GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem, afdeling civiel zaaknummer gerechtshof 200.325.112 zaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, 393398 arrest van 16 april 2024 in de zaak van [appellant] , die woont in [woonplaats1] , die hoger beroep heeft ingesteld, en bij de rechtbank optrad als gedaagde, hierna: de man, vertegenwoordigd door mr. B. Molenaar, tegen [geïntimeerde] , die woont in [woonplaats1] , die ook hoger beroep heeft ingesteld, en bij de rechtbank optrad als eiseres, hierna: de vrouw, vertegenwoordigd door mr. E.E.M. Messink. 1Het verloop van de procedure in hoger beroep 1.1. Naar aanleiding van het arrest van 23 mei 2023 heeft op 14 juli 2023 een mondelinge behandeling bij een raadsheer-commissaris van dit hof plaatsgevonden. Daarvan is een verslag gemaakt dat aan het dossier is toegevoegd (het proces-verbaal). Een nader ingebracht stuk van de zijde van de man maakt onderdeel uit van het proces-verbaal. De raadsheer-commissaris heeft de zaak aangehouden om partijen de gelegenheid te geven de mogelijkheid van een minnelijke regeling te onderzoeken. Partijen hebben uiteindelijk geen regeling bereikt. 1.2. Het verdere procesverloop blijkt uit: - de memorie van grieven, - de memorie van antwoord tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep, - de memorie van antwoord in het incidenteel hoger beroep. Vervolgens zijn de stukken gefourneerd en heeft het hof arrest bepaald. 2De kern van de zaak 2.1. Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad en samengewoond in de periode augustus 2001 tot mei 2009. Zij hebben een woning in [woonplaats1] aan de [adres] (hierna: de woning) in gemeenschappelijk eigendom. De man heeft vanaf november 2009 het alleenrecht van bewoning en hij draagt sindsdien alle woonlasten. Na het verbreken van de relatie hebben partijen op 17 februari 2014 een vaststellingsovereenkomst met elkaar gesloten. In de vaststellingsovereenkomst zijn – onder meer – onder artikel 2 de gemaakte afspraken over de gemeenschappelijke woning vastgelegd. Die afspraken luiden als volgt: “ Artikel 2. Gemeenschappelijke woning 2.1 Recht van bewoning De woning is gemeenschappelijk eigendom van partijen. De man heeft vanaf november 2009 het alleen recht van bewoning en draagt alle woonlasten. De man zal binnen een half jaar na ondertekening van deze overeenkomst – of zoveel eerder als mogelijk is – de eigendom van de woning geheel op zich nemen en de overdracht bij de notaris laten plaatsvinden. De overdracht van de woning zal gebeuren tegen een door partijen geschatte waarde van € 189.000,-- die gelijk is aan de waarde van de hypotheek, zodat er geen sprake is van een overwaarde. Mocht de taxatie een erg afwijkende waarde van de woning opleveren, dan verplichten partijen zich hierover met elkaar in gesprek te gaan en samen een oplossing te vinden. 2.2 Hypotheek Er is een hypothecaire geldlening bij [de bank] met nummer [nummer1] en een waarde van € 189.000,--. De man zal deze hypotheek overnemen, onder de voorwaarde dat de vrouw ontslagen wordt uit de hoofdelijke aansprakelijkheid. 2.3 Kosten notaris en bank De kosten die voortkomen uit de overdracht van de eigendom van de woning, de taxatie en de hypotheek (kosten notaris en boete en andere kosten van de bank) komen zonder verder verrekening geheel voor rekening van de man. 2.4 Termijn Indien de termijn van een half jaar na dagtekening van dit convenant niet wordt gered, verplicht de man zich het bedrag van € 600,-- (deel achterstallige alimentatie: artikel 1.8 alsnog in maandelijkse termijn aan de vrouw te voldoen.” 