Het dossier bevat weliswaar aanwijzingen dat [naam 3] een uitvoerende rol heeft gehad in het geheel, maar het hof is van oordeel dat dit steeds onder leiding van verdachte en medeverdachte [medeverdachte] is geweest. Verdachte wordt door het hof als hoofddader aangemerkt. Het hof heeft vastgesteld dat een bedrag van in totaal € 697.557,00 is witgewassen en gaat uit van dat bedrag als benadelingsbedrag. Het LOVS-oriëntatiepunt bij een benadelingsbedrag tussen € 500.000,00 en € 1.000.000,00 is een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van tussen de 18 en 24 maanden. Mede gezien de houding van verdachte, meer specifiek het feit dat hij [naam 3] alle schuld in de schoenen probeert te schuiven, zal het hof een gevangenisstraf van 24 maanden als uitgangspunt nemen. Uit het uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 18 december 2023 blijkt dat verdachte in de vijf jaar voorafgaand aan het bewezenverklaarde niet is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten. Het strafblad van verdachte vormt dan ook geen aanleiding om in het nadeel van verdachte af te wijken van het oriëntatiepunt. Wel constateert het hof dat verdachte in een verder verleden onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke feiten. Om te voorkomen dat verdachte zich in de toekomst weer schuldig maakt aan een vorm van fraude is een voorwaardelijk strafdeel naar het oordeel van het hof noodzakelijk. Gelet op het voorgaande acht het hof in beginsel passend en geboden een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren. De persoonlijke omstandigheden van verdachte, waaronder het feit dat hij samen met medeverdachte [medeverdachte] de zorg voor hun zieke zoon draagt, maken dat niet anders. Vanwege de ernst van het feit, de rol van verdachte daarbij en zijn proceshouding, kan naar het oordeel van het hof niet worden volstaan met een lichtere strafmodaliteit. Tot slot zal het hof rekening houden met de overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg. Voor een verdachte geldt als redelijke termijn per rechterlijke instantie een periode van 24 maanden. Verdachte is in het verband van deze zaak voor het eerst verhoord op 19 januari
- Het vonnis van de rechtbank is uitgesproken op 29 september 2021, ruim vier jaar en acht maanden later. Dat levert een overschrijding van de redelijke termijn van 32 maanden op. Die vertraging is niet aan de verdediging te wijten. Het hof weegt deze overschrijding daarom in strafmatigende zin mee. In hoger beroep was de eerste inhoudelijke behandeling ruim binnen 24 maanden gepland, maar is de zaak tot drie keer toe aangehouden, waardoor de redelijke termijn uiteindelijk is overschreden. Aangezien de oorzaak van twee van de drie aanhoudingen in de appelfase bij de verdediging heeft gelegen – en de redelijk termijn zonder deze aanhoudingen niet overschreden zou zijn geweest –, zal het hof ten aanzien van de overschrijding in hoger beroep volstaan met de enkele constatering daarvan. Alles afwegende komt het hof tot de oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren. Toepasselijke wettelijke voorschriften Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 47, 51, 57, 63, 225 en 420ter van het Wetboek van Strafrecht. Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde. BESLISSING Het hof: Verklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in het hoger beroep. Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de kwalificatie en de strafoplegging en doet in zoverre opnieuw recht. Verklaart het onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit als hiervoor vermeld. Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 (twintig) maanden. Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 6 (zes) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 3 (drie) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene. Aldus gewezen door mr. J. Corthals, voorzitter, mr. R.G.J. Welbergen en mr. P.L.M van Gorkom, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr. R.W.P. Soons, griffier, en op 7 februari 2024 ter openbare terechtzitting uitgesproken.