2.2. In 2021 is de vrouw een gerechtelijke procedure tegen de man gestart. De vrouw heeft daarin gevorderd veroordeling van de man tot medewerking aan taxatie van de woning, zorgdragen tot ontslag van de vrouw uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldlening in geval van toedeling van de woning aan de man, uitkering van de helft van de overwaarde aan de vrouw op de datum van overdracht, dan wel verkoop van de woning wanneer de man de woning niet wil of kan financieren en het in de plaats treden van het vonnis voor de rechtshandelingen die de man moet verrichten wanneer hij in gebreke blijft, alles onder verbeurte van een dwangsom. De man heeft bij tegenvordering – voor zover hier nog van belang – toewijzing van de vorderingen van de vrouw tot het verlenen van medewerking aan taxatie, verkoop en overdracht van de woning gevorderd per de dag dat de dochter [de dochter] meerderjarig wordt op 14 augustus 2025. De rechtbank heeft in overleg met partijen de man in de gelegenheid gesteld om te onderzoeken of hij de woning kan overnemen, de vrouw kan uitkopen voor haar aandeel in de woning en haar kan laten ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van de hypothecaire geldlening. Daarbij is afgesproken dat de man dat bij zijn eigen bank mocht onderzoeken en ook nog bij één andere bank. Deze afspraak hebben partijen ter gelegenheid van de mondelinge behandeling op 10 juni 2022 gemaakt (productie 6). De zaak is aangehouden. Het is de man vervolgens niet gelukt om een financiering te verkrijgen. Vervolgens heeft de rechtbank – onder uitvoerbaar bij voorraadverklaring – bij vonnis van 1 maart 2023 (hierna ook: het bestreden vonnis) bepaald dat de man uiterlijk binnen drie maanden na 1 maart 2023 opdracht aan makelaar [naam1] moet geven voor de verkoop van de woning, de man veroordeeld om op het eerste verzoek van de makelaar mee te werken aan bezichtiging van de woning, bepaald dat partijen ter zake van de hoogte van de vraagprijs en de uiteindelijke verkoopprijs op het advies van de makelaar moeten afgaan, dat de opbrengst van de woning na aftrek van makelaarskosten en aflossing van hypotheek bij helfte wordt gedeeld, dat het vonnis (naar het hof begrijpt ingevolge artikel 3:300 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek) in de plaats treedt van de rechtshandelingen die de man moet verrichten uit hoofde van het vonnis wanneer hij in gebreke blijft, beslist dat iedere partij de eigen kosten van de procedure draagt en het meer of anders gevorderde afgewezen. 2.3. Ook in hoger beroep is op de mondelinge behandeling van 14 juli 2023 de mogelijkheid van financiering nog eens besproken. De raads-commissaris heeft de zaak twee maanden aangehouden om partijen de gelegenheid te geven samen te onderzoeken of zij tot overeenstemming kunnen komen. De informatie die toen beschikbaar was duidde namelijk op de mogelijkheid tot overname van de hypothecaire geldlening door de man en financiering van een bedrag voor uitkoop van de vrouw. De vrouw kon instemmen met nog een poging van de man om de woning en de uitkoop gefinancierd te krijgen. Ook toen is dat de man niet gelukt. De man is vervolgens in de gelegenheid gesteld om op de rol van 24 oktober 2023 een memorie van grieven in te dienen en heeft dit ook gedaan. 2.4. In geschil is de verdeling van de woning, meer in het bijzonder de vraag of de woning verkocht moet worden of niet. De bedoeling van het hoger beroep van de man is dat het hof, zoveel als mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het bestreden vonnis zal vernietigen en een nieuwe beslissing zal nemen waarbij de vordering van de vrouw wordt afgewezen, dan wel wordt toegewezen per de datum van meerderjarig worden van dochter [de dochter] (op 14 augustus 2025), met veroordeling van de vrouw in de kosten van beide instanties. 2.5. De bedoeling van het hoger beroep van de vrouw is dat het hof alsnog een dwangsom aan de man oplegt wanneer hij in gebreke blijft om een rechtshandeling als door de rechtbank in het bestreden vonnis gelast te verrichten. In hoger beroep heeft zij haar eis vermeerderd en vordert zij dat het hof zal bepalen dat de man op eerste verzoek van de makelaar moet meewerken aan bezichtigingen op straffe van een dwangsom van € 500 voor iedere voorgenomen bezichtiging waaraan hij niet meewerkt, en dat, wanneer hij € 2.500 aan dwangsommen heeft verbeurd, hij binnen drie dagen na aanzegging door de vrouw, de woning moet verlaten en niet meer mag betreden en de vrouw gemachtigd wordt om de woning te verkopen, het een en ander zo nodig met behulp van de politie en/of deurwaarder. Verder vordert zij veroordeling van de man om binnen drie dagen na het eerste verzoek van de makelaar mee te werken aan de totstandkoming van de koopovereenkomst waarbij het arrest in de plaats komt van de medewerking van de man voor zover hij in gebreke blijft daaraan te voldoen en datzelfde en onder dezelfde voorwaarden vordert zij wat betreft de notariële overdracht van de woning aan kopers. 3Het oordeel van het hof 3.1. Het hof zal het bestreden vonnis bekrachtigen, behoudens wat betreft de afwijzing van de door de vrouw gevorderde dwangsomoplegging. Ook zal het hof wat de vrouw bij vermeerdering van eis in hoger beroep heeft gevorderd voor een deel en op de hierna volgende wijze toewijzen. Het hof zal uitleggen hoe het tot dat oordeel is gekomen. rechtsgrond 3.2. Het uitgangspunt van de wetgever is dat niemand kan worden gehouden om in een onverdeeldheid te blijven. Iedere deelgenoot kan altijd verdeling vragen (artikel 3:178 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW)). Artikel 3:178 lid 3 BW bepaalt dat in gevallen waarin de belangen van degene die niet wil verdelen ‘aanmerkelijk groter’ zijn dan de belangen van degene die wil verdelen kan worden bepaald dat er nog niet verdeeld hoeft te worden. 3.3. De man heeft al sinds 2009 feitelijk alleen de beschikking over de woning. De vrouw eist sinds 7 september 2021 (de datum waarop zij de man in eerste aanleg heeft gedagvaard) verdeling van (de waarde van) de woning. Het ligt dan ook op de weg van de man om aannemelijk te maken dat zijn belang bij het onverdeeld laten van de woning groter is dan het belang van de vrouw bij verdeling. De belangenafweging van de rechtbank is in het nadeel van de man uitgevallen. inhoudelijk grieven 1 en 2 ♂ 3.4. De eerste grief die de man tegen het vonnis aanvoert is dat de rechtbank de belangen van de bij de man inwonende minderjarige kinderen van partijen niet in haar oordeel heeft betrokken. De tweede grief die de man aanvoert is dat de rechtbank de zakelijke schuld van de man, maar aangegaan op de gezamenlijke wens van partijen, niet in haar oordeel heeft betrokken. Wat in zijn derde grief wordt aangevoerd heeft, naast bespreking van de eerste en de tweede grief, geen zelfstandige betekenis en hoeft daarom geen bespreking. 3.5. De man heeft tot op heden niet kunnen voldoen aan de door partijen gemaakte afspraak dat hij binnen een half jaar na het sluiten van de vaststellingsovereenkomst van 17 februari 2014 de woning zal overnemen en de overdracht bij de notaris zal laten plaatsvinden. Hij voert daartoe aan dat het onmogelijk was om uitvoering te geven aan de gemaakte afspraak (de overeenkomst), omdat een schuldeiser op 2 oktober 2018 executoriaal beslag heeft laten leggen op zijn onverdeelde helft van de woning. De voorzieningenrechter in de rechtbank Gelderland heeft bij vonnis van 8 oktober 2018 een vordering van de man tot opheffing van dit executoriale beslag afgewezen. Dit vonnis is door dit hof bij arrest van 6 augustus 2019 bekrachtigd. Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling op 14 juli 2023 heeft de man verklaard dat de betreffende schuld inmiddels door hem is afgelost, maar dat op dat moment zijn inkomen zodanig was veranderd dat het verkrijgen van een hypothecaire geldlening benodigd voor de uitkoop niet mogelijk was. Vaststaat dat het een schuld van de man betrof. Dat de schuld is aangegaan op grond van een intentie van partijen om samen een onderneming te starten maakt dat niet anders. In de vaststellingsovereenkomst van 2014 is geen bepaling opgenomen waarin de schuld als een voorwaarde onderdeel uitmaakt voor de overdracht en eigendomsverkrijging van de man, dan wel als voorbehoud daarin is opgenomen. Een beroep op die schuld en de gevolgen daarvan voor de financiering kunnen de man dan ook niet baten. De grief faalt. 3.6. Ook het door de man gestelde belang van de kinderen (van wie één nog minderjarig
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.